editie 3

04/12/2022
de evolutie van de mens tot de homo sapiens sapiens (© Edith Coen | dwars)
🖋: 
Auteur

Toen de dieren nog spraken, begon de homo sapiens sapiens ermee. Taal bleek een nuttig instrument om allerlei dingen mee te regelen, dus de meme die ze uiteindelijk is, overleefde het om met de soort samen te vallen. Zo werden woorden de kroning van de menselijkheid, het ideale medium om zowel noodzakelijkheid als je eigen noden op te enten. Onze meandertaler hoopt daarom met zijn zwelmend gezwalm eindelijk toe te kunnen treden tot de hoogste klasse der mens: de pseudo-intellectueel.

Het is de trouwe lezer van deze kutcolumn misschien al opgevallen dat ik graag uit mijn nek loop te lullen. Je zou bijna kunnen zeggen dat het het hele punt van de hetze net is, een megalomaan staaltje zeik-roer-me-niet, waarbij het thema 365/365 draait om een abstracte – al dan niet existentiële – ‘Angst’ te overwinnen met (zo hoopt de auteur dan) even abstracte ‘Woorden’ – die vaak allesbehalve existentieel zijn en bij tijden en stonden zelfs helemaal niet existeren; lege symbolen die voornamelijk conventie uitdrukken, met andere: leestekens.

Karakteristiek is evenzeer de analyse die ik juist maakte er een die ik me zonet bedenk. Ik neem je namelijk niet meer mee naar rommelige supermarkten of chirurgische kotkamers, maar naar de ordelijke chaos van de schrijftafel. Dat de schrijftafel een IKEA-stuk betreft, bedekt met een scherm, lang voorbijgeserveerde koffietassen, een coronatest en een veel te dun Apple-klaviertje dat een hoogst irritant geluid maakt elke keer als ik iets bedenk en bovendien bedolven is onder aantekeningen op servetten, een tafel die bestaat zonder er zelf enige erg in te hebben, in een redactielokaal waar ik op dit uur niets te zoeken heb... dat alles, is evengoed niets bijzonders. Wel nieuw voor deze zaterdag-op-zondagnacht is dat ik voor een keer eens geen stuk in mijn kloten heb, enkel in mijn vingers.

Het was een mooie studentenweek voor mijn meanderende zelfbeeld: veel zinloosheid om toe te drinken, veel meer om niets over te laten vallen, veelzeggende verhalen die door elkaar lopen en samenkomen in een punt van absoluut nul. Want het Absolute is altijd onzinnig. Als we naar nergens, hypochondrische psychoot die we wezen, een of andere relationele verwijzing maken, waar gaat het dan over? Het is pas door het relatieve te omarmen dat je eindelijk iets te zeggen hebt.

“Maar”, hoor ik het stille, aand-achteloze, toekomstige, lichtjes door mijn vooruitschuivende constructies – mijn uitstelgedrag is zo extreem dat zelfs mijn zinnen eronder lijden – geïrriteerde publiek denken, “zo haal je altijd, en dus absoluut, gelijk.” Ja, het zou maar erg zijn, als we zelfs in onze eigen column geen gelijk hadden. Alle waarheid is een paradox, als dat tegenstrijdig klinkt voor jou...

Ook heel dit opzet neigt naar zelfbevestiging. Dat het narratief elke keer verandert, is in dat opzicht uiteindelijk gewoon de meanderende rivier waaruit druppels vermeende wijsheid langs de oevers neerdalen om tot slijk te verworden in de zandbodems van de leest. Het verhaal is dat het enige wat moet vermeden worden een verhaal zelf is. Ik verwijs naar de vorige alinea als je zulke paradoxen problematisch vindt.

Verhalen geven betekenis, maken ons tot mens, zeggen mensen. Als dat waar is, zijn schrijvers dan Goden? Of eerder boulimiepatiënten die een obsessieve drang voelen om zich te doorvoeden met betekenis, ze herkauwen en opnieuw uitspuien als een schaamtestuk van zichzelf. Eindelijk loslaten, natte woorden laten vallen op een manier die nooit de bedoeling is geweest. Maar achter de woorden die we mondig maken, zit uiteindelijk even weinig teleologie als het voedsel dat we tot ons nemen. De wereld is niet voor ons gemaakt; wij zijn gemaakt naar haar grenzen. Dat besef maakt ons meer tot mens dan elk verhaal. Veel meer valt er niet te zeggen.



editoriaal

04/12/2022
Editoriaal Margaux (© Amber Peeters | dwars)
🖋: 

Het is nog te vroeg om al bezig te zijn met de feestdagen. Beweren ze. De snoodaards. Maar de kerstbomen zijn al lang te koop in de supermarkten en de kerstwinkel op de Meir heeft de deuren alweer geopend als een goedaardige natuurgod. Eerlijk? Ik denk dat ze allemaal niet weten waar ze het over hebben. Er is veel mis met het kapitalisme, maar een degelijke interne kalender heeft het wel.

Een mens verandert doorheen het leven grondig; geen cel is dezelfde, van geboorte tot natuurlijke doodsoorzaak of tragisch eind. Toch is er één cruciaal element van iemands id dat nimmer verandert: hoe bereid men is om schaamteloos de feestdagen te vieren met het enthousiasme van een rotverwend kind en de inzet van een Libelle-huismoeder. Zulke extase moet je kunnen toelaten in het leven. Bevroren voeten op drukbezochte kerstmarkten, glühwein van wisselende kwaliteit, pogingen tot schaatsen op een schaatsbaan met drie vierkante centimeter persoonlijke ruimte, alom bekende deuntjes… Zalig toch? Elk jaar begint men eerder te zeuren dat de winkels te snel de winterdecoraties ophangen, maar waarom zouden we niet zo vroeg als mogelijk beginnen met de vrolijkste tijd van het jaar? Als je het aan mij vraagt, kijk ik liever naar sneeuwvlokjes met gelukwensen dan pseudopromo’s op cursusblokken omdat ruwweg zes- tot achttienjarigen de schoolpoorten binnenkort weerzien.

Neem nu het ritueel van de kerstboom versieren. Een boompje vier trappen op sleuren om toch maar dennengeur in mijn kot te hebben zal er voor bepaalde zwakkelingen ferm over zijn, maar mijn slingers en kerstballen ophangen wil ik voor geen goud missen. Therapeutisch kan je het noemen. Je hangt iets op en je dag is een beetje beter: deep cleaning voor de hersenen. Een troost, dat ook. Tussen thesissen, taken en examens door is een eenvoudige to do tenslotte alleen maar welkom, als een troostprijs voor een vak dat je nóg niet verknald hebt. En wie weet, met zo’n natuurlijk aroma in huis kan je je vast zodanig beter concentreren dat het allemaal beter gaat dan je had verwacht. Wat is er beter voor je zelfbeeld dan het besef dat je geheel eigenhandig iets moois maar simpels kan transformeren tot een glinsterend kunstwerk?

