Ne Krop in Mijn Kiel
21/02/2006
🖋: 
Auteur

Meeuwen cirkelen als aasgieren zeventien verdiepingen boven mijn hoofd. De lucht straalt een onheilspellende grijsheid uit, maar gevreesd gedruppel blijft achterwege. Voor eventjes althans. Enkele passen van mij verwijderd staan grote gebouwencomplexen plechtstatig te vervallen, wachtend op een reeds lang beloofde, maar zo mogelijk nog langer vergeten, renovatie. Ik bevind mij op het Kiel. Centerparks. Maar nu even niet, denk ik dan.

Toen Antwerpen in 1920 de Olympische Spelen mocht verwelkomen en een tiental jaar later de wereldtentoonstelling het hart van menig sinjoor sneller deed slaan, ontwierp architect Renaat Braem een sociaal woonpark dat tot op de dag van vandaag mee gestalte geeft aan de Kielse skyline. Revolutionair is een woord dat slechts met de nodige omzichtigheid en terughoudendheid in de mond genomen mag worden, wil men het niet alle betekenis doen verliezen, maar bij dit staaltje grootstadarchitectuur is het in ieder geval meer dan toepasselijk. Arbeiders die gewoon waren zich te wassen in een met warm water gevulde teil en zich doorgaans naar het putteke op de koer dienden te begeven om aldaar hun gevoeg te gaan placeren, konden plots genieten van een heuse badkamer met stromend water. Een conciërge waakte erover dat de bewoners de gaanderijen kraaknet hielden, de huurprijs stond in verhouding met het inkomen en iedereen sprak elkaar bij voornaam aan. De zon scheen hoog aan de hemel voor de '‘Kielse ratten' en haar glorie werd weerspiegeld in de glans van de majestueuze Braemblokken. De tand des tijds is echter onverbiddelijk. Ook bezuiden de Silvertoplaan kon men niet op enige genade rekenen en werd elke tegenstand tegen het opkomende verval vermorzeld onder haar duizelingwekkende gewicht, totdat zelfs de laatste echo's van de dromen uit een ver en bruisend verleden voorgoed verdrongen waren door de koortsige waanbeelden van een kankerende grijsaard.

 

“Vruger, da waren nogal is tijden” verzucht Liliane, vergezeld van haar stokoude en tevens potdove keffer Ricky (“mor binne blaft em ni ze, meneer”). “Ik stond op trouwen en wij hadden nog geen kinderen, maar die waren wel komende. En wij mor rondzien, nor huizen enzo. En toen zijn wij ier is kome kijke. Da was nen droom. Van nen droom nor een drama, in ongeveer éénenvijftig jaar. Het kan verkeren é.” Ik sta in de inkomhal van één der sociale woonblokken aan de Jan de Voslei gezellig te keuvelen met twee kranige dames op leeftijd. Een omstaander slaat het hele gebeuren gade als een doordeweeks koffiekletske met een ietwat ongewone samenstelling. Niets is echter minder waar. Hier wordt niet over koetjes en kalfjes gepraat. Bittere ernst en miserie valt ons ten dele. “Edde de lift ier al is gepakt? Al die pis... En das ni van klein mannen é! Zie maar waar dattet vertrekt. En die vocabulaire oep de muren. Het zijn baldadigheden”, stelt Liliane. “Affreus”, vult Antoinette zonder twijfelen aan. “Ik durf ier geen kennissen uit te nodigen, edde de vloer ier al is bekeke? En, pas op, ik zeg et ni graag, ge moogt me ne racist vinden, mor... In de zomer, die speeltuin... Dan is da ier precies Marrakech é...”

 

Wanneer we op slinkse wijze in een iets nettere sociale woonblok binnen weten te dringen en gebruik makend van de lift koers zetten richting bovenste verdieping, worden we op twee verdiepingen van de top tegengehouden door één van de bewoonsters, die ons in enkele niet mis te verstane bewoordingen de deur wijst. Een sociale woning is immers geen openbaar gebouw. Ons argument dat we graag een foto zouden trekken van het weidse uitzicht dat ons op de bovenste verdieping ongetwijfeld te beurt zou vallen, wordt weggewuifd. De zeventiende verdieping is immers een strikt verboden zone. “De mense die ier kome wone, hemme et ni altij eve gemakkelijk. Da verstade wel, ni? Vruger konde zonder probleme nor het zeventiende. Der is trouwens een pracht van een dakterras, ideaal oem een kleurreke te pakke bij schoon weer. Mor na kunder enkel gerake me ne speciale sleutel. Oeveel da zich al ni van da terras nor beneje emme gesmete, da is ni te schatte. We zen per slot van rekening ni allemaal Rockefellers é ...”



een ethisch debat
20/02/2006
🖋: 
Auteur

Sperman: de superheld die ongewenst kinderloze koppels redt. Het academisch ziekenhuis van de VUB lanceerde dit stripfiguurtje aan het begin van het academiejaar in een promotieactie. Deze promostunt was vooral gericht naar mannelijke studenten en medewerkers en riep op om sperma af te staan aan het Centrum voor Reproductieve Geneeskunde. In de pers werd de opvallende actie uitvoerig behandeld maar wij vroegen ons af wat de ethische implicaties van spermadonatie zijn.

In België wordt de anonimiteit van de spermadonor vooralsnog gegarandeerd. De (sociale) ouders noch de kinderen, die het '‘product' zijn van deze praktijk, weten wiens sperma werd gebruikt. De donor is op zijn beurt niet op de hoogte van waar zijn genen terecht zullen komen. Hoe is het om op te groeien zonder kennis van je biologische vader? Wat zijn de voor- en nadelen van anonimiteit en moet de wet al dan niet aangepast worden? Wij wilden de verschillende meningen horen en legden ons oor te luister bij een bio-ethicus, een psychologe, de morele consulent van de UA én bij een studente wiens biologische vader spermadonor is.

 

Maar eerst nog wat informatie: de campagne van de VUB – die overigens gedurende het hele academiejaar loopt – komt voort uit het tekort waarmee de spermabank van Jette kampt. Steeds meer mensen willen er gebruik van maken. Ook vanuit onze buurlanden, waar de wet doorgaans strenger is, komen er mensen naar ons land voor inseminatie met anoniem sperma. De vraag is dus duidelijk groter dan het aanbod. Donorsperma kan een uitkomst bieden voor heteroseksuele koppels die ongewild kinderloos zijn omwille van de slechte kwaliteit van het sperma van de man, maar het kan ook dienen voor lesbische koppels of voor alleenstaande vrouwen die een kind willen. Voordat je recht hebt op zaad van de spermabank word je gescreend. Er bestaan bepaalde beperkingen en in de meeste ziekenhuizen krijgen traditionele koppels – die omwille van medische redenen een beroep willen doen op deze praktijk – voorrang.

 

De donoren moeten gezonde volwassen mannen zijn van maximum vijfenveertig jaar oud. Hun gezondheid wordt grondig getest voor ze in aanmerking komen voor het donorschap. Hun sperma moet van goede kwaliteit zijn en het wordt ingevroren alvorens men overgaat tot bevruchting. De fysieke eisen zijn streng: slechts één op vijf kandidaten wordt uiteindelijk aanvaard. Commercialisering is bij wet verboden, het sperma mag dan ook niet verkocht worden. Per staal krijgt de donor wel vijftig euro als onkostenvergoeding. Doorgaans verwekt hij maximum tien kinderen, al staat dit niet letterlijk in de wet.

 

In het fertiliteitscentrum zorgt men ervoor dat het uiterlijk en de sociale achtergrond van de donor enigszins overeenkomen met die van de sociale vader. Zo voorkomt men bijvoorbeeld dat twee donkerharige ouders een blonde baby krijgen. Wanneer er later bij het kind een erfelijke aandoening wordt vastgesteld – waarvan men op het moment van de inseminatie niet op de hoogte was – wordt de biologische vader ingelicht, dit zonder zijn identiteit prijs te geven.

 

Tot zover de praktische kant van de zaak. Hoe zit het nu met het ethische en psychologische aspect? Is het goed om een kind op te voeden zonder kennis te hebben van zijn of haar vader? Is ouderschap iets biologisch of is het enkel een sociaal gegeven? Is het hebben van kinderen een recht en moet de maatschappij er bijgevolg voor betalen?

 

Anonieme spermadonatie (© Wim Le Page | dwars)

 

Symbolische band

Bio-ethicus Willem Lemmens is als filosoof verbonden aan het Departement Wijsbegeerte van de Universiteit Antwerpen. Naast ethiek doceert hij moderne en hedendaagse filosofie.

 

U zetelt sinds kort in het Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

Willem Lemmens Het is een nationaal comité dat op vraag van de regering en het parlement nadenkt over bio-ethische kwesties. Er zitten geneesheren, ethici, psychologen maar ook juristen in. Zij verlenen adviezen aan het beleid in een open, pluralistische geest. In 2004 is dit ook gebeurd in verband met anonieme eicel- en spermadonatie. Je moet weten dat het comité alle gezindheden en ideologische posities in onze maatschappij vertegenwoordigt. Hierdoor komt men bijna nooit tot een eensluidend besluit, laat staan dat men meteen een voorstel tot wetgeving doet. Meestal blijkt uit de vele dossiers hoe complex sommige problemen zijn. Dit geldt ook voor het advies over anonieme eicel- en spermadonatie.

 

Als het op anonieme spermadonatie aankomt, oogt de Belgische wetgeving in vergelijking met andere Europese landen niet zo streng. De anonimiteit lijkt bij ons nauwelijks ter discussie te staan. Gelijkaardige debatten rond bijvoorbeeld abortus, het homohuwelijk en euthanasie worden hier wel gevoerd.

