pottenkijkers

22/05/2019
ijs-koffie of koffie-ijsje (© Suzanne Roes | dwars)
🖋: 

Haal je ‘fat pants’ uit de kast en dij uit met dwars in deze online vreet- en zuiprubriek voor mensen die het nét even anders doen. Mensen die houden van empirisch experimenteren, eetbaar exploreren en extravagant exposeren met een beperkt budget doch calorierijke fantasie.

 

Koffie: het ambrozijn van de studenten. Zeker tijdens de examenperiode is koffie onontbeerlijk voor ons. Hele dagen en lange avonden studeren zonder koffie is voor velen een probleem van apocalyptische proporties. Maar tijdens de examens in juni zitten wij koffieleuten vaak met een ander probleem, namelijk de warmte. Daarom geeft dwars twee koude alternatieven om je dagelijkse dosis cafeïne toch binnen te krijgen en je concentratie een boost te geven.

 

ijs-koffie

Benodigdheden:
•    1 kop koffie
•    2 klontjes suiker of kunstmatige zoetstof
•    1 bolletje vanille-ijs
•    ijsblokjes
•    een kopje en een glas
•    optioneel: melk

Met de eerste stap ben je waarschijnlijk al heel erg vertrouwd: zet koffie en schenk deze uit in een kopje. Deze koffie moet sterk zijn, geen slappe aftreksels waarmee je het eerste uur van een nachtje doorblokken nog niet zou volhouden. De koffie wordt namelijk later verdund door het vanille-ijs en de ijsblokjes, waardoor de smaak vanzelf minder sterk wordt.

Doe de suiker erbij en roer in de koffie tot deze is opgelost. Ter vervanging van de suiker kan je ook kiezen voor kunstmatige zoetstof. Als je helemaal niet zo’n zoetekauw bent, is het ook een optie om deze stap over te slaan en geen suiker toe te voegen.

Laat de koffie afkoelen. Dit kan door hem gewoon op het aanrecht te laten staan tot hij koud is of door hem in de koelkast te zetten. Je kan bijvoorbeeld gewoon ’s ochtends een kopje extra zetten om later op de dag te gebruiken.
Schep een bolletje vanille-ijs in het glas en giet daarna de koffie erover. Zorg ervoor dat je het glas niet volledig vult, want de ijsblokjes moeten er nog bij. Indien je een echte lattedrinker bent, raden we je aan om ook nog wat melk in de koffie te doen.

Doe vervolgens een paar ijsblokjes in het drankje en genieten maar!

 

koffie-ijsje

Benodigdheden:
•    400 ml of 2 koppen koffie
•    2 klontjes suiker of kunstmatige zoetstof
•    melk
•    ijsvormpjes
•    optioneel: karamelsiroop, amaretto, etc.

Ook hierbij begin je met koffiezetten. De hoeveelheid koffie die je nodig hebt is ongeveer 400 ml, wat overeenkomt met twee kopjes. Je maakt de koffie best even sterk als hoe je hem normaal drinkt of iets sterker indien je gewend bent koffie zonder melk te drinken.

Doe de suiker of kunstmatige zoetstof bij de koffie en roer er eens goed door. Wie graag een beetje experimenteert kan ook karamelsiroop, amaretto of nog een andere smaak aan het drankje toevoegen.

Giet de koffie over in de ijsvormpjes en zet de gevulde vormpjes in de vriezer. Een paar uur later kan je dan een studeerpauze inlassen om een koffie-ijsje te eten. Twee vliegen in één klap.

Nu ben je volledig gewapend tegen de warmere examenperiode. Je niet kunnen concentreren vanwege warmte is dan ook een probleem waarvan jij deze keer geen last zult hebben. Maar ook als het heel de maand juni zou regenen en het weer dus laat zien hoe de meesten van ons zich vanbinnen voelen, kunnen deze twee alternatieven wat variatie bieden om de examensleur te doorbreken. Proost en smakelijk!



de betekenisverschuiving van een vrolijk woord

16/05/2019
gay door het leven (© Alex Noels | dwars)
🖋: 

In het boek ‘Forever and a day’ van Anthony Horowitz werd een dorpje beschreven als ‘gay’. Ik was even in de war, alsof de auteur al de inwoners met één woord uit de kast dwong. Meteen daarna drong het tot me door: dit verhaal speelde zich net na de Tweede Wereldoorlog af, toen er in de Engelse taal een andere betekenis van het woord ronddwaalde: ‘vrolijk, zorgeloos’. Weer een mysterie minder! Of toch niet? Want hoe veranderde dit frivool adjectief naar een soms zwaar beladen woord dat aanduidt op wie je verliefd wordt en waar je, of je het nu wilt of niet, voor de prijs van één ook ineens een coming-out bijkrijgt?

 

Mensen die op hetzelfde geslacht vallen, danken het Engelstalige begrip ‘gay’ niet aan het feit dat sommigen op gay prides precies alleen maar opgewekt, fleurig en onbekommerd door het leven dansen. Los van het feit dat dit sowieso een verkeerde aanname is – er zou immers geen prideweek nodig zijn als alle LGBT*’ers (lesbian, gay, bisexual en transgender, plus alle andere seksuele en genderidentiteiten, nvdr.) overal ter wereld zorgeloos hun gangetje konden gaan – moeten we voor de betekenisverschuiving van het woord een ritje maken met onze tijdmachine.