Dus ja, het is eigenlijk al veel te laat om nu pas te beginnen met de kerstversieringen. Sinterklaas is te racistisch om gelukkig van te worden – zodra Allerheiligen verstrijkt, dringt de tijd om de kerstboom op te zetten, Mariah Careys royalty’s aan te vullen en de feestdagen opnieuw toe te laten in onze harten. Nooit te vroeg, alleen maar te laat. Als het leven een feest is, waarom halen we de slingers dan zelfs ooit weg? Mensen komen, mensen gaan, alleen Christmas spirit blijft bestaan.



close-up

04/12/2022
Close-up Film (© Amber Peeters | dwars)
🖋: 

Lucas Dhont is dé Vlaamse regisseur die steeds meer naam maakt. Na zijn debuut met de film Girl in 2018 brengt hij nu Close uit; een film die de pracht en breekbaarheid van een vriendschap haarfijn in kaart brengt. Close valt niet alleen bij het publiek in de smaak, maar duidelijk ook bij de filmdeskundigen. De film won niet alleen tal van prijzen op de filmfestivals van Cannes, Sevilla en New York, maar werd ook de Oscarinzending van België voor 2022. Een niet te missen speelfilm dus.

Een eeuwige zomer is alles wat Leo en Remi, twee dertienjarige jongens, nodig lijken te hebben om gelukkig te zijn. Ze liggen samen in bed, lachen uren met elkaar, knuffelen en verzinnen denkbeeldige vijanden die verslagen moeten worden. La vie magnifique. Helaas komt er aan alle zomers een einde en zorgt de eerste schoolbel voor de nodige opschudding. In de klas komen Leo en Remi goed overeen en ook op de speelplaats zijn ze onafscheidelijk. Maar de curiositeit bij de klasgenoten stijgt en een vraag dringt zich op. “Zijn jullie een koppel?” Een vooroordeel, dat als een vloedgolf een hechte vriendschap verwoest.

De eenvoudige vraag laat een krater van leegte in Leo achter. De zomer is plots voorbij en zijn hoofd is niet meer stil te krijgen. Uit schrik voor de reactie van anderen distantieert hij zich van Remi en kropt hij alles op. Een hechte vriendschap is plots niets meer dan een vage herinnering. Leo racet zonder Remi naar school en staat aan de andere kant van de speelplaats. Spreken doen ze niet meer en de breuk in hun vriendschap groeit. Leo verdrinkt zich in de jongenssport ijshockey en praat enkel nog over zijn favoriete voetbalspelers. Emoties zwijgt hij dood. Hoe kan iemand deze breuk nog dichtwerken? Het verliezen van een vriend creëert meer dan alleen een leegte, het is een gapende wonde die een felrood litteken achterlaat op de ziel van een kind.

Elke dag hebben we honderden vooroordelen, waarvan de meeste onschuldig blijven. Toch hebben sommige een grotere weerslag dan initieel bedoeld was. Niet alle vooroordelen blijven zonder gevolgen, een vraag als “Zijn jullie een koppel?” maakt dat meer dan duidelijk. Plaatsen we mensen te snel in hokjes of stellen ze zich aan? Deze film toont dat er in het dagelijkse leven ook mensen zijn die kampen met hun geaardheid en hoe dat ontvangen wordt bij hun omgeving. Vaak gaat het over jonge mensen, kinderen, die zelf nog niet eens weten wat ze precies voelen. Andere geaardheden, in dit geval homoseksualiteit, worden onterecht en te vroeg in hokjes geduwd, iets waar deze jongens allebei nog niet klaar voor waren.

Het verhaal werd opgedragen aan alle vriendschappen die Lucas Dhont verloor aan moeite met intimiteit. Dat is dan ook de reden waarom hij erin slaagt om de film zo oprecht in beeld te brengen. Zuiver als goud en een blok emoties. Close is een film die mensen raakt, jong en oud even het zwijgen oplegt en doet stilstaan bij het leven. Het is een film die zelfs de tijd even trager doet tikken.



Bierman

04/12/2022
Bierman
🖋: 

De pastor en het bier, er is geen duo dat meer onafscheidelijk is. Als pastorale superheld schrijft Gert Van Langendonck ons met zijn geestelijk vernuft op weg naar de beste smaken in het bierlandschap. Prosit!

In zijn crassa ignorantia (voor de onwetenden: een onwetendheid die zo massief is dat schuldig wegkijken mag vermoed worden) heeft Bierman altijd in de illusie geleefd dat een baard een gezichtsattribuut is dat uitsluitend bij mannen thuishoort. Natuurlijk waren er begin vorige eeuw tal van reizende circussen waarin bebaarde vrouwen en andere wonderen der menselijke anatomie brutaal te kijk werden gesteld, maar het feit dat iets een plaats krijgt op een rondtrekkende foor mag toch wijzen op het buitengewone karakter ervan, alsmede op de volslagen wereldvreemdheid van het publiek. Het was pas toen zangeres Conchita Wurst in 2014 het Eurovisiesongfestival won dat Bierman genezen werd van zijn eigen wereldvreemdheid en dat een baard voor hem tot gemeenschappelijk bezit voor alle mensen werd. Het was een mooie avond en hij is er haar nog steeds dankbaar voor.

Barbe d’Or is een bier dat diep in West-Vlaanderen gebrouwen wordt door brouwerij Verhaege. De naamgevende gouden baard verwijst naar het wapenschild van een van de voorouders van de brouwerij. Daarbij kan Bierman enkel maar goedkeurend knikken, want een baard moet zo ongeveer het best mogelijke symbool zijn voor iedere zichzelf respecterende brouwerij. Iedere bierliefhebber zou minstens een keer in het leven het genoegen moeten smaken om midden in de winter naast een laaiend haardvuur te zitten en een gigantische hap sneeuwwit schuim uit een glas te nemen, gevolgd door een paar grote slokken krachtig bier en afgesloten met het breeduit afvegen van knevel en baard met de rug van de hand zodat de schuimvlokken in het rond vliegen. Bierman kan zich de warme gloed in de ogen en de glimlach op de lippen al voorstellen die bij dit onsterfelijke ritueel horen en sinds Conchita Wurst weet hij dat mensen over alle genders heen elkaar kunnen vinden in dit eenvoudige maar rijke gebaar. Een gebaar dat helaas voor sommigen toch steeds een verre droom zal blijven bij gebrek aan noemenswaardige gezichtsbegroeiing. Misschien komt er ooit een tijd dat we ons zullen vergapen aan baardloze mensen en het wrede lot verwensen dat hen doet leven zonder de mogelijkheid bierschuim weg te vegen uit een dichte dos kinharen.