Lemmens Wel, eigenlijk is er hierover wel discussie, maar niet zozeer in de media. Uit het advies van 2004 blijkt precies dat men ook in België gevoelig is voor problemen die de volstrekte anonimiteit van het donorschap kan stellen. Er is sprake van drie posities: sommige leden zijn voor het behoud van de anonimiteit, anderen bepleiten de opheffing ervan vanuit de overweging dat het recht van het kind op kennis van zijn afstamming moet doorwegen. Ten slotte is er een derde groep die pleit voor een tweesporenbeleid waar niet noodzakelijk de rechten van het kind doorwegen. In dit laatste geval moeten de donor en de toekomstige ouder(s) op voorhand beslissen of er met een anoniem donorschap zal worden gewerkt, of niet. De redenen om één van die drie standpunten in te nemen zijn uiteenlopend. Er spelen ideologische, religieuze en morele principes en overtuigingen mee, maar ook belangen van de betrokken partijen bij spermadonorschap.

 

U bent tot nu toe vooral bezig geweest met klinische ethiek en bijvoorbeeld met het verschil tussen curatieve geneeskunde (geneeskunde in de traditionele zin, met de bedoeling ziektes te genezen, nvdr) en de zogenaamde wensgeneeskunde. Is een onvervulde kinderwens een ziekte?

Lemmens Daar bestaat discussie over. Ik verbaas mij er in elk geval over dat sommige ethici dit als een ernstige '‘aandoening' bestempelen die het individuele welzijn fundamenteel ondermijnt. Een onvervulde kinderwens is iets dat zeker heel diep snijdt. Voor wie er mee geconfronteerd wordt, is het een tragische ervaring, iets waar je je niet zomaar bij neerlegt. De aanvaarding ervan is moeilijk. Vaak vormt dit een soort rouwproces, wat héél begrijpelijk is. Maar, het is geen ziekte!

 

Hebben die mensen dan geen recht op een kind?

Lemmens Zoiets een recht noemen, vind ik wat vreemd. Het is zeker geen absoluut recht. Volgens mij kun je alleen een absoluut recht hebben op iets wat onontbeerlijk is om fysisch te overleven of op wat je nodig hebt om je als mens volwaardig te ontplooien. Dergelijke rechten zijn afdwingbaar, die kun je verdelen en er regels voor ontwerpen. Geldt dat echter ook voor de procreatie op zich? Er zijn toch veel mensen die zonder kinderen een boeiend en vervuld leven hebben. Nu hoor je al iemand opwerpen: ‘maar als voor mijn of onze levensontplooiing een kind hebben onontbeerlijk is?' Er zijn echter veel verlangens die ‘onontbeerlijk' lijken vanuit subjectief oogpunt. Daarom moet de bevrediging van die verlangens nog niet als een recht gelden, een recht waarvoor door de maatschappij koste wat het kost alle middelen moeten worden ingezet. Zeker, de reproductieve geneeskunde biedt mogelijkheden in welbepaalde situaties voor specifieke vragen en wensen van koppels of individuen. Dat is een goede zaak. Maar er ontstaat een nieuw veld van rechten en plichten. De samenleving moet hier regulerend optreden, in het belang van alle partijen. Ook wanneer er bijvoorbeeld een beroep wordt gedaan op spermadonatie.

 

We hebben het nu over de rechten van de ouders, maar hoe zit het met de rechten van het kind? Denkt u dat het belangrijk is voor een kind om zijn biologische ouder te kennen?

Lemmens Dat is volgens mij zeker belangrijk. Ook buiten de sfeer van de spermadonatie is dat een gegeven dat door de algemene ervaring bevestigd wordt. Kinderen met een onbekende ouder stellen zich hoe dan ook allerlei vragen die zeker niet louter sentimenteel van aard zijn. Hoe stond mijn vader of moeder tegenover mij of tegenover mijn komst? Wat maakte dat onze wegen zich scheidden? Wie was mijn vader eigenlijk, hoe zag mijn moeder eruit? In het geval van anoniem spermadonorschap zal elk kind zich moeten verzoenen met een idee die toch wel heel speciaal is. Iemand, een eeuwig onbekende ‘x' is mijn biologische vader, iemand die ooit sperma afstond vanuit een welbepaald motief. Uit altruïsme? Voor de ‘fun'? Voor een zekere som geld? Door de anonimiteit van het spermadonorschap lijkt het voor het kind zinloos die vragen te stellen, zelfs een beetje absurd. Hier in België en in sommige andere landen laat de wet de opheffing van de anonimiteit immers niet toe. Gewoonlijk bestaat er in het fertiliteitcentrum dat bemiddelt bij spermadonatie wel een medisch dossier, maar op de arts rust er sowieso een plicht van geheimhouding.

 

De anonimiteit van de donor wordt door de wet gegarandeerd. Uit uw betoog maak ik desalniettemin op dat die praktijk op gespannen voet staat met de wens van veel '‘donorkinderen' om hun vader te leren kennen.

Lemmens Dat klopt. Kun je verwachten dat de moeder of ouders van deze kinderen nooit, een leven lang, hun zoon of dochter inlichten? Het lijkt me in elk geval een zware opgave. Die interesse in de afkomst is geen toeval: men is altijd het kind van een genetische moeder en vader. Men ‘deelt' iets met twee mensen wat zeer nauw verbonden is met de eigen identiteit: een lichaam, karakter, ‘uitzicht'. Door die band word je opgenomen in een lange keten van mensen. Die keten is enerzijds louter biologisch, anderzijds overstijgt ze dit biologische. Bloedverwantschap is een symbolische band die in alle culturen een diepe betekenis verkrijgt. Denk maar aan de Griekse tragedies, waar de genetische band een soort teken is van je lotsbestemming. Het is een teken van wie je als mens ten diepste bent. Ik denk dus dat het heel normaal is dat iedereen, uit welke gezinsvorm hij of zij ook voortkomt, geïnteresseerd is in die bloedband.

 

Door de spermadonor anoniem te houden wordt er volgens u te weinig rekening gehouden met die symbolische band, met het relationele. Toch zijn er kinderen die verwekt zijn via een anonieme donor en die zich goed voelen in hun situatie.

Lemmens Ik twijfel er geen moment aan dat er 'donorkinderen' zijn die zich heel goed voelen. Ik neem dan ook aan dat koppels of individuen die voor een anonieme spermadonor kiezen, dat heel goed overwogen hebben. Maar tussen het ‘zich goed voelen' van die kinderen en problemen die met de eigen identiteit en groei naar volwassenheid te maken hebben, ligt een groot verschil. Er is trouwens ook geen onderzoek gedaan naar gevolgen van anoniem spermadonorschap op lange termijn. Ik weet ook wel dat dat nog niet mogelijk is aangezien die techniek vrij nieuw is. Het benieuwt mij echt waar we binnen een aantal generaties zullen staan. Hoe zullen we dan terugkijken op de ‘eerste' vormen van volstrekt nieuwe manieren van menselijke reproductie? Zullen de kaders die verwijzen naar de bloedband – familie-behoren, vader- of moeder-zijn, maar ook broer of zus, neef of nicht, enzovoort – in de toekomst helemaal arbitrair geworden zijn, zullen ze gewoon bestaan naast andere kaders? Of zal het eerder traditionele gezin nog steeds het referentiepunt zijn?

 

Volgens voorstanders van het behoud van de anonimiteit, primeert het sociale ouderschap op de biologische afkomst en is het vooral belangrijk dat een kind een goede opvoeding geniet. Het sociale ouderschap zou veel belangrijker zijn dan het biologische.

Lemmens Het is zeker zo dat een goede opvoeding in principe door 'anderen' kan gegeven worden dan door je biologische ouders. Je bent geen goede vader omdat je toevallig een nacht hebt doorgebracht met de moeder van je kinderen – dit geldt trouwens ook omgekeerd voor de moeder. Meer zelfs: ben je als fysische vader zo onontbeerlijk opdat jouw kinderen gelukkig zouden opgroeien? Het tegendeel lijkt vaak maar al te waar. Bovendien hebben veel alleenstaande moeders parels van kinderen opgevoed, ook lang voor er spermabanken bestonden. Wie kan dat nu betwisten! Toch betekent dit niet dat de bloedband als symbolische band niet belangrijk zou zijn. Het is uiteindelijk naar die ‘natuurlijke' band dat de figuren van ‘vader' en ‘moeder', ‘kind', maar ook ‘zus' en ‘broer', enzovoort, terugverwijzen. Juist omdat die betekenissen zo universeel zijn en diep verankerd zitten in onze psyche, hebben ze een zodanige betekenis. Ook bij de reproductieve geneeskunde of, bijvoorbeeld, bij adoptie. Je kunt deze praktijken zelfs niet begrijpen buiten de diepe interesse van mensen in deze sociale patronen en rollen. Sociaal ouderschap is met andere woorden zelf een symbolisering van iets universeel biologisch.

 

Je kan dus niet beweren dat bij spermadonatie enkel het 'sociale ouderschap' telt?

Lemmens Wie dat beweert, ziet volgens mij iets over het hoofd dat juist bij spermadonatie heel belangrijk lijkt. Als het biologische werkelijk geen belang zou hebben, waarom wil de moeder – al dan niet alleenstaand – dan dat hààr eicel geïnsemineerd worden met zaad van een donor? Het moet hààr kind zijn, zij moet het dragen. Zelfs als men met een draagmoeder werkt, lijkt die biologische band via de eicel met de moeder of via de zaadcel met de vader oh zo belangrijk. Dat verwondert me eigenlijk helemaal niet. Ook hier laten mannen en vrouwen (hoe ze ook samenleven of tegenover hun ‘sociale' kinderen staan) zich leiden door de ‘mysterieuze' betekenis van de bloedband. Ze laten zich leiden door de symbolische orde die ons allen draagt en onze identiteit mee vorm geeft.

 

Wat vindt u van het argument dat er een tekort aan sperma zal ontstaan wanneer de anonimiteit wordt afgeschaft?