 

taalkundige tijdreis

Eeuwen geleden deden de middeleeuwers al eens taalkundige inspiratie op door over de landgrenzen heen te kijken. Zo leenden ze het nog steeds bestaande Franse woord ‘gai’ om in het Middelnederlands uitdrukking te geven aan iemand die vrolijk was. Ook het Middelengels speelde leentjebuur bij hun Franssprekende overburen aan de andere kant van het kanaal. Sinds dat moment stond ook op het Angelsaksische eiland het woord gay synoniem voor ‘vrolijk, opgewekt en vriendelijk’. Hoewel deze betekenis in het Nederlands de tand des tijds niet doorstaan heeft, is deze in het Frans en het huidige Engels nog steeds in omloop.

Rozengeur en maneschijn was het al lang niet meer in de zeventiende eeuw, toen tijdgenoten dit woord in de mond namen om iemand te beschrijven die ‘losbandig’ of ‘hedonistisch’ was. De negatieve connotatie met ‘immoreel, betreffende prostitutie’ zette zich verder tot in de negentiende eeuw. Zo werd met een gay house een bordeel bedoeld, zoals ook ons Nederlandse begrip ‘meisjes van plezier’ de connectie met ‘vrolijkheid’ lijkt te bevatten. Toch bleven mensen tot het midden van de twintigste eeuw ‘gay’ gebruiken voor een zorgeloos iemand, vooral in tegenstelling tot iemand die wat stijfjes overkwam. Het woord vervulde tevens geruime tijd de betekenis van ‘dronken’ of ‘onder verdovende middelen’.

Al in 1935 kwam de betekenis ‘homoseksueel’ voor het eerst bovendrijven, in een Amerikaans-Engelse lijst van termen afkomstig uit de gevangenis en de criminele onderwereld. Het duurde nog enkele decennia vooraleer deze connotatie permanent bleef kleven aan het woord ‘gay’. Toen Alan Turing enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog gearresteerd werd wegens homoseksuele handelingen, in Engeland tot het einde van de jaren 1960 voor mannen strafbaar, was men het er nog unaniem over eens dat homoseksualiteit een ziekte was waarvoor je gediagnosticeerd werd. Dat deze mannen aangeduid werden met een adjectief dat 'bright and showy' betekende, was dan in de eerste plaats ook niet bedoeld om complimentjes uit te delen. Integendeel, het woord werd vooral ironisch gebruikt als afkorting voor mannen die ervoor ‘kozen’ om te leven in een geheime subcultuur.

In deze context ontleende het Nederlands voor een tweede keer het woord ‘gay’ uit een andere taal, ditmaal uit het Engels. In het jaar 1984 werd deze term voor het eerst in onze taal aangetroffen in de betekenis van ‘homoseksueel’. In het daaropvolgende decennium werd het gemunt tot de gewenste en politiek correcte manier om (de geaardheid en zelfs identiteit van) mensen, die een romantisch of seksueel verlangen hebben naar iemand met dezelfde sekse, aan te duiden. Mede dankzij de connotatie van ‘vrolijkheid’, verving het zo de oudere synoniemen als ‘homofiel’ en ‘flikker’, die voor velen eerder negatief geladen aanvoelden.

 

haters gonna hate

De neutrale of zelfs eufemistische connotatie, waarin op objectieve wijze uitdrukking werd gegeven aan iemands seksuele geaardheid, bleef echter niet voor lang bewaard. Bijna onmiddellijk manifesteerde ‘gay’ zich tevens als scheldwoord, waarbij het soms zelfs als synoniem dient voor weak, crap en rubbish. Ook wordt het woord vaak gebruikt om een man met wat meer vrouwelijke trekjes in een (al dan niet onterecht) stereotiep hokje van een homoseksuele man te duwen. Jongens die graag op hun kleren letten, krijgen op schoolpleinen dan ook al snel de vraag: “Ben je gay of gewoon goed gekleed?” Niet alleen is dit een uitermate zwakzinnige manier om iemand te proberen kwetsen (alsof lid zijn van de LGTB*-community in eender welk opzicht beledigend zou zijn!), bovendien gaat dit aan alle verscheidenheid waaruit de deze maatschappij bestaat voorbij. Stereotypering en homogenisering van een bepaalde bevolkingsgroep heeft in het verleden ook niet altijd mooi uitgepakt, dus misschien wordt het eens tijd om enkele belangrijke lessen te trekken uit de geschiedenis.

Eenzelfde evolutie doet zich voor met het woord ‘queer’, dat oorspronkelijk iets of iemand ‘een beetje raar of ongewoon’ betekende. Tegenwoordig wordt dit tevens vaak denigrerend gebruikt voor homoseksuelen of vrouwelijkheid. Een aantal mensen, die zich niet wensen te identificeren met labels zoals homoseksueel of transseksueel, hebben het woord ondertussen gereclaimd om er hun identiteit mee te bestempelen en er zelfs hele actiegroepen naar te noemen. Vandaar dat ‘queer’ ook wel eens in de mond genomen wordt door mensen die indruisen tegen de hokjesmentaliteit betreffende seksuele identiteit.

Hoewel de LGBT*-gemeenschap ‘gay’ over het algemeen als een soort van geuzennaam heeft omarmd en met trots draagt, is er dus nog wat werk aan de winkel; een illustratie van hoe de mensheid er keer op keer in slaagt om iets moois onterecht (gedeeltelijk) te besmeuren. De maatschappij heeft met andere woorden nog wat oppoetswerk voor de boeg, om het woord en alles waarvoor het staat te zuiveren van onnodig (haat uit) onbegrip. Wachten tot de maatschappij vanzelf volwassenen wordt, is net zoals blijven wachten tot België nog eens het Eurovisiesongfestival wint; wachten op Godot! Laten we als LGBT*-community (en sympathisanten) dus vooral het heft in eigen handen blijven nemen, door onszelf deze termen te blijven toe-eigenen. Net zoals ik mezelf ook wel eens meer dan terecht een bitch noem, noem jezelf ook queer, gay, of welke naam je er ook aan geeft. En vooral: wees er trots op!