Naast Barbe d’Or, dat smaakt zoals blond bier moet smaken, maken ze bij Verhaege ook een Barbe Ruby van gemengde gisting en een Barbe Noir; een lichtvoetige stout met dezelfde naam als een bekende Engelse piraat. Conchita Wurst ten spijt is de baard helaas ook al vaak symbool gebleken voor toxische masculiniteit, met als ultieme exponent niet de zwart- of de roodbebaarde zeerovers van hun tijd, maar de misogyne Blauwbaard. Die werd volgens de legende slechtgezind toen een vrouw in zijn mancave binnendrong en een opmerking maakte over de lijken die daar rondslingerden. Het verhaal zou volgens sommigen ook een metafoor voor iets anders kunnen zijn, maar daar kan Bierman zich weinig bij voorstellen. In ieder geval schamen baarddragers aller genders zich tot op vandaag kapot voor de blauwharige vrouwenhater die alle baarden ter wereld een slechte naam heeft gegeven. Bierman weet uit goede bron dat brouwerij Verhaege net daarom nog nooit een Barbe Bleue heeft gemaakt, hoewel dat zou ook kunnen zijn omdat er geen blauwe mout bestaat.



Bierman

22/11/2022
Bierman
🖋: 

Terwijl u dit leest, zeer gestrenge lezer, vindt in de onooglijke golfstaat Qatar een parodie op het wereldkampioenschap voetbal plaats. Zolang Bierman zich kan herinneren vallen de examens in juni samen met het WK Voetbal. Elke zichzelf respecterende student kent wel het gevoel voor de onmogelijke keuze te staan tussen enerzijds een kwartfinale tussen voetbalreuzen Kameroen en Chili of anderzijds studeren voor pakweg het vak Epistemologie. Bierman koos natuurlijk steevast voor het laatste, maar vond zichzelf tot zijn grote verbazing altijd weer terug aan de toog van café de Sportvriend terwijl hij helden als de cornervlagzwaaiende Roger Milla (waar hij nog nooit eerder van gehoord had) luidkeels zat aan te moedigen of vol wanhoop de handen in de lucht gooide bij de tragische owngoal van de Colombiaan Andrés Escobar (die daar later in zijn thuisland voor werd vermoord). Uiteindelijk heeft dat alles zijn studietijd niet nadelig beïnvloed, maar veel geholpen zal het ook niet hebben.

Omdat het evenwel te warm is om te voetballen in Qatar in de zomer, werd beslist om het WK op te schuiven naar november. Het is mooi voor diversiteit en inclusie dat een logge structuur als de wereldvoetbalbond bereid was om te schuiven met hun belangrijkste roerend goed. Zo kan in principe iedereen meedingen naar de organisatie van dit sportieve feest. Helaas werden bij de toekenning van het WK-voetbal aan Qatar naar verluid vier FIFA-leden met miljoenen oliedollars omgekocht, waarna ruim 6.500 arbeidsmigranten doodgemalen werden bij de voorbereidende werkzaamheden voor het WK zelf. Iemand rekende voor dat dit één dode per 6m² grasveld is, allemaal voor infrastructuur die na het WK amper nog gebruikt zal worden. En dus zit het voetbalminnende deel van de wereld verveeld met het feit dat er bloed kleeft aan hun traditionele hoogmis, die bovendien plaatsvindt op een ongemakkelijk tijdstip in een land met amper noemenswaardige voetbalcultuur. Qatar pleegt met andere woorden weinig minder dan geweld op het idee van voetbal zelf en vraagt haar slachtoffers om ervan te genieten en hun mond te houden. Voor verwende westerlingen vraagt dit gelukkig weinig meer dan even weg te kijken van het leed en als een pavloviaanse hond het balletje op het scherm te volgen. Voor vele duizenden slachtoffers is dit voetbalfeest een bron van onnoemelijk lijden dat nooit had mogen plaatsvinden. Dit jaar laat Bierman alvast om al deze redenen de ongemakkelijke paringsdans van de Rode Duivels op televisie aan zich voorbijgaan. Misschien haalt hij zijn oude cursus Epistemologie nog eens boven om te zien wat hij allemaal gemist heeft en of woorden nog altijd hetzelfde betekenen. Brood en spelen bijvoorbeeld: alle begrip voor dit aloude Romeinse principe, maar moest het er dit jaar echt zo dik op liggen?

Eén van de officiële sponsors van het WK in Qatar - waar niemand die echt van voetbal houdt op zit te wachten - is Budweiser, niet toevallig ook een bier waar niemand die echt van bier houdt op zit te wachten. Vol trots kondigt de brouwgroep aan dat er meer bier zal gedronken worden tijdens het WK in Qatar dan doorgaans gedurende een heel jaar in het land. Het bier wordt aangevoerd met vrachtschepen en in speciale gekoelde magazijnen opgeslagen om het te beschermen tegen lokale 35 graden Celsius. Mocht er toch bier te kort zijn, dan staan vliegtuigen in het Verenigd Koninkrijk klaar om extra in te vliegen, zodat supporters de kostbare roes kunnen opwekken die bij al dit voetbalplezier hoort. Een fles van 33 cl zal 11 dollar kosten, wat het tot het duurste bier ter wereld zal maken. Er is ook Budweiser Zero beschikbaar, dat gegarandeerd niet naar zoute tranen en bitter gal zal smaken. Het bier zit overigens in dezelfde groep als Anheuser-Busch InBev en dus zal voor wie geen ticket naar de woestijn kan betalen nog steeds de Jupiler rijkelijk vloeien, dat andere hoogfeest van de middelmaat.

Uiteindelijk gaat het erom dat geld alles wat waarde heeft leeg maakt. Zalig de dwazen die naïef en onwetend meegaan in elke emotie die hen voorgekauwd wordt, maar wie de kapitaalstromen eenmaal met eigen ogen heeft zien lopen weet zich bedrogen en gaat elders op zoek naar authenticiteit. Misschien moeten we het WK de komende maand maar even aangrijpen om te verstillen voor alle slachtoffers van de miljardendans die momenteel een spoor van vernieling over de wereld trekt, om daarna nieuwe wegen in te slaan.

 

PS Na het schrijven van dit artikel werd bekend dat Qatar alle alcoholhoudende dranken bant uit de voetbalstadions. Bierman had de laatste paragrafen in functie daarvan kunnen herschrijven, maar hij besefte net op tijd het hem allemaal volmaakt onverschillig laat.



lezersbrief

14/11/2022
Logo QueerTrans@UA
🖋: 
Auteur extern

Maïté de Haan


De universiteit moet zich meer inzetten voor haar trans studenten en werknemers; ze moet zich actief verzetten tegen de discriminatie van trans personen, aldus QueerTrans@UA (QT@UA), een actiegroep van queer en trans personen aan de universiteit. De groep van studenten en onderzoekers ijvert voor een inclusiever beleid, lanceerde daarvoor een open brief en organiseert laagdrempelige evenementen om elkaar te ontmoeten.

open brief voor een trans-inclusief beleid

Met de open brief die recent werd gelanceerd willen wij, QT@UA, de onzichtbaarheid en discriminatie van trans, niet-binaire, gender non-conforming en queer personen in het beleid van de universiteit aankaarten. Het beleid en de structuren van de universiteit houden weinig rekening met trans personen. Daar moet dringend verandering in komen. De universiteit moet een veilige studeer- en werkomgeving zijn voor iedereen. Alleen zo kan de universiteit haar educatieve functie en haar aspiratie tot gelijkwaardigheid, diversiteit en inclusie ten volle vervullen. De open brief roept de universiteit op om tien actiepunten te implementeren. Wij pleiten onder meer voor genderneutrale toiletten, toegankelijke naamswijzigingsprocedures, een queer-inclusieve bibliotheek, een meldpunt voor discriminatie en meer bewustwording rond het thema.