Lemmens Ik vind dit geen valabel argument. Dit leidt tot de instrumentalisering van de hele reproductieve geneeskunde. Wiens belang wordt hier gediend? Waarom zou de zo onbeperkt mogelijke beschikbaarheid van donorzaad absoluut voorrang moeten hebben in de ethische afwegingen op dit vlak? Ik denk juist dat de opheffing van de anonimiteit het ethische gehalte van spermadonorschap, en het beroep daarop, érg zal verhogen. Ten eerste zal men er met meer bezonnenheid aan participeren. Dit geldt zowel voor de donoren als voor de wensouder(s). Ten tweede garandeert men op die manier het recht van het kind op kennis van zijn biologische afkomst en ten derde respecteert men zo de aansluiting met de oorspronkelijke biologische structuur waarop het symbolisch vader- en moederschap is gestoeld. Ik denk dat de aansluiting bij deze symbolische orde erg belangrijk is, ook vanuit maatschappelijk oogpunt: het blijft de beste garantie (maar niet de enige!) om gelukkige en zelfstandige kinderen op te voeden.

 

Sperman leest dwars (© Wim Le Page | dwars)Loyaliteit

Psychologe en contextueel opgeleide psychotherapeute Mies De Cock is thuis in de theorie van de Hongaars-Amerikaanse psychiater Ivan Boszormenyi-Nagy (klinkt als ‘'notch', nvdr.)

 

In de jaren zeventig introduceerde Nagy de term 'loyaliteit' als hij het had over de relatie tussen ouders en kinderen, wat wordt hier precies mee bedoeld?

Mies De Cock De biologische band tussen ouders en kinderen is, volgens Nagy, een existentiële band die onverbrekelijk is. Dat is geen norm of gebod maar een feit. Loyaliteit bestaat doordat het kind leven van de ouders krijgt, er ontstaat als het ware een onomkeerbare band van wederzijdse rechten en plichten, van verdiensten en schulden. Het gaat niet om een gevoel maar om een zijnsgegeven. De band kan dan ook niet doorbroken, maar wel ontkend worden. Je kind wordt nooit je ex-kind.

 

Ouders en kinderen staan als het ware in de schuld bij elkaar net omwille van het feit dat ze ouders en kinderen zijn?

De Cock In zekere zin wel ja, de band tussen ouders en kind is weliswaar asymmetrisch. Een kind is in eerste instantie gerechtigd meer te ontvangen dan te geven. De ouder draagt verantwoordelijkheid ten opzichte van het kind dat hij of zij op de wereld heeft gezet.

 

Je bent als kind loyaal aan je ouders omdat je leven gekregen hebt, maar als je biologische ouders niet overeenkomen met je sociale ouders, hoe zit het dan met die band?

De Cock Wel, je hebt eigenlijk twee soorten van loyaliteit. De eerste is de existentiële vorm. Die ontstaat op basis van de biologische relatie tussen ouder en kind. Het kind is loyaal aan zijn biologische ouder omdat het leven gekregen heeft en de ouder is om diezelfde reden verantwoordelijk voor het kind. Louter omdat het bestaat heeft het kind recht op liefde, zorg en opvoeding. De tweede vorm van loyaliteit vloeit daar normaal gezien uit voort. Door zorg en inspanning, door goed ouderschap, verdient de ouder nog meer loyaliteit van het kind. Bij de existentiële loyaliteit voegt zich de verworven loyaliteit. Als het kind door anderen dan door de biologische ouders wordt opgevoed, ontstaat er dus een splitsing. De existentiële loyaliteit van het kind ligt bij de mensen wiens genen het draagt. De mensen die dagelijks zorg en liefde in het kind investeren, bouwen verworven loyaliteit op.

 

Een kind dat opgevoed wordt door anderen dan zijn biologische ouders zit dus sowieso met een probleem?

De Cock Het hoeft niet altijd een probleem te zijn. Wel zit je altijd met een extra belasting die problemen kàn opleveren. Niet alleen wordt zo'n kind geconfronteerd met het feit dat zijn biologische ouder niet instaat voor de zorg en verantwoordelijkheid die met het ouderschap gepaard gaan, het kind wordt ook ontzegd naar zijn existentiële loyaliteit te kunnen handelen. Er is dus dat feit, die onomkeerbare band, maar tegelijkertijd kunnen de rechten en plichten die eruit voortvloeien niet geuit worden. Van adoptie is al langer geweten dat dit niet vanzelfsprekend is en dat het vaak goed is dat een kind, in volle identiteitsontwikkeling, op zoek kan gaan naar de eigen biologische oorsprong. In elk geval is het belangrijk dat een adoptiekind de ruimte krijgt om uiting te geven aan zijn existentiële loyaliteit. Dit kan bijvoorbeeld door interesse te tonen voor de cultuur van het land van herkomst.

 

In het kader van anonieme spermadonatie: wat kan er gedaan worden om mogelijke problemen te voorkomen?

De Cock Hoe dan ook is er een band tussen de donor en het kind, of je dat nu wil of niet. Door de anonimiteit wordt dat ontkend en ik denk niet dat dit gezond is. Indien er een mogelijkheid zou bestaan de donor te kennen, kan een kind antwoorden vinden op vragen zoals: ‘Wat was de donors motivatie om zijn sperma af te staan?' ‘Heb ik erfelijke kenmerken van mijn vader?' enz... Door het op zoek gaan naar antwoorden, kan het kind vormgeven aan zijn existentiële loyaliteit.

 

Er bestaat dus een existentiële band tussen de donor en het kind. Wil dat dan zeggen dat de donor ook verantwoordelijkheden heeft?

De Cock Anonieme spermadonoren hebben wellicht de bedoeling kinderloze koppels te helpen. Er zijn echter meer belanghebbenden in deze situatie. Je kan niet zomaar meewerken aan het op de wereld zetten van een kind, zonder hierbij de consequenties voor dit kind in overweging te nemen.

 

Voorrang van het sociale ouderschap

Jurgen Slembrouck is de morele consulent van de UA. Hij doet socio-cultureel werk in het kader van de levensbeschouwelijke opdracht. Net zoals het pastorale team organiseert hij lezingen, filmcycli en debatten. Verder doet hij morele begeleiding en organiseert hij allerhande plechtigheden, gaande van relatievieringen tot een burgerlijke uitvaart.

Jurgen Slembrouck Mijn ambitie is mensen uit te nodigen om het vrije denken te omarmen en dus te stimuleren om autonoom te denken. Ik vertolk hier dan ook mijn standpunten en niet die van de vrijzinnige gemeenschap. Wij denken zelf en formuleren dus ook verschillende antwoorden op ethische vragen.

 

In het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind (artikel zeven, nvdr.) staat dat kinderen het recht hebben hun ouders te kennen.

Slembrouck De vraag is natuurlijk wat je onder de term 'ouders' verstaat. Is een ouder per definitie een biologische ouder of is het degene die de educatieve rol op zich neemt? Ik ben van mening dat het psycho-sociale in een kind-ouderrelatie veel fundamenteler is dan de biologische oorsprong. Mij lijkt het belangrijk dat een kind veel liefde en warmte krijgt en gestimuleerd wordt zichzelf te ontwikkelen.

 

Opvoeding primeert volgens u dus op genetische afkomst. Toch voelen veel donorkinderen de noodzaak hun vader te kennen.

Slembrouck Je zou kunnen zeggen dat de nadruk op het biologische aspect van het ouderschap een romantisch idee is. In de achttiende eeuw dacht men dat alles wat met de natuur te maken had in wezen goed was en dat door opvoeding of cultuur mensen eigenlijk slechter werden. Misschien heeft de sterke behoefte om de biologische ouders te kennen vandaag ook te maken met het feit dat we in een samenleving leven die gedomineerd wordt door de consumptiecultuur. Veel van de dingen die ons omringen zijn daardoor veranderlijk. Modes wisselen voortdurend. Je hebt in onze cultuur weinig houvast. Mensen gaan dan ook op zoek naar het standvastige, naar het onveranderlijke, naar iets dat blijft. De genetische oorsprong is zoiets. Je genetische blauwdruk lijkt een keurmerk te zijn voor persoonlijke authenticiteit.

 

Is het niet belangrijk voor iemands identiteit om zijn of haar biologische vader te kennen?

Slembrouck Ik vraag me toch af wat je over jezelf te weten zou kunnen komen als je die man wel zou kennen. In welke mate ben je het product van je biologische oorsprong? Het is onmogelijk volledig te achterhalen waar je eigenschappen vandaan komen. Er zijn zoveel factoren die meespelen in persoonlijkheidsvorming. Men verwacht vaak de vinger te kunnen leggen op de eigen identiteit door de ontmoeting met de biologische ouder. Dat lijkt me toch wat bedrieglijk. Iedereen is een mengvorm. Probeer maar eens te achterhalen wat er precies van de omgeving komt en wat genetisch is. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat een ontmoeting geen soelaas zou kunnen bieden op emotioneel vlak. Het kan toelaten een bladzijde om te slaan, maar het kan ook de doos van Pandora openen natuurlijk...

 

Denkt u dat het goed is dat ouders hun kinderen soms niet inlichten over het feit dat ze met het sperma van een donor verwekt zijn?

Slembrouck Het geheim houden is niet gemakkelijk maar ook niet onmogelijk. Overigens, de meerderheid van de heteroseksuele ouders die een kind hebben dat verwekt is door donorzaad, kiest voor geheimhouding. De gedachte daarbij is dat wat niet weet, niet deert. De vrees bestaat dat wanneer het kind wordt ingelicht, de sociaal-opvoedkundige vader als minderwaardig zou worden beschouwd. Natuurlijk is geheimhouding in bepaalde gevallen onmogelijk, denk bijvoorbeeld maar aan lesbische ouders. Maar mij lijkt het wel gezond om eerlijk te zijn over de oorsprong van het kind. In dat geval is het trouwens belangrijk dat het kind zo vroeg mogelijk op de hoogte wordt gebracht. Als je er op latere leeftijd achter komt, leidt dit makkelijker tot een identiteitscrisis dan wanneer je het altijd al geweten hebt.