 


blikopener

15/05/2019
blikopener (Rin Verstraeten | dwars 118)
🖋: 
Auteur

Welke vraag je ook stelt: wanneer je diep in een onderwerp duikt, merk je vanzelf hoeveel verschillende kanten de vraag heeft. Dat monodisciplinaire onderzoeken nog de standaard zijn, is een wonder. Het team van professor Bert Maes binnen de faculteit Wetenschappen werkt aan een onderzoek dat niet alleen interdisciplinair, maar zelfs interuniversitair is. Samen met de onderzoeksgroep van Bert Sels, faculteit Bio-ingenieurswetenschappen KU Leuven, zijn zij op zoek naar alternatieve grondstoffen om onder andere medicijnen uit te maken. Hun nieuwe grote doorbraak? Een kankermedicijn op basis van hout.

 

Het bijzondere aan dit onderzoek zit echter niet in de medische gevolgen, want het gaat hier om een exacte kopie van de medicijnen die gebaseerd zijn op fossiele grondstoffen als aardolie. Een drop-in wordt zo’n kopie-product genoemd, vertelt Maes ons. Om te begrijpen wat er zo belangrijk is aan dit onderzoek moeten we ons dus even van de microscoop onttrekken en een telescopische blik op de toekomst werpen.

 

noodplan

Momenteel worden medicijnen meestal gefabriceerd op basis van stoffen die uit aardolie voortkomen. Die olie is er nog genoeg, maar met de snelheid waarop de mens aardolie wint, zal dat over honderd jaar niet meer het geval zijn. “Er is nog aardolie voor minstens vijftig jaar, maar je kunt niet wachten tot alles opgebruikt is voor je met een alternatief komt,” zegt Maes. De onderzoeken die nu gedaan worden naar dit soort alternatieven zullen waarschijnlijk van levensbelang zijn. Gelukkig is hout in tegenstelling tot olie een hernieuwbare bron.

Door de mogelijkheid te creëren om voor hout te kiezen, beschermt de onderzoeksgroep niet alleen de toekomst van de mensen, maar ook die van het milieu. Althans, dat zou je verwachten. “Je hebt wel een streepje voor als je van een plant vertrekt, want die zet ook CO2 om door fotosynthese,” legt Maes uit. Maar er komt meer kijken bij het in kaart brengen van hoe duurzaam dit alternatief is. “Waar begint het product en waar eindigt het, wat is het leven van zo’n product, wat gebeurt er met het afval…,” de vragen die Maes zich stelt kan hij zelf nog niet beantwoorden. Hier kunnen alleen antwoorden op gevonden worden met meer onderzoek vanuit nog meer verschillende vakgebieden.

 

van hout tot medicijn

 

bouwpakket voor gevorderden

Hout en olie lijken niet op elkaar. Dat het proces naar een zelfde eindproduct ingewikkeld is, zal je vast niet verbazen. “Je moet eerst het hout splitsen in lignine en suikers,” begint Maes zijn uitleg. In het lignine, een biopolymeer, zitten de bouwstenen die door de onderzoekers voor het maken van het medicijn gebruikt worden. De uitdaging is om complexe biopolymeren zoals lignine om te zetten tot een beperkt aantal bouwstenen die je dan op hun beurt kunt omzetten in unieke chemische verbindingen.

 

Het is moeilijk om een biohernieuwbare grondstof in te voeren, ondanks dat ze perfect te maken is.

 

Daar ligt ook een van de grote uitdagingen van de chemie. Bij het uit elkaar trekken van het hout is het van belang dat het aantal verschillende bouwstenen dat uit het proces voortkomt, beperkt is, en je niet een 'soep' aan verschillende bouwstenen hebt, waar je degene die je nodig hebt dan weer moet uithalen. De uitkomst van dit proces is dus niet direct een bruikbare stof, maar een nieuw basisproduct om volgende stappen mee te zetten. Het moet omgezet worden naar weer iets anders. Zo worden er stukken vanaf afgehaald en op gezet, om uiteindelijk de moleculen te krijgen met de juiste functionaliteit. Met andere woorden: heel wat stappen. Het bioherniewbare tijdperk ligt dus niet direct om de hoek.

 

ellebogenwerk

Duurzaamheid en hernieuwbaarheid zijn fijn, maar de doorslaggevende factor voor wat er op dagelijkse basis gebruikt wordt, is nog altijd de markt. Vooral bij een drop-in is concurrentie moordend. Er bestaat namelijk al een product met exact dezelfde chemische structuur en dus exact dezelfde eigenschappen! "De aardolie is niet duur op dit ogenblik, wat het heel moeilijk maakt om zo'n biohernieuwbare molecule in te voeren, ondanks dat ze perfect te maken is." 

Aan dit ingewikkelde proces valt dan ook nog veel te sleutelen. De onderzoeksgroepen zijn druk bezig met het efficiënter maken van het proces en het bedenken van toepassingen voor de bijproducten die in het productieproces overblijven. “Natuurlijk ga je niet heel die biomassa omzetten in één molecule! Je gaat fracties krijgen van verschillende moleculen. Als je niet alles kunt gebruiken, heb je economisch geen goed concept, en creëer je daarnaast ook ongewenst afval,” legt Maes uit. 