 

de tien aanbevelingen van de open brief

 

een niet zo inclusieve universiteit: persoonlijke ervaringen van trans studenten, onderzoekers en medewerkers

De tien actiepunten die in de open brief kort worden toegelicht kwamen tot stand uit onderzoek en ervaringen van trans en queer studenten, onderzoekers en medewerkers van de universiteit. Zo probeerde een onderzoeker, die anoniem wenst te blijven, hun voornaam te veranderen in het systeem van de universiteit. Na veel opzoekwerk bleek daarvoor een procedure te bestaan. Eerst hebben studenten een “genderpasje” nodig en moeten ze daarmee via de helpdesk een dossierbeheerder contacteren. Die contacteren op hun beurt de Dienst Personeel & Organisatie. “Het genderpasje heeft geen enkele juridische waarde; het dient louter als gatekeepingmechanisme dat het zelfbeschikkingsrecht voor transstudenten in vraag stelt”, klinkt het bij QT@UA. Het genderpasje wordt uitgegeven door Transgender Infopunt (TIP) en bevestigt dat je een nieuwe naam hebt gekozen. Er wordt van studenten verwacht dat ze hun naam doorgeven aan het TIP, om het vervolgens opnieuw door te geven aan de helpdesk. Wanneer ze het rechtstreeks doorgeven aan de universiteit, worden ze niet geloofd. 
 
In de praktijk blijkt het echter nog ingewikkelder te zijn. De onderzoeker vertelde ons dat die zes verschillende personen moest contacteren voordat hun naam aangepast werd in het systeem van de universiteit. De onderzoeker werd voortdurend doorverwezen waardoor die ook telkens opnieuw hun verhaal moest vertellen. Bovendien waren daar vaak opvolgmails voor nodig. Uiteindelijk duurde het twee maanden voor de roepnaam geregistreerd werd en die een emailadres met de juiste naam kon gebruiken.

Een tweede verhaal dat bijdroeg aan het tot stand brengen van de open brief heeft te maken met de toiletten. Een non-binaire trans medewerker vertelde dat die moeite heeft met toiletbezoeken aan de universiteit. De medewerker vindt het erg confronterend om een keuze te moeten maken. Wanneer die vrouwelijk gekleed het toilet voor mannen binnenwandelt, voelt die zich geviseerd en kwetsbaar. Wanneer die naar de toiletten voor vrouwen gaat, is die bang om negatieve opmerkingen te krijgen.

 

een transfobe lezingenreeks aan de universiteit

Onze werkgroep werkte meer dan een half jaar aan de open brief. Initieel zou de brief op ‘Transgender Day of Visibility’ (31 maart) de deur uitgaan, maar de brief was nog niet klaar. Dat de brief juist nu naar buiten wordt gebracht, heeft een reden. De aanleiding is een lezingenreeks die aan de universiteit plaatsvindt. De reeks wordt georganiseerd door de Vrijzinnige Dienst van de universiteit en is om verschillende redenen transfoob. Daarom heeft die, als je het ons vraagt, geen plaats aan een universiteit.
 
De reeks en de communicatie errond geeft een respectloze en kwetsende presentatie van het thema. Het nodigt een bekende TERF (Trans exclusionary radical feminist) uit en van de zes sprekers is er slechts één trans persoon. Verder gebruikt de reeks een erg stereotiep en schadelijk beeld van een trans persoon. Het hanteert termen die stigmatiserend en pathologiserend zijn en daarom niet meer gebruikt zouden mogen worden. Zo luidt de titel van de reeks ‘transgenderisme’. Dit is een term die in de rond de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw ontstond en verwijst naar trans personen als een ‘stoornis of probleem’. ‘Trans personen’ wordt in de communicatie van het event ook aan elkaar geschreven, iets wat ingaat tegen de aanbevelingen van experten. Door de term in één woord te schrijven reduceer je trans personen namelijk tot hun trans-zijn. Tot slot stelt de reeks vragen zoals: ‘Moet de samenleving mensen die een operatie ondergingen ten volle beschouwen als ‘mannen’ en ‘vrouwen’?’ Die vraag is bijzonder transfoob. Trans vrouwen zijn vrouwen, trans mannen zijn mannen. Punt.
 
Kortom, het is alsof je een lezingenreeks organiseert over racisme met een radicaal rechtse spreker, slechts één persoon van kleur uitnodigt, het N-woord gebruikt in de communicatie en je de vraag stelt of mensen van kleur mensen zijn. Dit is vandaag de dag toch niet meer denkbaar?
 
Medewerkers van de universiteit tekenden daarom ook verzet aan tegen dit event. De rector liet later weten dat hij in dialoog is gegaan met de verantwoordelijke van de reeks en dat die het oneens was met de analyse. De rector besloot op grond van de ‘autonomie’ van de organiserende dienst in kwestie de reeks niet af te lassen noch aan te passen. Verder suggereerde de rector om naar het event te gaan en kritische vragen te stellen. Dat legt de verantwoordelijkheid bij het individu, de studenten en medewerkers en niet bij de universiteit zelf.
 
Net zoals bij de racistische lezing die enkele weken geleden aan onze universiteit kon plaatsvinden, wordt er ook in dit geval vanuit de universiteit nog te weinig ondernomen. Dit moet dringend veranderen. Er moeten structurele, beleidsmatige aanpassingen gebeuren om dergelijke voorvallen in de toekomst te vermijden. We hopen dat de open brief en de geformuleerde actiepunten daarbij helpen.

 

conclusie: een oproep om de brief te tekenen

De twee gedeelde ervaringen en de transfobe lezingenreeks zijn helaas geen alleenstaande gevallen. Het toont volgens QT@UA bijzonder goed aan dat de universiteit nog veel te weinig rekening houdt met queer en trans personen in haar beleid. Wij roepen dan ook op om de brief te lezen en te ondertekenen als je het belangrijk vindt dat de universiteit een inclusievere studeer- en werkomgeving wordt. Wij gaan binnenkort graag in dialoog met de rector en nemen de handtekeningen mee.

De volledige brief kan je hier lezen en tekenen: 
 

Maïté de Haan, namens QueerTrans@UA. Maïté is filosoof en academisch assistent verbonden aan het departement Wijsbegeerte van UAntwerpen.