 

Opgroeien met een donor als biologische vader

De anonieme spermadonors (© Wim Le Page | dwars)

Nathalie is studente aan de UA. Meer dan twintig jaar geleden werd haar moeders eicel bevrucht met anoniem sperma aangezien het zaad van haar (sociale) vader van slechte kwaliteit was.

 

Nathalie Ik ben de oudste van drie, mijn zus is ook een donorkind (van een andere donor, nvdr.) en mijn broer is op natuurlijke wijze verwekt. Bij hem kan je dus van een toevalstreffer spreken. We zijn alledrie totaal verschillend. We hebben wel bruin haar en bruine ogen – ze zorgden er in het ziekenhuis voor dat het uiterlijk van de donor overeenkomt met dat van de onvruchtbare vader – maar verder hebben we weinig dingen gemeen. Vijfentwintig jaar geleden kwamen enkel mannen met een universitair diploma in aanmerking voor spermadonatie. Mijn ouders hebben daarentegen nooit gestudeerd. Ik zei op een dag dan ook nietsvermoedend tegen mijn moeder dat het toch vreemd was dat mijn zus en ik zo'n boekenwurmen waren terwijl mijn broer school en studeren haatte. Daarop kreeg ik tot mijn grote verbazing te horen dat hier wel degelijk een verklaring voor bestond. Mijn broer leek heel erg op zijn vader en ik waarschijnlijk ook op de mijne. Alleen ging het niet om dezelfde man.

 

Wanneer ben je erachter gekomen dat je niet met het sperma van je moeders man verwekt bent?

Nathalie Ik was achttien toen ik dus per ongeluk achter de waarheid kwam en dat was een enorme klap. Je leest wel eens over dergelijke verhalen in een of ander tijdschrift maar als je het niet zelf hebt meegemaakt kan je je onmogelijk voorstellen hoe zoiets voelt. Van het ene ogenblik op het andere ben je je identiteit kwijt. Dit klinkt radicaal maar in werkelijkheid is het dat ook.

 

Je hebt pas laat ontdekt dat je een donorkind bent. Ben je boos op je ouders omdat ze je niet eerder ingelicht hebben?

Nathalie Mijn moeder heeft gezwegen om goed te doen. Ik weet dat ze zich nu enorm schuldig voelt en dat ze spijt heeft van het feit dat ze anoniem sperma gebruikt heeft om zwanger te worden. Ze was zich toen van geen kwaad bewust. Neen, ik ben vooral kwaad op de donor en op de artsen die zich met dergelijke praktijken bezighouden. Mijn moeder is natuurlijk ook schuldig maar in mijn ogen heeft ze dat ruimschoots terugbetaald met alles wat ze mij gegeven heeft. Zij heeft me nooit het gevoel gegeven me aan mijn lot over te laten. Dit gevoel heb ik wel bij de artsen en de donor. Donoren kregen indertijd vijftienduizend Belgische frank per donatie. De gedachte dat geld een rol heeft gespeeld bij mijn verwekking, maakt me verschrikkelijk kwaad. (op dit moment wordt er enkel een onkostenvergoeding voorzien, nvdr.). Hoe kon men zo lichtzinnig omspringen met zoiets essentieels als leven geven en er gewoon een leuke bijverdienste van maken? Die gedachte vind je trouwens ook vandaag nog terug op de site van de VUB waar men letterlijk schrijft “en de onkostenvergoeding is ook handig meegenomen”. Studenten verdienen wat bij en vinden dat prima maar staan er niet bij stil dat hun “heldendaad” een kind een toch wel zeer belangrijk recht ontneemt, namelijk het kennen van zijn afkomst.

 

Heb je je bij de feiten neergelegd of ben je op zoek gegaan naar je biologische vader?

Nathalie Ik wou absoluut achterhalen wie de man is die voor de helft mijn genen heeft bepaald. Ik heb dan ook contact opgenomen met de afdeling van de KUL waar ik verwekt ben. Ik ben vriendelijk ontvangen en kon op consultatie bij een psycholoog, maar veel wijzer werd ik daar niet van. Integendeel, ik kreeg er te horen dat ik nooit zou weten wie mijn vader was. Het enige wat die psycholoog deed, was mij proberen te sussen. Ik heb voorgesteld een brief te schrijven aan mijn vader die zij dan zouden overhandigen zodat de anonimiteit gerespecteerd werd maar dit werd geweigerd. Als argument kreeg ik te horen dat er een contract was getekend en dat ik me daaraan moest houden. Dat mijn naam nergens op dat contract te lezen is, bleek slechts een detail. Er werd mij gevraagd de rechten van de donor te respecteren maar over de rechten van het donorkind had blijkbaar nog niemand gehoord.

 

Als de wetgeving het zou toelaten, zou je die man willen ontmoeten. Wat hoop je te ontdekken?

Nathalie Het is nooit mijn bedoeling geweest een vader te vinden. Dat zou nogal onrealistisch zijn. Maar ik vind het niet onredelijk te willen weten waar ik vandaan kom, wat mijn achtergrond is, of ik lijk op familieleden langs vaders kant. Momenteel voelt mijn verleden aan als een onvolledige puzzel en dat is heel frustrerend. Een ontmoeting met mijn vader zou die puzzel vervolledigen. Dat zou het voor mij makkelijker maken om mijn leven verder te zetten. Het zou een manier zijn om een erg belastend hoofdstuk in mijn leven af te sluiten en verder te gaan.

 

Heel veel mensen hebben tegenwoordig met onvruchtbaarheid te kampen. Voor hen is spermadonatie soms een goede oplossing.

Nathalie Natuurlijk is het erg dat sommige mensen ongewild onvruchtbaar zijn en ik heb ook niks tegen spermadonatie op zich. Het is die anonimiteit waar ik me tegen verzet. Dat er minder donoren zullen zijn als die anonimiteit wordt opgeheven is jammer, maar liever minder donoren dan de kans op ongelukkige kinderen. Hoe meer ongelukkige ouderparen gelukkig gemaakt worden, hoe beter. Maar nooit ten koste van het geluk van het kind. Waarom zou het geluk van mijn ouders trouwens meer waard zijn dan het mijne? Tegelijkertijd moeten donoren zich bewuster worden van waar ze mee bezig zijn. Velen voelen zich een held omdat ze een ongelukkig koppel hebben geholpen maar beseffen zij wel dat het hun eigen kind is dat voor hun heldhaftigheid mag opdraaien? Vandaag hebben donoren enkel rechten en geen verantwoordelijkheden. Dit moet veranderen.

 

Niet alle donorkinderen voelen de behoefte om op zoek te gaan naar hun genetische oorsprong.

Nathalie Natuurlijk niet, maar degenen die dat wel willen – en dat is volgens mij de overgrote meerderheid – staan gewoon met hun rug tegen de muur! Als er één kind is dat zich hierdoor ongelukkig voelt, is dat al reden genoeg om de zaak aan te kaarten. Elk ongelukkig donorkind is er één teveel.

 

 

Ondanks de media-aandacht heeft de 'Sperman-actie' van de VUB haar oorspronkelijk doel (namelijk het overhalen van studenten en medewerkers om spermadonor te worden) wat gemist. Tot nu toe hebben zich ongeveer zeventig mannen aangemeld waarvan de helft effectief is overgegaan tot donorschap.

 

Met medewerking van Kirsten Cornelissen.



19/02/2006
🖋: 

Onlangs stelde de minister zijn nieuwe ontwerpnota betreffende de financiering van het hoger onderwijs voor. Als er geld te verdelen valt, kan je best je oren openhouden. Zeker nu blijkt dat onze universiteit wel eens aan één van de kortere eindes zou kunnen trekken in het nieuwe systeem. Tijd voor een gesprek met Bart Heijnen, een man die volledig thuis is in de wereld van centjes en procentjes.

Bart Heijnen Ik ben hoogleraar aan de faculteit TEW maar mijn les- en onderzoeksopdracht is sterk gereduceerd omdat ik me nu voornamelijk bezig houdt met de bedrijfsvoering van de universiteit. Als voorzitter van het college van beheer beslis ik mee over zaken zoals infrastructuur – mijn hoofdbevoegdheid –, personeel, ICT en financiën.

 

En wij maar denken dat de rector de echte baas was...

Heijnen Net omwille van de complexiteit van het academische gebeuren ligt het allemaal wel wat moeilijker. Aan iedere universiteit met enige omvang is er een meer academisch getinte en een meer bedrijfsgetinte leiding te vinden. De verkozen rector heeft natuurlijk wel het laatste woord. Hij is dus eigenlijk de echte baas, maar van alleenheerschappij is natuurlijk geen sprake, aangezien alles met veel overleg gebeurt. Ik houd me dus ook sterk bezig met de voorstellen voor de nieuwe financiering.

 

Als algemeen beheerder kan u ons dus moeiteloos de kleine lettertjes in de nieuwe financieringsnota verduidelijken?

Heijnen Minister Vandenbroucke heeft een beleidsnota opgesteld waarin hij voorstelt de financiering van het hoger onderwijs grondig te veranderen. Dit als voorbereiding op een decreet. Van wezenlijk belang voor de universiteit is echter het rekenblad dat hij samen met de nota heeft verspreid. Daarin staan een aantal parameters vervat die zullen fungeren als basis waarop de toelage van de universiteit wordt berekend. Er is een vast gedeelte, de sokkel, waarmee de vaste kosten voor onderwijs en onderzoek gedekt worden. Daarnaast is er nog een variabel gedeelte waar twee dingen in het oog springen. Van belang is het aantal aanwezige studenten maar daarnaast is er ook nog de meting van het verrichte onderzoek. Een dergelijke meting wordt gebaseerd op het aantal doctoraten, het aantal publicaties/citaties en het aantal masterdiploma's in de associatie.

 

Dat klinkt allemaal nog tamelijk fair. Vanwaar de ophef?