Maar in die diversiteit aan elementen zit mogelijk ook het voordeel. Hout heeft functionaliteiten die olie niet heeft. Door niet enkel op drop-ins te focussen kan dat bij nieuwe producten voor een voorsprong zorgen. Hout bevat bijvoorbeeld zuurstof. “Door de vele functionaliteiten die we 'gratis' krijgen uit de grondstof, kunnen we ook nieuwe moleculen maken. Soms met eigenschappen die zelfs beter zijn dan de op aardolie gebaseerde opties. Economisch gezien is dat momenteel een veel betere investering. Een drop-in is namelijk volledig afhankelijk van de markt.”

Het ziet er dus nog niet naar uit dat op hout gebaseerde medicijnen snel vergoed zullen worden door de mutualiteiten. Maar als de olieprijzen gaan stijgen kunnen we op de bomen rekenen. Professor Bert Maes heeft ons al laten zien dat het kan!
 

 


Humans of UAntwerpen

10/05/2019
sashay, shantay (© [Alex Noels | dwars)
🖋: 

Voor studenten geschiedenis zijn Ditmar en Jasmine geen onbekenden meer. De cantor van Klio dwaalde immers tot vorig jaar nog door de departementsgangen op de stadscampus. Nu studeert hij overdag voor leerkracht, maar is hij ’s nachts niet meer te herkennen. Dan is het aan zijn vrouwelijke alter ego Jasmine om de show te stelen.

Jasmine en Ditmar verschillen op zich heel weinig. Allebei verrassen ze met een vlotte babbel en een snedige opmerking als iets hen niet aanstaat. Eventjes laat hij de shade, draglingo voor goedbedoelde beledigingen, en zijn tongue pops achterwege. Hij vertelt vol enthousiasme over hoe Jasmine, zijn drag persona, er pas gekomen is na een serieus duwtje in de rug. “Twee zomers geleden ging ik met vrienden elke week kijken naar een dragwedstrijd in Que Pasa”, vertelt Ditmar. Acht weken lang strijden dragqueens daar in 'Drag University', een talentenjacht voor beginnende dragqueens. “Toen sloot ik een weddenschap met een vriendin: het jaar nadien zou ík op dat podium staan.” En zo geschiedde: Jasmine eindigde als tweede van de tien deelneemsters. Niet slecht, zeker voor de queen met de minste ervaring.

 

tonnen tijd

Een vanzelfsprekende hobby is het niet, zeker voor een student. Naast het prijskaartje voor pruiken, jurken en andere attributen, komt er véél tijd bij kijken. “Make-up alleen duurt al zo'n drie uur. Dan moet ik me nog klaarmaken en optreden”, vertelt Ditmar. Daar stopt het natuurlijk niet bij: als dragqueen moet je immers altijd klaar zijn om te lip syncen for your life en de sterren van de hemel te dansen. “In het begin was het wel zwaar om drag te combineren met mijn studie, studentenjob en Klio. Nu ik het meer gewend ben, gaat dat al stukken beter.”

Die tijd steekt Ditmar er al vanaf het begin maar al te graag in. Zijn bedoeling is vooral om mensen te entertainen - en óf hij dat doet -, maar er lonken ook nog andere verleidingen. “Ik wil graag meedoen aan wedstrijden zoals Miss Travestie België of de ShowQueen Awards”, vertrouwt Ditmar ons toe. Want hoewel het publiek met stip op nummer één staat, zou een dragqueen geen queen zijn zonder die wens voor een kroon. “Het blijft mijn droom om ooit een bekende naam te worden in de Belgische scene, of zelfs op het internationale niveau.”

 

call me mother

Ditmar stond gelukkig niet alleen in zijn leerproces. Antwerpen zit vol getalenteerde dragqueens, waarvan er twee hem graag onder hun vleugels namen. “Latash en Ivana staan heel dicht bij mij. In de praktijk voelen ze zelfs aan als twee moedertjes”, lacht Ditmar. Volgens hem is het belangrijk dat fans van drag en beginnende dragqueens hun weg naar een bar als Que Pasa vinden. “Je moet niet enkel naar programma’s als RuPaul’s Drag Race kijken, ga ook eens je lokale queens bewonderen.” Hoewel die programma’s uiteraard een perfect, inmiddels elf seizoenen en talloze spin-offs rijk, tijdverdrijf vormen. 



kunst op de campus

10/05/2019
[kleinkunst aan de muren] (© [Amber Peeters] | dwars)

Soms kan kunst bevreemdend werken. Meer dan eens kunnen we ons afvragen wat een kunstwerk nu eigenlijk is, wat het moet voorstellen en of het zelfs kunst is. Welk verhaal moeten we erin lezen? De campussen van UAntwerpen staan vol kunstwerken, maar of er veel studenten zijn die ze goed bekijken, valt te betwijfelen. dwars vliegt er echter in en belooft je dat vijf minuten eerder opstaan om de pareltjes op de universiteit toch eens goed te bekijken, helemaal de moeite waard is.

Wat gebeurt er met kunst na een tentoonstelling? Het wordt weer opgeborgen in een archief of in een stoffige kast. Met wat geluk wordt het voor een goede prijs verkocht, of het belandt eenvoudigweg in de living van de maker. Een andere optie is het origineel dramatisch vernietigen zodat niemand anders het ooit nog kan zien – if I can’t have it, no one else can. Of misschien moeten mensen het kunnen blijven bezichtigen! Voor de laatste optie kan je het maar beter weggeven. Aan een universiteit bijvoorbeeld, zoals galeriehouder Ronny Van de Velde bedacht. Eerder stond Museum op Schaal 1/7 ook in Rotterdam, Locarno en Naples (Florida), maar nu heeft UAntwerpen de eer om de minigalerie tentoon te stellen aan een breed publiek.
 