09/11/2022
Poëzie (© Amber Peeters | dwars)
🖋: 
Auteur

kijken mag niet meer

aanraken ook niet

en nog liever heb ik

dat alle winkels sluiten

zodat niemand me

ooit weer kan vragen

of ik nog twintig cent heb

 



het laatste woord

05/11/2022
Grimmen (© Edith Coen | dwars)
🖋: 

Je zal het maar voorhebben: het ligt op het puntje van je tong en toch kan je er niet opkomen. Dat ene woord ontglipt je keer op keer. Ook dit jaar schiet dwars alle schlemielen in zulke navrante situaties onverdroten te hulp. Maandelijks laten we ons licht schijnen op een woord waar de meest vreemde betekenis, de meest rocamboleske herkomst of de grappigste verhalen achter schuilgaan. Deze editie razen we over ‘grimmen’.

Schilder mijn steeds roder wordend hoofd niet af als een hardnekkige blos. Ik staar naar een witte bladzijde met bovenaan slechts de vaste inleiding. Straks zal ze gevuld zijn met een opeenvolging van letters. Uren zullen verstreken zijn en ik zal ze nooit meer terugkrijgen. Een opgeluchte zucht zal halverwege onderbroken worden door het besef dat het laatste artikel, de laatste zes alinea’s, de laatste drieduizend tekens, het laatste woord van het boekje uit mijn pen vloeiden. Mijn werk helemaal naar achteren geschoven, uit de spotlight gehaald, waar enkel de doorzettende lezer het lezen zal. Woedend ben ik om dat vooruitzicht.

Voor de start van het academiejaar had ik nog een sprankeltje hoop. Op een vergadering waar de letterkoekjes achteloos werden opgesmikkeld, werd met propvolle mond het voorstel geopperd Scrabbleblokjes ter vervanging te gebruiken. Eetlust zou hen niet doen verdwijnen en ze zouden me punten opleveren bij het schrijven. Ik zag niets dan voordelen en al snel ging de volledige opslag van mijn smartphone naar notities met lange woorden. Exces is dan niet lang, het bevat wel een x, weet je. Het werden krantenknipsels, waardeloze letters van verschillende groottes. Mijn reddingsboei weggesnokt welt mijn woede verder aan.

Grimmen. Ik proef het, kauw tot het woord slechts een letterbrij is en spuug het passievol weer uit. Grimmen. Alsof mijn woede met fijne penseelstreken is aangebracht en er dadelijk weer af zal spoelen. Onderschat mij niet, mijn furie is geen kinderlijke impressie. Grimmen. Alsof mijn woede een sprookje is: fictie en met een goede afloop. Grimmen. Woeden, razen, tieren. Grimmen. Alleen dat woord al doet mijn zelfbeheersing barsten, mijn woede de vrije loop gaan.

Bij elke toetsaanslag voel ik mijn woede toenemen. IN CAPSLOCK GRIM IK VERDER. MISSCHIEN HEB IK EINDELIJK DE MANIER GEVONDEN OM AANDACHT TE KRIJGEN VOOR MIJN WERK, DE MOEITE NIET VOOR NIETS TE LATEN ZIJN. LAAT DIE LEZERSREACTIES MAAR KOMEN! ALS EINDREDACTIE STRAKS BESLIST KOMAF TE MAKEN MET DE HOOFDLETTERS, GAAN ZE ME ZIEN GRIMMEN ALS NOOIT TEVOREN.

“Adem in, adem uit”, fluister ik mezelf toe. “Adem in, adem uit, adem dwars, cursief en kleine letter. Ook op de allerlaatste bladzijde.” Mijn verbrokkelde zelfbeheersing weer bij elkaar sprokkelend buig ik mijn grimlach om tot een glimlach. Een mooie afscheidslach, zoals het hoort aan het einde van het boekje.



stuvers aan het woord

05/11/2022
Studentenraad (© Margaux Albertijn | dwars)
🖋: 

Waar is de Studentenraad zoal mee bezig? Hun roze logo verschijnt te pas en te onpas in de mailbox, maar wat doen ze naast mailen? Achter welke nieuwe initiatieven aan de universiteit schuilt stiekem de Studentenraad, op welke manieren beïnvloeden ze het dagelijks leven van de student? Om daarachter te komen neust dwars in de projecten van de Studentenraad. Deze maand rijd ik mee op oud-stuver Wannes Van Zegbroecks bus.

Tot voor kort was Wannes Van Zegbroeck student Farmacie en lid van de Stuvoraad (raad voor studentenvoorzieningen, n.v.d.r.). “Mijn passieproject was mobiliteit en meer bepaald mijn idee voor een campusbus”, vertelt hij. “Op dit moment bestaat het probleem dat er geen rechtstreekse lijn tussen campus Groenenborger en campus Drie Eiken rijdt. Je moet steeds overstappen op Bist, waardoor je veel tijd verliest.” Voor meerdere opleidingen vormt dat een probleem: studenten moeten regelmatig van de ene naar de andere campus pendelen. “In de eerste bachelorjaren van Farmacie moest dat vaak tijdens de middag. Probeer het maar, twee bussen halen én lunchen én op tijd in je les zitten.”

Enter, de Studentenraad. Plan A was eenvoudig: de universiteit ging onderhandelen met De Lijn. De njet kwam er snel: zo’n rechtstreekse lijn richting Drie Eiken paste niet in het vervoersplan. In plan B legde UAntwerpen de buslijn zelf in. “Daarvoor heb ik zelf private busmaatschappijen gecontacteerd en offertes verzameld… Met die offertes heb ik de berekening gemaakt, zodat het zo goedkoop mogelijk was.” Voor studenten zou zo’n bus goedkoper kunnen uitvallen, zelfs wanneer de universiteit niets zou bijdragen. Vanaf een bezettingsgraad van 70% op een kleine privébus (waarin plaats is voor dertig personen) blijft de prijs voor een rit per student onder de magische grens van 1,70 euro, op dit moment het goedkoopste tarief voor één rit bij De Lijn. “Als je bedenkt dat Farmacie in de eerste twee jaar ongeveer tweehonderd studenten heeft en niet de enige richting is met het pendelprobleem, krijg je zo’n bus snel gevuld.”

Voorlopig is de campusbus er nog niet. Ondanks al het harde werk vanuit de Studentenraad ligt het dossier stof te vergaren bij de universiteit. Toch heeft UAntwerpen niet helemaal stilgestaan qua mobiliteit. “De deelsteps zijn er al langer, maar ze worden door bijzonder weinig studenten gebruikt omdat ze te duur zijn”, stipt Wannes aan. “UAntwerpen is ook bezig aan een deelfietssysteem om het pendelen te vereenvoudigen. Nu, ten eerste zit je met dezelfde drempel als bij de Birds: een deelfietssysteem kost wel wat. Ten tweede hebben de meeste studenten die naar de campussen fietsen een eigen fiets. Tot slot zijn fietsers een ander publiek dan buspendelaars. Wie slecht ter been is, bijvoorbeeld, heeft weinig aan zo’n systeem maar veel meer aan een bus tussen campussen. Het is een oplossing, maar niet voor iedereen.”