Heijnen Net door de gekozen waarde voor bepaalde parameters gaat onze universiteit moeten inleveren op financieel gebied. Bovendien is er veel discussie over de meting van de studentenaantallen: input of outputmeting? Vandenbroucke kiest er, in navolging van zijn voorgangster, ook voor om alle twee cycli-opleidingen te academiseren, om hogescholen te stimuleren ook aan wetenschappelijk onderzoek te doen. In essentie is dat geen slecht idee, want bekwame mensen zijn altijd welkom, maar het is vooral frustrerend te zien dat er geen extra middelen voor de universiteit tegenover staan, hoewel de universiteit wel, vanuit haar decretale onderzoeksopdracht, geacht wordt dit proces te sturen. Als het decreet er in deze vorm komt kan het een waar bloedbad aanrichten in het onderwijslandschap.

 

Met onze universiteit als een van de voornaamste slachtoffers?

Heijnen Naast onze universiteit zullen ook de Universiteit Hasselt en vooral de VUB moeten inleveren. Met een studentenaantal van een paar honderd is de KUB sowieso reeds ten dode opgeschreven. Een kleine helft van de hogescholen zou ook moeten inboeten. Ik wil wel benadrukken dat wij ons maximaal gaan verzetten tegen de manier waarop de parameters nu gehanteerd worden. Het blijkt immers dat, mits een herinterpretatie van de parameters en een hogere sokkel, wij eigenlijk niets zouden moeten inleveren. Een dergelijk verzet is noodzakelijk, want reken maar even mee uit: tegenover elk miljoen euro dat we inleveren staan er twintig personeelsleden. Schrappen in ons personeelsbestand komt niemand ten goede. Hier en daar valt er misschien nog een enkele inefficiëntie weg te werken maar men zal moeten aanvaarden dat waar geschrapt wordt, de dienstverlening trager zal verlopen.

 

Wat uiteindelijk ten koste van onderwijs en onderzoek zal gaan?

Heijnen Uiteraard. Een dergelijk mechanisme zal ontaarden in het Mattheus-effect waarbij de sterkeren alleen maar sterker worden terwijl de zwakkeren (of desgewenst: trageren) langzaam de rol zullen moeten lossen...

 

Vrij vertaald: de KUL wint, onze universiteit verliest.

Heijnen Dat is inderdaad het gevaar. We zullen ons voornamelijk moeten concentreren op een groei voor onderwijs en onderzoek om nog in leven te blijven. Dankzij het groeipotentieel in de regio Antwerpen zit een dergelijk opmars er zeker nog in. Ik moet wel zeggen dat er in Leuven hoegenaamd geen sprake is van enige vorm van triomfantelijkheden over de nota. Zij zouden kunnen leven met een aantal voorstellen die wij nu op tafel geworpen hebben. Zo is er de “delta-benadering”, waarbij vertrokken wordt van een systeem dat iedereen zijn toelage behoudt in de huidige vorm en dat er extra middelen vrijkomen (of worden ingeleverd) naarmate er meer (of minder) prestaties geleverd worden op het gebied van onderwijs en onderzoek. Dergelijke voorstellen illustreren het feit dat er wel degelijk gepraat wordt tussen de universiteiten en de overheid. Het is niet dat wij ons met hangende pootjes naar de slachtbank laten leiden.

 

De universiteit schiet er als geheel misschien niet al te veel bij in, maar Vandenbroucke impliceert toch dat er een aantal richtingen geslachtofferd zullen worden.

Heijnen Vandenbroucke noemt het "rationalisering van het opleidingsaanbod". Ik denk echter wel dat hier voornamelijk de hogescholen in het vizier genomen worden. Je kunt altijd proberen door samenwerking een meerwaarde te creëren maar ik zie aan onze universiteit geen richting waar daar een dringende noodzaak aan zou zijn. Universiteiten die weinig of geen masters kunnen aanbieden gaan het denk ik wel moeilijk krijgen als een decreet op basis van de nota gerealiseerd wordt. Een masteropleiding telt immers zwaar mee als parameter in het onderzoeksluik en is bovendien de toegangspoort tot het doctoraat.

 

Onze universiteit zou toch baat kunnen hebben bij meer samenwerking met hogescholen?

Heijnen Als de beloofde middelen voor verdere academisering echt vrijkomen, dan gaan we nog heel wat mooie dingen met hen kunnen doen. We gaan zo nog een aantal capabele onderzoekers bijwinnen. Prima, dat komt iedereen dus ten goede, maar globaal genomen is er gewoon veel te weinig geld om alle hogeschoolopleidingen van twee cycli aan een universitaire standaard te laten voldoen. Je kan natuurlijk ook beslissen samen met een andere instelling een opleiding aan te bieden, om opleidingen uit te wisselen in een context van "opleidingsfusies" eerder dan van "instellingsfusies". Een belangrijke stimulans voor dergelijke opleidingsfusies zouden infrastructuurbeloningen kunnen zijn.

 

Infrastructuurbeloningen?

Heijnen De overheid kan instellingen stimuleren door te investeren in nieuwe infrastructuur. Een aantrekkelijke, nieuwe, infrastructuur trekt nieuwe studenten aan. Hier mag je de groei van de Plantijn-Hogeschool in kaderen. Sinds zij die campus aan de Meistraat hebben is hun studentenaantal exponentieel toegenomen. Infrastructuur is niet alles, maar ik geloof dat het een belangrijke hefboom is om nieuwe studenten aan te trekken die willen werken met de nieuwste en modernste opleidingstechnieken. Maar het blijft natuurlijk moeilijk om fusies structureel te belonen. Zo klinken er stemmen die stellen dat er bij een fusie van twee opleidingen het toegekende bedrag overheidssteun per student de helft meer moet bedragen. Dan gaat men wel voorbij aan de essentie van rationaliseren: meer doen met dezelfde middelen of evenveel doen met minder middelen.

 

Naast snoeien in de opleidingen lijkt er gesnoeid te worden in de studentenaantallen.

Heijnen Een eventueel effect is een grotere druk voor selectie aan de poort. In een model van outputfinanciering is er het risico dat scholen enkel maar de besten gaan binnenlaten om zo verzekerd te zijn van hun output. Aangezien ons onderwijs sterk gereglementeerd is door decreten en besluiten allerhande verwacht ik wel niet dat het zo'n vaart gaat lopen.

 

Een ander doemscenario is een kwaliteitsverlaging van de opleidingen, aangezien er meer middelen vrijkomen indien je als school meer studenten laat slagen.

Heijnen Elke universiteit is een organisatie van professionals. Wij zitten met een heel pak specialisten in huis waarvan er een aantal wereldautoriteiten zijn op hun vakgebied. Dat zijn dus behoorlijk eigenzinnige mensen met een sterk ego. Een examencomissie is zeker niet van bovenaf te sturen door te stellen dat er meer mensen doorgelaten moeten worden. Een kwaliteitsverdunning op dat gebied gaat er zeker niet vanzelf gebeuren. Aan de Nederlandse universiteiten, waar een dergelijk model van outputfinanciering ook van kracht is, is de afgelopen jaren gebleken dat dit zeker geen issue is. Structureel staat er hier met de accreditatie en de kwaliteitscontrolesystemen natuurlijk ook wel iets tegenover. Mochten er toch ontsporingen zijn dan werkt dit voornamelijk in het nadeel van de universiteit. Als je een imago aangemeten krijgt van kwalitatief zwakkere universiteit dan zit de kans erin dat je minder studenten gaat recruteren.

 

Door het belonen van output lijkt socialist Vandenbroucke toch met een eerder neoliberaal getint systeem op de proppen te komen?

Heijnen Vandenbroucke zal heel boos zijn als u het een neoliberaal systeem noemt.

 

Toch...

Heijnen Ik heb me hier voornamelijk toegespitst op de parameters in het rekenblad maar de nota is natuurlijk heel wat ruimer dan dat. Er lijken ook meer middelen vrij te komen om de integratie van kansarmen en allochtonen in het hoger onderwijs te stimuleren. Je zit hier echt met een slimme minister die een verstandig model in elkaar heeft willen knutselen. Hij stoot echter op allerlei praktische bezwaren in het veld, niet in de laatste plaats opgeworpen door onze universiteit.

 

Waarvan het voortbestaan bedreigd wordt?

Heijnen Wij zullen tot het uiterste gaan om het voortbestaan van onze universiteit te garanderen.



Studeren in Stellenbosch
19/02/2006
🖋: 
Auteur extern
Wim Brits

Als een rasecht marktkramer stalt onze universiteit tal van internationale organisaties uit in mooiklinkende verpakkingen zoals Erasmus, Socrates, USOS. Studeren in het buitenland wordt vandaag meer dan ooit aangemoedigd. Zo'n andere horizont houdt niet alleen een sociale en culturele verrijking in, maar geeft je ook een ruimer inzicht in de verschillende onderwijssystemen. Na een semester aan de Zuid-Afrikaanse universiteit van Stellenbosch doe ik mijn relaas. Het uitgangspunt is een vergelijking tussen de universiteit van Antwerpen en Zuid-Afrika, wat betreft de manier van lesgeven en evalueren van de student.

Al van bij de eerste les in Stellenbosch werd me duidelijk dat het begrip “permanente evaluatie” er veel concreter wordt toegepast dan hier. Essays, presentaties en zelfs schriftelijke testen maken een belangrijk deel uit van het te behalen jaartotaal. In Antwerpen worden zulke opdrachten zelden gequoteerd en dienen ze vaak enkel om de student aan het werk te zetten. Permanente evaluatie bij ons reikt meestal niet verder dan de vage termen "medewerking" en “inbreng” tijdens de lessen. Deze verschillende invulling brengt ook een ander puntensysteem met zich mee. In Zuid-Afrika is het vooral werken geblazen tijdens het jaar. De vele mondelinge en schriftelijke opdrachten zorgen ervoor dat je bij het begin van de blokperiode de leerstof al grotendeels verwerkt hebt. Het examen, dat slechts meetelt voor 25% van de punten, kan dan zelfs een formaliteit genoemd worden. Dankzij dit bescheiden percentage bezwijken minder studenten aan de in Antwerpen zo verlammende examenstress. In Zuid-Afrika hoef je je die laatste maand niet aan je bureau te kluisteren om in aller ijl een brok leerstof te verteren. Integendeel, je kan vooral tijdens het jaar veel punten sprokkelen. Doordat je zo sneller loon naar werken hebt, word je gemakkelijker aangezet om de vakken bij te houden.