Van de Velde is, in samenwerking met verscheidene hedendaagse Belgische kunstenaars, bekend of minder bekend, de bedenker van Museum op Schaal 1/7. In totaal zijn er ruim een honderdtal kastjes ontworpen, waarvan er 54 in het R-gebouw hangen. Elke kunstenaar was volledig vrij in hoe hij of zij de box invulde en deed dat ook op hun geheel eigen manier. De diversiteit in stijlen en interpretaties valt meteen op als je de R-blok betreedt. De kunstenaars hebben een aantal dingen gemeen: allemaal zijn ze Belg en zijn ze vóór het jaar 2000 actief in de kunstwereld geweest.

 

54 wunderkammers

Het hele idee lijkt net een hedendaags rariteitenkabinet. Zo’n Wunderkammer was vooral in de zestiende eeuw populair en was een van de eerste musea. Er werden diverse objecten in verzameld die voor de verzamelaar van belang waren. De inhoud kon religieus, cultureel, geologisch et cetera gekleurd zijn. Dit vroegtijdige museum kwam in alle vormen en kleuren voor. Het konden hele kamers zijn, overladen met objecten, of prachtig vervaardigde kasten. In eerste instantie was de insteek pragmatisch: door objecten in een kast te steken, kon men gemakkelijk alles van plaats naar plaats transporteren. Het idee van dit verplaatsbare minimuseum werd in de vroege jaren 40 van de vorige eeuw nog eens extra belicht door de variant van de bekende futurist, dadaïst en surrealist Marcel Duchamp. Hij verwerkte dit kabinet tot een serie koffers, La Boîte-en-valise, waar een verscheidenheid aan schilderijtjes in paste. Door de mogelijkheid tot verplaatsing was de betrokkenheid van de toeschouwer ruimer en kwam men in aanraking met een meer divers publiek.
 
Dat alles wordt weerspiegeld in de 54 kastjes in de R-blok. Elke box is een klein museumzaaltje op zich. Sommige kunstenaars hebben dit letterlijk opgevat en hebben bijvoorbeeld deurtjes toegevoegd. Elke zaal is puur naar de stijl van de maker ontworpen. De kleine Wunderkammers tonen zo de Belgische kunstwereld voor 2000, de grote verscheidenheid ervan en ieders persoonlijke stijl. En dat op slechts één wandelingetje op het gelijkvloers van de R-blok.

 

op weg naar de Paardenmarkt

Maar het stopt niet bij die 54. Zoals eerder aangehaald zijn er nog meer kastjes en die zullen op Campus Paardenmarkt terechtkomen. Als de renovatie van deze campus beëindigd is, zullen de overige kastjes daar te bewonderen zijn. Deze renovatie hangt samen met de herbestemming van deze campus, volgend op een architectuurwedstrijd in 2017. De DMT-architecten kunnen hun ontwerp in werkelijkheid omzetten. Volgens hun visie moest de campus zo veel mogelijk van de authentieke en karakteristieke architectuur behouden: zo konden de gebouwen maximaal bewaard blijven. De geschiedenis van Campus Paardenmarkt is immers niet te missen als je doorheen de gangen wandelt. Dat verliezen zou alleen maar jammer geweest zijn. Verder wordt het gebouw ook verbonden met het R-gebouw, zodat het werkelijk één geheel wordt.



blikopener

02/05/2019
blikopener (Rin Verstraeten | dwars 118)
🖋: 
Auteur

Eind november stond de wetenschappelijke wereld even op zijn kop, de toen nog volstrekt onbekende Chinese onderzoeker He Jiankui kondigde vol trots aan dat hij er als eerste in geslaagd was om de mens genetisch te modificeren. Het DNA van twee menselijke embryo’s aanpassen was voorheen ondenkbaar. Wereldwijd reageerden wetenschappers dan ook verbijsterd: niemand had dit zien aankomen én het had nooit mogen gebeuren. De techniek die He gebruikte voor zijn aanpassingen, CRISPR-Cas9, is namelijk nog veel te experimenteel voor onderzoek op mensen. De Chinese baby’s, Lulu en Nana, zijn geboren midden oktober 2018 en niemand weet wat de gevolgen hiervan zullen zijn. Tijd dus om CRISPR eens grondig onder de loep te nemen.

Tot voor kort was DNA aanpassen een erg moeilijk en duur proces. De ontdekking van CRISPR maakte daar snel komaf mee. Het is een methode die onderzoekers in staat stelt om snel en goedkoop aanpassingen te maken aan het genoom, de complete genetische samenstelling van een organisme. Dus ook aan dat van de mens. DNA is de belangrijkste drager van erfelijke informatie en bestaat uit slechts vier basisbouwstenen. Door deze vier basiscomponenten op verschillende wijzen met elkaar te combineren wordt onze volledige genetische samenstelling van oogkleur tot gevoeligheid voor sommige ziekten opgeslagen. 