Helaas is die bus er niet. Nóg niet. “Ik hoop dat het idee opnieuw aangezwengeld kan worden. We hebben alle documentatie en berekeningen nog liggen. Als de universiteit het niet zelf inlegt, waarom wijzelf niet? Misschien is dat mijn rebelse kant, maar stel, we huren een bus in voor één dag, we bewijzen hoeveel studenten geholpen zouden zijn met een rechtstreekse verbinding… Ik zie het al voor me.”



proffen over het streven naar de top

05/11/2022
Universiteitsrankings (© Margaux Albertijn | dwars)
🖋: 

Een opmerkelijke mail van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte van UAntwerpen gericht aan de medewerkers van de faculteit deed in het eerste semester van vorig academiejaar de ronde. De mail vraagt om contacten uit de bedrijfswereld door te geven zodat ze kunnen worden meegenomen in een mailing vanuit het rectoraat. De faculteit licht ook toe waarom: “Op vraag van het rectoraat hebben we vorig jaar onze medewerking verleend aan het verhogen van de reputatiescore van UAntwerpen in de WUR (QS World University Ranking). Mede hierdoor is UAntwerpen licht gestegen in deze ranking. Dat is geen eenmalig initiatief en dient jaarlijks herhaald te worden om de score hoog te houden of, beter nog, verder te verhogen.”

Meer had mijn nieuwsgierigheid niet nodig om geprikkeld te raken. Ik wilde weten hoe universiteitsrankings werken en hoe doelmatig ze zijn, hoe ze worden ingezet en of er beperkingen aan het systeem zijn en waarom de universiteit kennelijk zo wakker ligt van universiteitsrankings dat ze academici bestookt met mails om de parameters van deze rankings te optimaliseren.

 

selectieve criteria

Frank Willaert, emeritus professor Nederlandse letterkunde, ziet het met tegenzin gebeuren. “Een voornaam punt van kritiek is de keuze van de criteria, de indicatoren en het gewicht dat men aan elk criterium geeft. Dat is noodzakelijk willekeurig. Of beter gezegd: gedetermineerd door de opvattingen van de samenstellers van zo’n ranking over wat het belangrijkst is en dus het zwaarst moet wegen. De academische reputatie bij de peers? De reputatie bij werkgevers? De verhouding studenten-staf? Het aantal internationale studenten? Het aantal buitenlandse stafleden? De research output? En hoe meet men die output dan? Bij elk van die criteria die ik hier noem en die bijvoorbeeld bij de QS-ranking worden gebruikt, valt weer van alles te bemerken. Betekent een gunstige student-staf-ratio dat studenten op een optimale begeleiding kunnen rekenen? Of dat er sterk wordt ingezet op research? Kortom, wat meet men met zo’n variabele eigenlijk?”

“Aan de andere kant vallen er ook criteria te bedenken die niet worden meegenomen”, stipt Willaert aan. Hij somt er enkele op: “De toegankelijkheid van een universiteit, de investering van de overheid (en dus van de gemeenschap) in een universiteit, de diversiteit van haar staf of de diversiteit van haar studenten zijn daar bij mijn weten allemaal voorbeelden van. En eerlijk: ik zou ook niet weten hoe zwaar je ze zou moeten laten wegen. Men veegt van alles bij elkaar, men weegt kaneel bij lood en men komt tot scores die bij een andere weging van de criteria, of met andere criteria, heel anders kunnen uitvallen. Kortom, achter die rankings zit een opvatting over wat een universiteit moet zijn. Die opvatting lijkt me een discussie waard. Moeten we allemaal op Harvard willen lijken?”

 

een wedstrijd die je niet winnen kan

Luc Duerloo, gewoon hoogleraar Geschiedenis, noemt de rankings dan weer een spiegelpaleis. “Het is duidelijk dat er kwaliteitsverschillen bestaan tussen universiteiten. Maar als je die universiteitsbreed bekijkt, dan weiger je in te zien dat universiteiten soms goed kunnen zijn in één ding en slecht in iets anders. Bovendien kun je ongelooflijk veel vragen stellen over hoe ze tot stand komen. Ook vind ik het merkwaardig dat er zo weinig debat is over het feit dat de rankings van commerciële aard zijn, maar wel de parameters bepalen van wat kwaliteit is en waarop universiteiten worden beoordeeld. Het halen van Nobelprijzen weegt in prestigieuze rankings zwaar door. Dat betekent dan dat je over grote financiën moet beschikken en beloftevolle onderzoekers weinig tot geen colleges laat geven.”

“Universiteiten vullen hun drie strategische doelen – onderwijs, onderzoek en dienstverlening – in op heel verschillende manieren. Er is een te grote diversiteit om zomaar aan de hand van één uniform rankingsysteem te zeggen wie nu de beste is”, vertelt Nathalie Vallet, hoogleraar aan de faculteit Ontwerpwetenschappen en de faculteit Bedrijfswetenschappen en Economie. “Hoe meer strategisch maatwerk in functie van bijvoorbeeld lokale uitdagingen, unieke principes of waarden en minder algemene of gangbare beleidskeuzes, hoe groter de kans op een lage plaats in de ranking. Dat is dan ook een gevaarlijk neveneffect van de huidige academische rankingsystemen: ze veronderstellen wereldwijd een soort van eenduidige, universeel geldende hiërarchie tussen universiteiten die er niet is. Hierdoor doen ze de rijke diversiteit en traditie, vaak verwant aan cultureel en historisch verschillende contexten, onrecht aan.”

“Er is nog een tweede gevaarlijk neveneffect”, gaat Vallet verder. “De gehanteerde criteria van de gangbare rankingsystemen zijn allesbehalve ideologisch en strategisch neutraal. Zo zijn ze duidelijk geïnspireerd door het neoliberale denken ten aanzien van de publieke sector, dat momenteel opnieuw zegeviert en duidelijk westers geïnspireerd is. Het gaat over

profitcriteria zoals het zelf genereren en binnenhalen van financiële middelen en het publiceren in al dan niet enkel een selecte groep van zogenaamde high-level academische tijdschriften die imagogewijs maximaal renderen. Dat is volgens het westers neoliberale denken een synoniem voor kwaliteit. Er zijn echter diverse redenen waarom heel wat universiteiten bewust publieke organisaties zijn en best ook blijven. Denken we bijvoorbeeld aan hun academische onafhankelijkheid en kritische zin. Als je daar nu profitcriteria aan toevoegt, krijg je heel andere organisaties. Het gevaar is reëel dat universiteiten zo hun onafhankelijkheid verliezen. Kortom, andere ideologische en culturele contexten leiden logischerwijze tot andere invullingen van criteria en rankings. Beoordelen, evalueren en zo ook ranken blijft dus steeds een uitgesproken normatief en selectief gebeuren.”