 

Een ander opmerkelijk verschil is de lossere omgang met docenten en ook de mogelijkheid om deadlines te verschuiven. Een klassikaal theekransje bij een professor thuis of na de les een biertje drinken met je docent: niemand zal er raar van opkijken. Aanvankelijk voelde ik me door mijn achtergrond wel wat ongemakkelijk bij die verrassend vlotte omgangsvormen. Het versoepelen van de deadline vloeit voort uit een andere kijk op tijd. Bij ons vormt de tijdslimiet een deel van de opdracht, terwijl Afrikanen daar niet zo zwaar aan tillen. Gelukkig maar, want een dagje extra komt altijd van pas om de laatste hand te leggen aan een werk. Opgelet, ik wil geen pleidooi houden voor een nieuwe gedragscode, maar wel opmerken dat er verschillen zijn; hoewel nietig op het eerste gezicht, kunnen ze een heel andere manier van studeren met zich meebrengen.

 

Bij ons vormt de tijdslimiet een deel van de opdracht, terwijl Afrikanen daar niet zo zwaar aan tillen.

 

Wat me ook opviel is de kennisgerichte manier van ondervragen. De slogan op de startpagina van mijn ex-universiteit verraadt veel: “Jouw kennisvennoot, your knowledge partner”. Droge feitenkennis zoals jaartallen, geboorteplaatsen en cijfergegevens moet je allemaal kunnen ophoesten. Hiermee beweer ik geenszins dat het universitair onderwijs in Stellenbosch van een lager niveau is. De klemtonen liggen gewoon anders.

 

Dankzij mijn verre trip heb ik kunnen ervaren dat Antwerpen de wereld niet is, ondanks het fiere gekraai van haar stedelingen. Ik heb ondervonden dat het ook anders kan. Mijn voorkeur gaat uit naar de werkwijze in Zuid-Afrika. Permanente evaluatie heeft duidelijk een hoger rendement. De student verwerkt de stof beter dan bij een zuiver examensysteem. Het resultaat van een éénmalig examen is bovendien afhankelijk van een hele resem factoren en bijgevolg ontzettend relatief. In Stellenbosch heeft de student meer kansen om zich te bewijzen en in dat opzicht is het eindcijfer representatiever dan dat van één enkel proefwerk.

 

 

Tekst voor de Schrijfacademie
Wim Brits



16/02/2006
🖋: 

Ik ben barok, in alle opzichten. Ik heb het lichaam van één van Rubens runder-vrouwen. Met dikke, ronde borsten, die overduidelijk en onomwonden de middelpuntvliedende kracht van onze rondtollende aarde moeten zien te trotseren, en daarbij verlegen hun blozende, roze kopjes naar beneden laten hangen. Mijn bolle, blote billen schitteren in de donkere nacht, met de felheid van de volle maan en duizenden sterren, als het beste clair-obscur plaatje dat een artiest zich zou kunnen wensen, met het clairste licht van mijn blinkende ogen en de obscuurste donkerte van mijn talrijke diepe huidplooien. Ik heb de rondste en zachtste wangen waarvan de ruwste mannenmond nog niet eens durft te dromen en waarop mijn moeder vroeger talrijke kussen heeft gedrukt met zo veel liefde zodat ik nu niet zomaar toelaat de guitigste, of de knapste, of de liefste, of de slimste, of de grootste, of de sterkste, of de eerlijkste enzovoort zijn warme lippen over mijn heuvels te laten glijden, maar alleen hij die alles heeft. Alleen hij die ook barok is.

 

Ik ben barok. Ik heb het temperament van een op hol geslagen zwarte hengst die dagen- en nachtenlang rond galoppeert totdat hij zich schuimbekkend van de vermoeidheid zomaar ergens neerlegt en droomt van de sierlijkste, verrassendste en snelste nachtelijke merries, met de warmste bruine kleur en met de wolligste vacht die het toelaat om er heerlijk je gezicht in te laten verdwalen. Eén van hen wenkt hem en vraagt hem al fluisterend zijn hoofd op haar bolle buik te leggen, waarvan het op- en neergaan hem ras in slaap wiegt als het kleinste kind dat net zijn honger gestild heeft aan de moederborst en dromenland bereikt op het schommelen van haar schoot. Maar zo diep als hij slaapt, zo plots kan hij wakker worden om verder te draven, van oost naar west en helemaal van zuid naar noord; door berg en dal, door water, wind, zee, storm en ijs; springend over diepe kloven waar reeds menig man het leven heeft gelaten en kruipend door de diepste en smalste spelonken zonder ook maar één teken van neerslachtigheid op zijn gespannen gelaat te vertonen.

 

Ik ben barok. Ik heb de dorst van alle sappige en meest frisse groenten en fruit die ik dagelijks verorber samen met de dorst naar gekoeld mineraalwater die mijn bloemigste en geurendste kruiden hebben, daarenboven met de eetlust van alle hongerige – want rijkelijke voeding gewend – dieren tezamen die ik op een week tijd zou kunnen opeten. Ik heb niet alleen een berenhonger, maar ook honger als een paard, als tien varkens, twintig kippen en een haan met rode wijn. Dorst als avocado's, druiven, citrusvruchten, grote rode appels en peren, meloenen en pompoenen, vuurrode paprika's en purperen aubergines, als basilicum, lavendel, citroenkruid, tijm en salie, voor achteraf.

 

Ik ben barok. Mijn stem klinkt als zeventien cimbalen en een gong als ik om hulp roep. Maar als ik stilletjes in een hoekje met een boekje en een koekje zit, maakt ze het zelfde geluid als een zwoele zomeravond die zelfs verlegen zit om een zuchtje verkoelende wind. Als ik zing of neurie vlijt een hemels geluid als van vijf nachtegalen en een koekoek vergezeld door een strijkkwartet en een gouden harp zich op de omringende bloemen, wiens bladeren geroerd worden door de verrukkelijke trillingen en zo zachtjes met hun kopjes gaan meeknikken, waardoor binnen de kortste keren het hele bos lijkt mee te musiceren – fauna én flora – en alzo een heus symfonisch orkest alle aria's van Bach en Händel en ja, waarom ook niet, van Mozart, Strauss en natuurlijk Wagner op de pralerigste wijze uitvoert. De hele atmosfeer verandert in één geroezemoes van allegretto's, allegro's, accellerando's, vicace's, scherzando's, con brio's, crescendo's en ook diminuendo's en al gauw roept elke vezel van me om meer, meer, meer; “piu mosso, piu mosso”! Nog geen seconde durf ik te twijfelen aan een nieuwe sprong in het weldadige bad van de euforische muziek en roep vrolijk uit: “da capo, tutti!”

 

[D.C.]

Barok zijn is lijdend sterven, als Jezus, genageld aan het kruis, met trillende spieren en een borstkas die door een leger Trojanen, Franken, Pruisen en Vikingen platgedrukt lijkt te worden, waardoor elke ademhaling als een zucht van het hellevuur is. Barok zijn is eenzaam sterven met het hele leven en lijden rustend op uw sterke maar doodvermoeide schouders, met alle mogelijke memento mori's zinderend in uw hoofd, dat teneergeslagen hangt en noodgedwongen naar uw eigen tenen kijkt, waarop dikke druppels bloed vallen. Barok zijn is de meest vernederende dood sterven, en al kijkend naar een bloedstalagmiet op uw dikke teen denken: “Eenvoud siert.”



16/02/2006
🖋: 
Auteur

“Schrijf iets origineels, kom niet af met het voorspelbare zon-, zee- en strandverhaal want het komt er niet in.” Met deze wijze raad van onze immer intelligente redactiesecretaris vertrok ik naar het feesteiland Malta.

Met een slordige twee uur vertraging kwam ik in het donkere Malta aan. Nacht als het was, had ik alvast mijn jas dichtgeknoopt, sjaal omgedaan en vechtend met mijn muts kwam ik buiten. Zonder overdrijven kan ik stellen dat ik me nog nooit zo snel mij van overtollige attributen heb ontdaan. Het was, om het zacht uit te drukken, vrij warm buiten, hoewel de taxichauffeur er duidelijk anders over dacht: “Wat een slecht weer, hé meneer, waarom heeft u uw jas niet aan?” Uitleggend dat ik van België kwam en het daar af en toe kan vriezen 's nachts maakte het één en ander duidelijk, hoewel ik de stelligste indruk had dat de brave man nog nooit het genot van blauwe handen en gevoelloze oren had mogen meemaken. Britten kennen dit genoegen echter zonder twijfel wel en dat is niet het enige waar onze geliefde buren ervaring mee hebben.

 

In mijn voorlopige verblijfplaats heb ik het genoegen tussen verschillende nationaliteiten te verblijven: Amerikanen, Italianen, een Brit en een Belg maken van dit appartement een levendige plaats. Vooral de Brit is een speciaal geval; de eerste keer dat ik hem ontmoette was het ongeveer vier uur en had hij er juist zijn traditionele theemoment op zitten. Zelf ook wel een liefhebber van op smaak gebracht verwarmd water keek ik of dit laatste ingrediënt nog aanwezig was in de nog half pruttelende ketel. Er was nog water in de ketel dus zonder verder nadenken draaide ik de knop van het fornuis op zes. Een grote vergissing bleek, zonder iets te zeggen pakte de Brit de ketel van het fornuis en goot het water weg. Het aanwezige gezelschap werd muisstil, iedereen keek iedereen aan. Was dit een staaltje van de gekende Britse humor? Half lachend, half serieus vroeg ik hem waarom hij het water weggoot. “My good friend, you can not use reboiled water”. Ik was verbouwereerd, nog nooit had ik van dit principe gehoord. Zijn verklaring was even briljant als eenvoudig: “Kijk maar hier op mijn pakje thee: use fresh water.”