 

CTRL-c, CTRL-v

Wat CRISPR zo revolutionair maakt, is dat het ervoor zorgt dat we zelf in het DNA kunnen ‘knippen en plakken’. Stukken die we niet willen, knippen we er gewoon uit en gewenste stukken plakken we ertussen. De techniek is zo goedkoop en eenvoudig dat genetisch modificeren geen zaak meer is van dure laboratoria en hooggeleerde professoren. Je kan het bij wijze van spreken al in je tuinhuis doen. Het belooft dus een technologie te worden die een immense impact zal hebben op ons leven. Hoe indrukwekkend het procedé echter is, zo eenvoudig is het idee erachter.

 

Je kan het bij wijze van spreken in je tuinhuis doen.

 

Om te begrijpen hoe CRISPR-Cas9 werkt, moeten we de afzonderlijke onderdelen van de term even van naderbij bekijken. Laat ons beginnen met ‘Cas9’: een enzym dat dienst doet als moleculaire schaar. Het knipt als het ware stukjes uit het DNA. De naam ‘CRISPR’ zelf staat voor clusters of regularly interspaced short palindromic repeats. De naam verwijst naar een speciale plek in het DNA, de ‘CRISPR-zone’, die deel uitmaakt van het natuurlijke afweersysteem van bacteriën. Wanneer een virus een bacterie aanvalt, ‘onthoudt’ deze bacterie welk virus dat was door een stukje DNA ervan bij te houden. Dat stukje virus-DNA slaat hij dan op in zijn CRISPR-zone. De volgende keer dat dit virus aanvalt, kan de bacterie zich zo meteen verdedigen en het virus kapot knippen. Door deze techniek na te bootsen kan de mens op een precieze manier op specifieke plaatsen in het DNA knippen om er delen uit te halen of er net andere stukjes DNA in te steken. Wanneer iemand bijvoorbeeld een fout heeft in zijn DNA, kunnen we op die manier gewoon het foute stukje eruit halen en er het juiste stukje tussen plakken.

 

brave new world

De mogelijkheden van CRISPR zijn dus legio. Er wordt voorspeld dat we tal van ziektes zullen kunnen stopzetten nog voor de eerste symptomen zichtbaar zijn. Zo loopt er momenteel een onderzoek aan onze universiteit waarin gewerkt wordt aan een gentherapie om preventief gehoorproblemen op te lossen. Een bepaalde vorm van doofheid wordt namelijk veroorzaakt door mutaties van het COCH-eiwit. In normale omstandigheden is dat gezond, maar als het eiwit muteert, ontstaat er een foutje in het DNA. Dat foutje kan op latere leeftijd doofheid veroorzaken. Professor Vincent Van Rompaey en zijn team van de onderzoeksgroep Translationele Neurowetenschappen gebruiken CRISPR om deze mutaties op het spoor te komen en los te knippen nog voor er symptomen opduiken. Het onderzoek gebeurt eerst op muizen, maar op termijn hoopt men ook bij mensen de ernst van gehoorverlies hierdoor te verkleinen of het ontstaan ervan te verhinderen. 

Dromen we even verder, dan zijn zaken als hyperintelligente mensen of huis-tuin-en-keuken-biohacking helemaal niet meer ondenkbaar. Het is bijvoorbeeld nu al mogelijk online biohackingkits met CRISPR in te bestellen. We kunnen zelfs nog een stap verder gaan: ook het eeuwige leven is een belofte die CRISPR niet schuwt. Wanneer je weet dat twee op de drie mensen overlijdt aan ouderdom, lijkt dat helemaal niet zo’n onrealistische gedachte. Willen we die weg echter wel inslaan?

 

Het is nu al mogelijk online biohackingkits te bestellen.

 

CRISPR is namelijk zeker niet zonder gevaren. De methode is nog erg jong en te onvoorspelbaar. Ze knipt bijvoorbeeld soms op andere plekken dan de onderzoeker wilde, met alle gevolgen van dien. Als je weet dat één foute verbinding in DNA verantwoordelijk kan zijn voor aandoeningen als borstkanker of mucoviscidose, kan je je inbeelden dat onderzoekers graag de zekerheid hebben dat CRISPR altijd op de juiste plek knipt. Daarnaast is de techniek op zich natuurlijk ook aanleiding voor tal van ethische dilemma's: wat mogen we bijvoorbeeld aanpassen en wat niet? Willen we het syndroom van Down uitroeien of toekomstige ouders de keuze geven over de oogkleur van hun kinderen? Wat als mensen met geld hun intelligentie kunstmatig kunnen verhogen door dure operaties en hierdoor een onoverbrugbare kloof creëren met zij die dat geld niet hebben? En wat met genetisch gemodificeerde supersporters? Met elke evolutie moeten we echter voorzichtig zijn dat ze niet uitmondt in chaos: met CRISPR zou die chaos rampzalig zijn.



Humans of UAntwerpen

02/05/2019
[de student-muzikant] (© [Arne Fivez] | dwars)
🖋: 

Kunstenaar of topsporter, bejaarde of ondernemer, geen enkele soort ontspringt de dans. Je wordt op een dag wakker met de intense drang om je bij Universiteit Antwerpen in te schrijven. Het gevolg: zo veel vreemde vogels dat het uitzonderlijk wordt om normaal te zijn. Elke maand zetten wij een bijzondere student in de kijker.

Simon Fivez is student taal- en letterkunde, al zal hij zichzelf eerder muzikant dan student noemen. Het grootste deel van zijn dagen is hij namelijk frontman bij de band Oriens, de universiteit komt op de tweede plaats. Simon omschrijft zijn band zelf als "een alternatieve rockband met wat Pink Floyd- en Queens of the Stone Age-vibes. Een beetje rock en een beetje experimenteel". De mannen van Oriens zien het professioneel en dus slijt Simon zijn dagen liever in het repetitiehok of op het podium dan in de aula. 