 

als jij mij leuk vindt, vind ik jou ook leuk

Ik vroeg ook aan UAntwerpen hoe de universiteit kijkt naar het belang van deze rankings, hoe de universiteit ze inzet en in welke mate ze een universiteit als UAntwerpen ten goede komen. Woordvoerder Peter De Meyer zegt dat de rankings geen doel op zich zijn, maar dat een mooie plek in de rankings voor UAntwerpen zeker een goede zaak is. “Internationale studenten, zeker Aziatische, houden rekening met een ranking en vinden zo hun weg naar UAntwerpen, bijvoorbeeld om te doctoreren. Door een goede internationale uitstraling gaan er ook deuren open. Die kunnen leiden tot samenwerkingen met andere kennisinstellingen.”

Niettemin klinkt de mail van de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte ook Guido Vanheeswijck, gewoon hoogleraar filosofie die in 2020 op emeritaat ging, bekend in de oren. “Er is het jaar voordien een vraag gekomen van hetzelfde decanaat om aan onze buitenlandse collega’s kenbaar te maken hoe geweldig goed wij zijn en dan kunnen wij van de buitenlandse collega’s ook zeggen hoe geweldig wij ze vinden. Ik heb toen, ik stond kort bij mijn emeritaat, een mail geschreven aan de gehele faculteit met de boodschap dat ik dat betreurde en dat de faculteit haar ziel verkoopt op deze manier. Ik heb daar vele reacties op gekregen – individueel, want de meeste collega’s willen er in het openbaar niets op zeggen.”

 

Er is een te grote diversiteit om zomaar aan de hand van één uniform rankingsysteem te zeggen wie nu de beste is.

 

Ook Willaert stelt zich vragen bij deze gang van zaken. “De weging van de reputatie van een universiteit gebeurt door peers, die meer en meer door hun universitaire overheden worden verzocht hun bevriende collega’s van andere universiteiten te vragen om de eigen universiteit als gereputeerde instelling te vermelden bij de instituten die de rankings verzorgen. In ruil biedt de vragende academicus uiteraard aan hetzelfde te doen ten aanzien van de universiteit van zijn of haar collega. Kortom: ‘I scratch your back, you scratch mine’.
Ik vind deze werkwijze in ethisch opzicht zeer betwistbaar en methodisch curieus. Betekent het feit dat ik met een collega-onderzoeker uit universiteit x of y goed kan samenwerken meteen dat ik een betrouwbaar beeld heb van zijn of haar universiteit als geheel, in al haar aspecten?”

 

lokale inbedding

“Ik zou mezelf niet de grootste tegenstander van universiteitsrankings noemen omdat de indicatoren van deze rankings een soort van competitie kwantificeren”, gaat hoogleraar politieke sociologie Peter Thijssen verder. “Competitie is niet noodzakelijk slecht en leidt ertoe dat de performantie beter is. Onze universiteit gaat er vrij verstandig mee om. Mijn grootste probleem met de rankings is van maatschappelijke aard. De gehanteerde indicatoren gaan een eigen leven leiden. Wordt het onderwijs beter door de rankings? Of worden de universiteiten beter door de rankings omdat de betere studenten er belanden? Zo’n indicator meet de makkelijkst meetbare dingen. Onderwijskwaliteit is minder meetbaar.”

“Wat ik belangrijk vind bij een universiteit als UAntwerpen is het bewustzijn dat we een universiteit zijn in een stad en een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben, ook tegenover de studenten die er wonen. Dat is veel moeilijker om te meten, maar dat wil niet zeggen dat dat geen waarde heeft. De mate waarop een universiteit in de omgeving rekruteert, wordt vaak als iets negatiefs gezien. Hoe internationaler de studentenpopulatie, hoe beter. Topuniversiteiten trekken studenten over de hele wereld aan, maar zijn vaak slecht ingebed in hun omgeving. Die lokale inbedding zou als criterium ook een plaats moeten krijgen.”

Peter De Meyer benadrukt dat de universiteit het beleid niet op de rankings afstemt: ”Dag in, dag uit wetenschappelijk onderzoek op internationaal niveau uitvoeren en kwalitatief onderwijs aanbieden: dat is ons doel. Als dat dan wordt bevestigd met een mooie plaats in een ranking, dan is dat natuurlijk leuk. Je moet die rankings ook in perspectief zien: wereldwijd zijn er zowat 18.000 universiteiten. UAntwerpen staat in de Times Higher Education 2023 op plek 131. Dat betekent dat we tot de 1 procent beste universiteiten van de wereld behoren. Ook alle andere Belgische universiteiten behoren tot de top. Ook relevant: veel Angelsaksische universiteiten selecteren de beste studenten en vragen torenhoge inschrijvingsgelden. Wie alleen topstudenten toelaat, blijft makkelijker in de top van de rankings staan. Vlaamse universiteiten hebben ook een maatschappelijke opdracht.”

 

botsing tussen exacte en humane wetenschappen

De bedenking die meerdere professoren maken, is hoe relevant deze rankings zijn voor de humane wetenschappen. Een professor in de menswetenschappen die liever anoniem blijft, ziet het zo: “Ik begrijp dat de rankings in sommige vakgebieden als de medische en exacte wetenschappen wel een rol spelen, maar voor de menswetenschappen slaan ze nergens op. Daar leiden ze meer tot een koehandel, waarbij we gevraagd worden buitenlandse collega’s ertoe te brengen onze universiteit hoog te waarderen in ruil voor dezelfde hoge evaluatie van hun instelling. Niemand is in staat op een ernstige manier volledige programma’s en departementen aan andere universiteiten in te schatten – dat kunnen we zelfs niet binnen onze eigen departementen omdat we nauwelijks elkaars concrete wetenschappelijke werk kennen. De scores die we verlenen, kunnen alleen maar nattevingerwerk en pseudo-objectief zijn.”

 

Topuniversiteiten trekken studenten over de hele wereld aan, maar zijn vaak slecht ingebed in hun omgeving.

 

“Het is een triest en absurd theater”, gaat Vanheeswijck verder. “Een universiteit heeft een verantwoordelijkheid. Ze moet ten eerste de volgende generatie opleiden tot specialisten en tot mensen die hun vak kennen en die in de maatschappij dat vak kunnen uitoefenen. Ten tweede moet een universiteit studenten opleiden tot mensen die kritisch zijn over de uitgangspunten van de samenleving, maar ook kritisch zijn over zichzelf, de universiteit en de professoren. Het is niet omdat ik een opinie heb, dat je die moet aanvaarden. Die kritische reflectie vind je niet terug in de rankings. Je gaat niet studeren aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte om je te conformeren aan bedrijfscultuur of om professionele contracten te sluiten. Eigenlijk leer je er om imagopolitiek te doorprikken. Traditioneel heeft in de faculteit Letteren en Wijsbegeerte altijd een groot gevoel van non-conformisme geheerst, maar dat staat nu geweldig onder druk.”

“Als sociale wetenschappers hebben wij kritiek op bijvoorbeeld de Shanghai-ranking die tilt welke publicaties in grote tijdschriften zijn verschenen en hoeveel Nobelprijswinnaars een universiteit aflevert”, vertelt Thijssen. “Voor sociale wetenschappen zijn er geen Nobelprijzen, noch is er een equivalent. Dat maakt dat het niet zo’n eerlijke indicator is. Zeker voor een universiteit zoals die van Antwerpen, die toch een redelijk aantal sociale wetenschapsstudenten heeft. De indicatoren zijn misleidend omdat ze gebaseerd zijn op de performantie van de exacte wetenschappen. De research output telt daar het zwaarste mee.”