 

Een dag later zat ik in het gezelschap van een paar Britten en om het ijs te breken dacht ik maar ineens het beste exportproduct van GB ter sprake te brengen: “En wat vinden jullie van Fawlty Towers?” “Say again”, “Fawlty Towers, één van jullie meest humoristische series.” “Sorry, nooit van gehoord.” “The Fast show, Allo, Allo, Mister Bean, Smack the Pony, Blackadder, ...” “Neen, zijn dat Belgische programma's?” Ik had nood aan alcohol, en veel. Dit ging mijn begripsvermogen ver te boven. Die nacht ben ik dankzij dit soort antwoorden licht dronken in bed gekropen en heb ik gezworen dat ik nog liever met een Amerikaans accent spreek dan met de door mij zo geliefde Britse tongval.

 

Maar het gaat nog verder. Mijn Britse appartementgenoot had die nacht in een patriottische bui er niet beter op gevonden om in het midden van ons appartement een levensgrote Britse vlag te hangen. In een internationaal gezelschap je even niet kunnen inhouden en zomaar even het bloed dat op deze vlag hangt vergeten, waarom niet? Niet voor mij dus. Hoewel ik nog een beetje een kater had van de vorige dag kwamen mijn Poolse roots terug boven, nog liever te paard ten strijde trekken tegen de Duitse tanken dan deze wansmaak toe te staan. In geen tijd was de vlag teruggelegd waar ze hoorde: aan de deur van de Brit en zeker niet hangend! Zelfs de om hun vlaglievendheid gekende Amerikanen waren het met mij eens dat je dit eigenlijk niet kunt maken!

 

Terug in de alcohol vliegen was een optie, maar licht dronken elke nacht in bed kruipen niet. Bij wijze van alternatief zocht ik de kolonie Ieren op. Direct voelde ik mij thuis bij hen: constant vlijmscherpe steken geven en zichzelf zonder enige vorm van zelfrespect neerhalen, fantastisch gewoon. “Hebben jullie al van Fawlty Towers gehoord?” “Greattt program, so funny, the same with father Ted, Blackadder, Smack the pony, Allo, Allo, mister Bean.” Geen wonder dat de IRA zijn wapens heeft neergelegd.



Voor u beluisterd
16/02/2006
🖋: 

The Strokes – First Impressions of Earth

Sommige magazines noemen hen wel eens The Fab Five, maar hoewel The Strokes een degelijk potje rock-'n-roll kunnen neerzetten, lijkt deze term zwaar overdreven. Het derde album van dit kwintet opent met de angstaanjagend strakke patser You Only Live Once, waarin de formule van catchy-refreinen-met-dubbele-gitaarlijnen meteen mooi wordt getoond. De ophitsende baslijn in de eerste single Juicebox wordt gesteund door gitaren die allebei bijna de noise-richting uitgaan en in Razorblade is het duidelijk dat de snarentandem van Nick Valensi en Albert Hammond Jr. duidelijk naar At the Drive-In heeft geluisterd. Er vliegen de hele tijd flarden Velvet Underground, Clash en Stooges voorbij en drummer Fabrizio Moretti verdient een standbeeld voor zijn opwaardering van het efficiënte gebruik van de tamboerijn. Of de begeleiding in Ask Me Anything een bas met effect, elektrische cello of mellotron is, is nog steeds niet duidelijk, maar zanger Julian Casablancas moet in elk geval oppassen dat zijn stem niet te vaak monotoon gaat klinken. Vision of Division is zonder meer het sterkste nummer: de rauwe korrelzang die hier wordt gecombineerd met oosters getinte gitaarsolo's en een complexe drumpartij zorgt voor het aloude rock-met-ballen-fenomeen. Op de tonen van Killing Lies kan u zo gaan surfen en voor Evening Sun zou menige punkgroep een arm geven. Toch duurt het album veel te lang (de drie laatste nummers konden perfect geschrapt worden) en zijn de mid-tempo prestaties niets tegenover het punky werk. The Strokes zullen waarschijnlijk nooit echt grootse muzikale potten breken, maar in hun genre zijn ze alvast stukken sterker dan het gros van hun collega's.

 

Zita Swoon – A Band in a Box

Toen Stef Kamil Carlens' groep voor dit exclusieve cameraconcert in zee ging met de drie zangeressen van Radio Candip, had men al kunnen weten dat dit live-album een klankenfestijn zou worden. Opgenomen in een lege Vooruit in Gent, biedt A Band in a Box een schitterend beeld van het gezelschap op een podium. Het briljantste aan Zita Swoon live is dat deze rakkers voor zowat elk nummer een volledig nieuw arrangement uitwerken. Zo vervangt een wah-gitaarlijn de originele blazerssectie in Hot Hotter Hottest, wordt het gospelgehalte van het refrein van Song for a Dead Singer danig opgedreven door de kale pianomelodie en de swingende achtergrondzang, en de slepende erotiek van Remember to Withhold wordt door de combinatie van zware funk en ophitsend slagwerk extra in de verf gezet. Als de groep van leer geeft met een wel zeer exotisch getint My Bond with You and Your Planet: Disco!, blijkt dat dit nummer nooit eerder zoveel kracht had. Het hoogtepunt is het mambo-jasje dat Jintro and the Great Luna aanheeft: het is nauwelijks te geloven dat dit nummer op het originele Moondog Jr.-album een ingetogen pianoblues is. Ook de afgestripte versie van Our Daily Reminders geeft de pure essentie weer en bewijst dat dit nummer staat als een huis. Het unplugged in de hal opgenomen Moving Through Life as Prey heeft een geweldige akoestiek en in de emotionele Bob Dylan-cover You're a Big Girl Now laat Carlens nogmaals zien wat een sterke zanger hij wel is. Door het originele instrumentarium dat gebruikt wordt en de sferische manier waarop het gebeuren werd gefilmd, is dit album een absolute must voor mensen die op zoek zijn naar Belgische topkwaliteit.

 

Arctic Monkeys – Whatever People Say I Am, That's What I'm Not

Toegegeven, niet iedereen slaagt erin om zonder platenlabel volle zalen te trekken met slechts hulp van het internet. Arctic Monkeys deden het wel en kregen zo een trouwe schare fans die zich op topsnelheid uitbreidde. De vraag is: hoe is het mogelijk? Bij het beluisteren van hun debuut (het snelst verkopende Engelse debuut ooit, stel je voor) vraagt een mens zich af of er niet tien keer hetzelfde nummer de revue passeerde. Af en toe zit er zeker een leuk ritme in de nummers, hier en daar zorgt de afwisseling tussen de gitaren van Alex Turner en Jamie Cook voor een sterk effect en de ritmesectie van Andy Nicholson en Matthew Helders speelt krachtig en strak, maar er is werkelijk nergens diepgang in de muziek te bespeuren. Is er eens een leuke melodie, dan wordt ze eindeloos herhaald (getuige hun eerste single I Bet You Look Good on the Dancefloor) en de poging tot opbouwend jammen in Perhaps Vampires is a Bit Strong But... faalt genadeloos. Turners stem verveelt al na vier nummers en de onduidelijke stop in het overigens niet zo slechte The View from the Afternoon is een flater waar de Queens of the Stone Age eens kostelijk mee kunnen lachen. Het enige dat Arctic Monkeys werkelijk goed doen is het gebruik van achtergrondzang, maar jammer genoeg was Franz Ferdinand hen daarmee voor: originaliteitswaarde, daar ga je dan. De enige twee lichtpunten zijn Still Take You Home (Sex Pistols meets Blur) en When the Sun Goes Down, dat zowaar reggae met postpunk combineert. Aanhangers van de groep noemen dit graag indierock, maar roestige britpop lijkt hier qua term te volstaan. Deze trend van het moment is mooi op de hippe kar gesprongen, maar die rijdt wel oor in, oor uit.



Softerotica en vrouwe justitia
15/02/2006
🖋: 
Auteur

Ik sluit de deur en draai me om. Vanuit de glazen tempel zie ik hoe de stad aan mijn voeten ligt. Ze spint krols op deze ijskoude decemberochtend, ze hijgt in mijn oor. Terwijl haar grond nog vastgevroren is, belooft zij al zwoele zomeravonden met tango op de kade. Onder gekleurde lampjes zal ze mij liefhebben, na me eerst bedwelmd te hebben met rode wijn. Omhullen zal ze me met haar nacht van zwart satijn. Boven aan de trappen zie ik hoe ze zich alvast opmaakt.

Ik kijk terug de hal in. De laatste hand wordt gelegd aan deze nieuwe plaats van gerechtigheid. De tapijten liggen opgerold in een hoek en flarden plastic hangen nog aan de trapleuningen. Naakt beton toont zich beschaamd, verlangend naar het zachte strelen van verfborstels. Samen met een groep anderen – een groep tragikomische burgerverhalen – word ik de nog niet officieel ingewijde gangen door geleid. Ik kijk nog een keer naar mijn papieren, oefen mijn zinnen. Als de waarheid het niet haalt, zal ik de retorica wel laten zegevieren.

 

Twee weken daarvoor: ik kom in het holst van de nacht aan bij mijn woonst, waar mij door een nieuw slot duidelijk wordt gemaakt dat mijn huisbaas het recht in eigen handen heeft genomen. Blijkbaar is het een voor hem logische stap na een paar maanden van eindeloos discussiëren over enerzijds het recht op een werkende douche, brandveiligheid, verwarming en waterdichte vensters en anderzijds het in orde brengen van een strategisch misbruikte waarborg.