 

van amateurproject tot professionele band

Toen Simon zestien jaar was, startte hij met zijn broer en een paar vrienden een bandje, gewoon voor het plezier. Toen in 2016 gitarist Tim zich bij de bende voegde en Oriens deelnam aan Humo's Rock Rally, werd het snel een stuk professioneler. Sindsdien zijn ze enorm geëvolueerd. "In de afgelopen jaren namen we een cd'tje op, produceerden we enkele videoclips en traden we al zo'n 200 keer op", vertelt Simon.

De bandleden van Oriens hebben grote ambities. "Ik kan nog niet verklappen wat we gaan doen, maar er komt veel nieuws aan in 2019", aldus Simon. "Gelukkig zitten we allemaal op dezelfde golflengte en neemt iedereen de band heel serieus. Dat helpt."

 

meer dan alleen muziek maken

In een band zitten, daar kruipt veel werk in. Simon licht toe: "Hoeveel dat precies is, wisselt van week tot week. We zitten bijvoorbeeld elke zondag van vijf tot twaalf uur 's avonds te repeteren. In een band zitten is meer dan muziek maken alleen, zo moeten we bijvoorbeeld ook met ons management communiceren. Een tijd geleden zetelde ik in de jury van het festival twintig achttien, ook dat hoort erbij. Verder doen we onze sociale media ook helemaal zelf." 

Simon is ook op andere manieren met muziek bezig: "Op maandag geef ik een hele dag les in de Nieuwe Muziekschool in Mortsel, en op dinsdag en woensdag volg ik zelf muziekles. Ik wil namelijk na mijn studie taal- en letterkunde graag toegelaten worden tot het Conservatorium."

"De combinatie van al dat muzikale werk en studeren is natuurlijk niet vanzelfsprekend. Eigenlijk zie ik mijn studies bijna nooit als prioriteit", aldus Simon, "alleen bij grote taken of tijdens de examens maak ik veel tijd voor school." Daarom heeft Simon ervoor gekozen om zijn master te spreiden over twee jaar.

Benieuwd naar Simons band? Je kan ze op Facebook vinden onder @oriensband of beluisteren via YouTube of Spotify.

 



de angst waarover niet gepraat wordt

02/05/2019
falen is geen optie (© Alex Noels & Vanessa Nicole Peña | dwars)

Er wordt altijd gezegd dat de studententijd de beste tijd van je leven is: je hebt enorm veel vrije tijd, weinig verantwoordelijkheden en elke dag is een feest. Is dat wel zo? Studeren is meer dan pinten drinken op café of series bingewatchen, het kan ook enorm veel angst en stress met zich meebrengen. Met de examens in het vooruitzicht besloot dwars om eens na te gaan hoe stressvol het studentenleven echt is. En toen stuitten we op een probleem: het taboe.

Bijna 400 studenten vonden ondanks de naderende deadlines en examens de tijd om ons inzicht te geven in hun psychische gezondheid. De ene faculteit deed dit al wat gretiger dan de andere. Met 20,9% heeft Letteren en Wijsbegeerte het grootste aandeel in onze resultaten en met 80% vrouwelijke respondenten kunnen we natuurlijk niet voor héél de studentenpopulatie spreken. Uiteraard niet, want wie beslist er om vragen te beantwoorden over een onderwerp als faalangst? Juist ja, diegenen die er iets over te zeggen hebben. Of beter: diegenen die iets willen zeggen. Veel studenten kampen met deze angst, maar slechts weinige van hen durven ze te uiten. 

Dat faalangst niet besproken wordt, betekent niet dat het niet bespreekbaar moet worden, want een probleem is het zeker. 377 studenten laten weten dat angst om te falen invloed heeft op hun leven. Sommigen ervaren faalangst elke dag, anderen slechts af en toe. Ze kampen met verschillende klachten zoals gewichtsverlies, uitstelgedrag, overgeven, slaapproblemen of zelfs een burn-out en depressie. Stress maakt duidelijk deel uit van het studentenleven: 45% van de studenten ervaart voortdurend stress tijdens zijn of haar studententijd en nog eens 47% haalt aan periodes van stress door te maken. Met 92% hebben bijna alle respondenten last van stress. Dit zijn zeer verontrustende cijfers. Kampt er echt zo’n groot percentage van de studenten met stress en faalangst? Of hebben echt enkel de mensen die er meer over willen vertellen onze vragen beantwoord?

 

Het uiten van faalangst voelt voor mannen meer als een taboe.

 

Om hier een antwoord op te krijgen, zochten we contact met Sara Backx, studentenbegeleidster op de Stadscampus en Campus Drie Eiken. Zij ziet een taboe over faalangst en geeft aan dat dit een mogelijke verklaring is voor de bias bij onze respondenten. In opleidingen waar een grote competitiviteit heerst en bij bepaalde studies met status bestaat volgens haar een onevenwicht tussen faalangst en bespreekbaarheid. Backx merkt echter niet alleen een verschil op tussen de opleidingen, maar ook tussen mannen en vrouwen.

 

a girl thing?

We kunnen de oververtegenwoordiging van het vrouwelijke geslacht in onze steekproef dus ook zien als iets anders dan een slechte representatie van de studentenpopulatie. Het zou er ook op kunnen wijzen dat vrouwen meer faalangst hebben. Uit de wetenschappelijke literatuur blijkt al dat vrouwen in het algemeen meer last hebben van angststoornissen dan mannen. Geldt dat dan ook voor faalangst? Sara Backx denkt alvast van wel. “Het klopt dat vrouwelijke studenten meer gebruik maken van ons aanbod. Toch denk ik niet enkel dat vrouwen er meer last van hebben, maar ook dat het voor vrouwen minder taboe is om last te hebben van faalangst en stress.”