De Meyer zegt iets gelijkaardigs: “De methodologie van universiteitsrankings is vaak niet erg transparant. Het aantal Nobelprijswinnaars binnen een universiteit speelt in sommige rankings bijvoorbeeld een rol. Maar wat zegt een Nobelprijs voor een professor in de Geneeskunde in 1965 over de kwaliteit van pakweg de opleiding Communicatiewetenschappen in 2022?”

 

zorgen over onderwijs

Als belangrijkste bekommernis stipt Thijssen aan hoe je onderwijs opneemt in de indicatoren. “Onderwijs moet meer belang krijgen, ook al is dat moeilijk meetbaar. In de indicatoren wordt heel veel rekening gehouden met het aantal publicaties, maar hoe die publicaties zijn verspreid onder de staf speelt geen rol. Als die publicaties gerealiseerd worden door enkele toppers die de studenten zelden of nooit te zien krijgen, is dat misleidend. Je moet kijken naar wat er bereikt wordt met studenten. Je kan werken met topstudenten en hun niveau wat verhogen. Maar een veel grotere verwezenlijking is het om minder goede studenten op een topniveau krijgen.”

“We moeten kritisch blijven kijken naar het verband tussen onderzoek en onderwijs”, vertelt Thijssen.
“Typisch aan universitair onderwijs is dat we steunen op eigen onderzoek, wat de colleges ook kwalitatief versterkt. Alleen is het grote probleem dat vele studenten de toponderzoekers die ervoor zorgen dat de universiteit in de rankings stijgt, nauwelijks te zien krijgen. Universiteiten proberen hun toponderzoekers vrij te stellen van onderwijs, waardoor de koppeling tussen onderwijs en onderzoek niet wordt gerealiseerd.”

“Omdat onderzoek zwaar doorweegt in de rankings wordt onderwijs het ondergeschoven kind ten bate van onderzoek”, vreest Vanheeswijck. “Officieel tellen onderwijs en onderzoek in gelijke mate mee, maar door de huidige universitaire politiek wordt dat evenwicht op de werkvloer doorbroken. Het aantal studenten telt wel in de rankings, maar niet hoe je met de studenten omgaat. Hoeveel tijd steekt een docent in een student en in onderwijs? Mogen studenten regelmatig vragen stellen op haar of zijn bureau? Wimpel je dat af of niet? Vroeger werd het als een voorrecht gezien om aan eerstejaars les te geven en hen te introduceren in je vakgebied. Jonge docenten worden vandaag vooral beoordeeld op hun wetenschappelijke output, met als gevolg dat ze niet happig zijn om in het eerste jaar les te geven. De hele rankingsfilosofie heeft met andere woorden gevolgen voor het onderwijs aan de basis. Het is een geloof dat binnen de muren van de universiteit is gedrongen, maar dat weinig zegt over het dagelijkse klimaat en de werking op de werkvloer.”

Het is duidelijk dat de rankings niet louter op hoerageroep kunnen rekenen, de vraag blijft waarom universiteiten er niettemin zoveel waarde aan hechten. Vanheeswijck: “De universiteitsrankings passen perfect in het klimaat van publish or perish, van het kwantificeren van zaken en van een bepaalde perceptie naar buiten creëren. Ik denk dat het heel wat kwalijke effecten heeft. Het is een tendens die het laatste decennium is versneld. En natuurlijk kan één universiteit zich daar moeilijk tegen verzetten. We spreken hier over een algemeen klimaat. Is dat een fout van de universiteiten? Nee en ja. Alle universiteiten moeten dat spel meespelen, anders verliezen ze geld. Al weten velen dat het model niet deugt, ze durven dat bijna niet aan te klagen. Terwijl je die openheid juist van wetenschappers zou mogen verwachten.”

 

Het is zeer zorgwekkend indien universiteiten strategisch gaan denken én handelen in functie van deze rankings.

 

“Het grote probleem van de filosofie rond rankings is dat benoemingen en bevorderingen erdoor worden bepaald. Het filosofische essay in de moedertaal verdwijnt bijvoorbeeld in die optiek. Wie naast A1-artikels essays voor een breder publiek schrijft, maakt minder kans op een benoeming dan iemand die uitsluitend specialistische bijdragen produceert. Ik ben ervan overtuigd dat heel veel mensen dat heel goed weten. Collega’s noemen dat systeemdwang. Ofwel draai je mee in het systeem ofwel moet je ontslag nemen. Zeker de laatste jaren: de beste studenten verlaten de universiteit. De studenten die zich tactisch aanpassen aan het heersende klimaat hebben de beste kansen om er te blijven.”

Thijssen vindt het niet slecht dat elke universiteit de indicatoren waar ze goed in schoort naar voren schuift. “Je krijgt een idee waar de universiteit goed in is. Dat maakt alleen maar duidelijk dat de indicatoren verschillen. En om te kijken hoe een universiteit presteert, is dat maar één element in het verhaal. Je moet erop wijzen dat niet één indicator heilig is.” Hij stipt wel een ander risico aan: “Wanneer een heel dom criterium in een index wordt opgenomen en mensen spotten dat criterium, dan krijgt dat criterium ook waarde, hoe absurd het criterium ook is. Zulke indicatoren worden een bestaan op zich en dat groeit uit tot een soort van selffulfilling prophecy.”

“Het systeem zit niet goed omdat het niet objectiveerbaar is”, stelt Duerloo. “In Groot-Brittannië hebben ze een systeem waarbij de disciplines aan een universiteit op geregelde tijdstippen worden doorgelicht. Dat gebeurt hier ook. Maar het Britse systeem verschilt van het onze in die zin dat er bepaalde collega’s worden vrijgesteld, betaald worden om dat te doen en dat men van die collega’s verwacht dat ze daadwerkelijk stukken van professoren lezen. Hier wordt naar cijfers gekeken, terwijl in Groot-Brittannië je drie beste publicaties worden gelezen. Dat leidt tot een inhoudelijke kwaliteitsbeoordeling in plaats van een kwantitatieve.” “Het zijn zeker geen onschuldige systemen”, zegt Vallet. “Al die academische rankings pretenderen neutraal te zijn alsook de academische kwaliteit, slagkracht en identiteit te versterken, maar dat doen ze helaas allerminst. Het is slechts schijn en het is dan ook zeer zorgwekkend indien universiteiten strategisch gaan denken én handelen in functie van deze rankings. In plaats van zich in eerste instantie te buigen over de intrinsieke kwaliteit en ontwikkeling van hun drievoudige strategische opdracht, kijken ze eerst naar de gevolgen en hun ambities in de rankings. In plaats van dichter bij hun bestaansreden en identiteit te komen, riskeren ze ervan weg te drijven.”