 

De volgende dag zwerf ik door overheidsinstanties. Laat ik een agent mijn huisbaas dwingen het slot terug te veranderen. Dien ik een klacht in bij het vredegerecht. Huisvredebreuk, inbraak, huisjesmelkerij, verwaarlozing van plichten, intimidatie. Heel de dag trillen mijn handen terwijl ik formulieren invul, situaties uitleg en bij weldoensters die wel een douche hebben mijn vege lijf was. Ik probeer uit te rekenen hoeveel jaar van mijn leven dit mij kost.

 

Na de grote verdwijntruc met het slot is het opvallend stil. 's Morgens word ik niet gewekt door het gekrijs van de deurbel of het geram op mijn slaapkamerdeur – ik doe haar nu wel op slot. Even lijkt het nog niet zo slecht en valt het mee om de vorige maand te vergeten. De verwarming werkt eindelijk en we hebben geen douche maar ach, die vinden we wel. We koken onze laatste avondmalen, draaien nog een keer die bigbandplaat. We testen het gerechtelijk apparaat en het werkt zoals het hoort. Dat is: beter dan verwacht. Cynisch kijkt de magistraat neer op ons dossier, geeft hij onderkoelde raad en probeert hij de plooien glad te strijken. Wij plooien naar zijn wil; jong, nog niet gehard in het leven én best redelijk als we zijn. Ondanks een tegenstribbelende huisbaas loodst de man ons efficiënt naar een aanvaardbare oplossing. Iedereen wint een beetje, of zo lijkt het toch. Ik verlies geen geld en mag meteen weg uit mijn appartement. Hoewel dat mijn opzet was, verlies ik ook. Relatief dakloos zal ik de stad een tijdje verlaten. Ik bind mijn kast op de auto, laad mijn gitaar in, trek de foto's van de muur. Mijn nog maar vier maanden droge verf en mijn eerste poging tot behangen laat ik trots rechtop hangend achter.

 

De stad wil – een tikkeltje onderkoeld – weten waarom ik van haar wegga. Ik stel haar gerust: het moet nu eenmaal zo zijn; natuurlijk heb ik geen ander; voor je het weet ben ik terug.



15/02/2006
🖋: 

De Kerst- en Nieuwjaarsperiode is alweer meer dan een maand achter de rug. Geen mens die zich ondertussen nog kan herinneren wat nu weer zijn of haar goede voornemens waren, dus kon SMS opnieuw putten uit een rijk aanbod aan rare of opzienbarende gebeurtenissen waar geen tekeningetjes bij hoeven gemaakt te worden.

Om nog even in de stemming te blijven; een mysterieuze barmhartige Samaritaan zorgde in Birmingham voor extra kerstsfeer. Een onbekende stopte enveloppen met geld erin achter de ruitenwissers van automobilisten die een parkeerboete hadden gekregen. In de briefomslag zat meestal ook een kerstkaartje met de boodschap: ,,Laat deze boete uw Kerstmis niet vergallen. Hier is dertig pond om de bekeuring te betalen. Prettig kerstfeest''. De onbekende ondertekende zijn kaartjes met de naam ‘kerstman van de bekeuringen'. Prins Laurent heeft zijn koffers al gepakt!

 

Ouders, onthoud dit goed: Barbie is niet de heldin van uw dochters dromen. Onderzoek bij zeven- tot elfjarige kinderen aan de Engelse universiteit van Bath heeft uitgewezen dat die kleine rakkers de pop meer folterden dan wat anders. De pop werd gescalpeerd, onthoofd, verbrand of op temperatuur gebracht in de microgolfoven. Barbie, en alleen Barbie, bleek onvoorstelbaar veel haat en geweld op te wekken. Een verklaring kan zijn dat er te veel Barbietypetjes bestaan. De kinderen praatten nooit over één unieke pop, maar bleken er altijd een doos vol van te hebben waardoor ze probleemloos vernield en weggesmeten konden worden. Volgens de onderzoekers is een Barbie nog het meest geschikt voor vierjarigen. Waar is Veronique De Kock als je haar nodig hebt?

 

Dat men van de as van een overleden geliefde juwelen kan laten maken, was u misschien al bekend. Maar nu is er nog een nieuwigheid ontdekt aan het opsmukfront: biojuwelen! Die worden gemaakt van de beenderen van een levende geliefde die daarvoor dan wel een wijsheidstand en/of een stukje kaakbeen moet afstaan. Vraag ernaar bij uw volgende controle bij de tandarts!

 

Ziggy, een praatgrage papegaai, is de held van de Britse pers geworden. Hij veroorzaakte namelijk de scheiding van zijn baasjes. Ziggy verklapte immers de zorgvuldig geheim gehouden voornaam van de minnaar van zijn bazinnetje.

 

Een 35-jarige Rus, Igor Namyatov, had al sinds de leeftijd van vijftien last van chronische rugpijn. De dokters namen aan dat het om een onschuldige tumor ging. Toen de man onlangs een operatie liet uitvoeren om deze te laten verwijderen, haalden de stomverbaasde dokters een embryo met kleine handen en voeten uit 's mans rug. De programmasamenstellers van VTM vragen zich nu af of ze het nu in '‘Babyboom' of in de ‘'Wellnesskliniek' moeten inlassen.



Kasper; student, drinkebroer, held
07/01/2006
🖋: 
Auteur

“Nee, de soundtrack van 'Reservoir Dogs' omdat ik mijn saaie leven dan even kan ontvluchten en voor mezelf meer word dan ik eigenlijk ben.”

Het meisje lachte haar tanden bloot en gaf hem een vluchtige kus op de wang. Kasper neeg zijn hoofd even en tikte met twee vingers tegen zijn slaap voor hij zich omdraaide, huiswaarts.

“Dankje.” mompelde hij met een glimlach. “Ik was zelf niet op zo'n mooie afsluiter gekomen.”

“Natuurlijk. Als je wat meer naar mij zou luisteren, rund, zou je al een heel stuk verder staan.”

“Ach, laat het hangen, Alf, dit doe je nu elke keer.”

Kasper luisterde al niet meer; hij had op 'play' gedrukt en liet zich in de muziek zinken terwijl zijn voeten hem weg van de universiteit brachten. Hij kon zich niet meer herinneren wanneer ze bij zijn bewustzijn waren ingetrokken, maar aangezien iedereen die erover hoorde het allemaal afdeed als 'imaginaire vriendjes' en ze zelf karig waren met het hoe en waarom, had hij geleerd om hun aanwezigheid gewoon te aanvaarden; zoals lelijke mensen dat doen met hun gezicht en domme met hun intellect. Na verloop van tijd was hij er zelfs achter gekomen dat niet àl hun raad hem in de problemen bracht – niet al hààr raad dan toch – en had hij geleerd wanneer hij best kon luisteren. Nu echter werd de discussie een vaag gezoem dat hij amper hoorde (“Laat de jongen toch wat zelf zijn weg zoeken, hij moet een beetje zelfstandig worden.” “Zelfstandig, ha! Waar zou het rund zonder ons staan?”) en gedachteloos stak hij de straat over met muziek in zijn oren, zijn ogen dicht en zijn gezicht naar de zon gericht. /it's so hard to keep this smile from my face/ Een piepend geluid deed hem verschrikt opkijken, wat hij ook bleef doen terwijl de auto, een donkergroene Porsche 911, slippend vanuit de bocht op hem af kwam. /losing control, yeah, I'm all over the place/ Niet echt op het laatste moment maar daar dichtbij schoot de wagen opzij. Kasper bleef een beetje afwezig kijken hoe de Porsche zich in de zijkant van een geparkeerde auto boorde en hoe een meisje dat net wou oversteken met een klap naar achter werd geworpen. /clowns to the left of me, jokers to the right / here I am, stuck in the middle with you/

“Doe iets!”

Kasper rende naar de auto en zag de chauffeur een beetje versuft naar zijn leeggelopen airbag kijken. Toen hij de jongen door zijn gebroken raam naar hem zag kijken, schudde de man zijn hoofd en knikte in de richting van het meisje. Kasper fronste even, maar kroop toen snel op en over de motorkap naar haar toe. Ze lag met haar hoofd op de boordsteen van de stoep en hij was opgelucht toen ze kreunde en een beetje bewoog, ondanks het plasje bloed dat tussen haar haren in de goot lag. Hij deed zijn jas uit om onder haar hoofd te leggen. Even, heel even maar, staarde hij naar haar gezicht dat er op hetzelfde moment zowel vreemd bekend als haast onmogelijk perfect uitzag; maar daar was geen tijd voor. Nadat hij zo voorzichtig mogelijk het mouwloze vestje tussen de wonde en de stoep had gelegd probeerde ze naar zijn geknielde figuur te kijken, maar na enkele ogenblikken sloot ze zuchtend haar ogen.

“Je hebt een harde smak gemaakt. Hoe heet je?”

“Sam...Samantha. Sam.”

“Aangenaam, Sam, mijn naam is Kasper en ik zal er voor zorgen dat alles goed komt. Waar woon je?” Hij probeerde zo luchtig mogelijk te klinken, maar slaagde er niet goed in.

“Mooi zo, jongen, hou haar wakker en aan de praat.”

“En hoe mooi je haar ook vindt, hou je handen uit de buurt van haar erogene zones. Men houdt er niet zo van als je verongelukte mensen betast.”

“Hebben wij elkaar zo niet leren kennen, Alf? Het was toch nadat ik...”

“Wees stil, Klaartje, hij moet dit niet weten. Wat wij met elkaar...”

Kasper sloot de stemmen buiten. 'Al dat gezever ook altijd.' dacht hij geïrriteerd.

“En wat doe je?” vroeg hij aan Sam.

Met een vlotte beweging haalde de jongen zijn GSM uit zijn broekzak en toetste daar drie cijfers op in. Vlak voor ze het bewustzijn verloor, hoorde hij echter nog wel haar antwoord, amper een zucht.

“Ik vlucht...”