De 62 mannelijke respondenten tonen zich inderdaad een tikje geruster. 29% van hen geeft aan zelden of nooit last te hebben van faalangst. Dit lijkt misschien weinig, maar als je het vergelijkt met de 10% relaxte dames is het verschil treffend. Zouden vrouwen dan echt meer stress ervaren in hun studententijd? Of hangt er inderdaad gewoon een taboe rond de kwestie, vergelijkbaar met gedragsregels als ‘mannen mogen niet huilen’? We vroegen het aan een van onze mannelijke respondenten. “Ik denk dat van mannen vandaag nog steeds wordt verwacht dat ze hun competitiviteit uiten, waardoor ze zich minder snel kwetsbaar zullen opstellen uit angst om te gevoelig over te komen. Hoewel mannen en vrouwen volgens mij evenveel faalangst ervaren, voelt het uiten van die gevoelens voor mannen meer als een taboe." 

 

gezonde stress

Toch is het niet alleen maar kommer en kwel. Ondanks de genoemde onrustwekkende verschijnselen spreken sommigen ook van ‘gezonde stress’. Een vierde van onze respondenten slaagt erin faalangst om te zetten in een positieve drijfveer voor zijn of haar studies. Hun angst zet hen aan om sneller aan een taak te beginnen of sneller achter de boeken te kruipen. Helaas lukt dit voor de meeste respondenten naar eigen zeggen niet. Meer dan de helft laat weten dat het hun studies op een negatieve manier beïnvloedt. Dit is dus ‘ongezonde stress’, en dat kan je in sommige gevallen letterlijk nemen. 47 respondenten geven aan last te hebben van psychosomatische klachten, oftewel fysieke klachten met een psychische oorzaak. Dit uit zich bijvoorbeeld in een verhoogde hartslag, een misselijk gevoel, chronisch hyperventileren, hoofdpijn of fysieke vermoeidheid. 

 

De druk om met de buren te kunnen kletsen over de goede prestaties van je kind wordt steeds hoger

 

Een verschijnsel dat vaak aan stress gekoppeld wordt, is uitstelgedrag. Bijna 59,2% van onze respondenten geeft aan hier last van te hebben. Wil dit dan zeggen dat er een verband is tussen uitstelgedrag en faalangst? 38,7% van onze respondenten denkt van wel, 40,6% denkt van niet. Als we kijken naar de respondenten die hun studententijd als 'niet stressvol' bestempelen, zien we echter dat zij evenveel uitstelgedrag vertonen als studenten die wel stress ervaren. De link tussen stress en uitstelgedrag is dus niet zomaar te leggen.

 

verwachtingen van de wereld

Psychosomatische klachten, uitstelgedrag, paniekaanvallen of panische huilbuien, dat is natuurlijk niet wat een ambitieuze student wil laten zien. Studenten hebben het idee dat alles altijd goed moet gaan en die druk blijkt hoog. 30% van de respondenten geeft aan last te hebben van faalangst wanneer ze weten dat iemand hen beoordeelt. Dit gaat vaak gepaard met een incompetent of onzeker gevoel, zo blijkt ook uit de enquête. Ze denken bijvoorbeeld taken fout te interpreteren, cursussen verkeerd te studeren of gewoon niet te weten hoe ze aan een opdracht moeten beginnen. Met andere woorden, ze zijn bang om resultaten te leveren die niet beantwoorden aan de verwachtingen van de prof. 

Sommige respondenten geven aan dat ze, naast professoren, vooral hun ouders niet willen teleurstellen. Vaak drukken ook ouders impliciet - en soms expliciet - bepaalde verwachtingen uit: wat ze willen dat hun kind bereikt of waar ze willen dat hun kind terechtkomt in de wereld. Maar soms lijken de verwachtingen van ouders zo ver buiten bereik te liggen, dat dit enorm veel angst en stress met zich meebrengt. Een van onze respondenten geeft bovendien aan dat niet enkel de te hoge verwachtingen van ouders een probleem vormen. Ook de druk die de maatschappij op de student uitoefent, wordt als enorm ervaren. “Tegenwoordig is het niet meer goed genoeg om gewoon hogeschool te volgen of een beroep uit te oefenen waarvoor geen bachelor of master nodig is. De druk om met de buren te kunnen kletsen over de goede prestaties van je kind wordt steeds hoger.” Studenten die hun ouders niet willen teleurstellen, leggen vaak voor zichzelf de lat te hoog. Niet per se omdat ouders het verwachten, maar omdat de studenten denken dat ze het verwachten. Prestatiedruk en faalangst lijken dus afhankelijk te zijn van de verwachtingen van anderen of van wat de student projecteert als de verwachtingen van anderen.

 

faalangst voor dummies

Ook Universiteit Antwerpen heeft allang begrepen dat het studentenleven veel stressvoller is dan algemeen aangenomen. De Dienst voor Studieadvies en Studiebegeleiding biedt immers niet enkel tips aan over blokken en plannen, maar ook over hoe je om kan gaan met stress, faalangst en uitstelgedrag. Uit onze enquête bleek dat enkele respondenten de weg naar de begeleiding al gevonden hadden. “Ik heb in het verleden enorm last gehad van faalangst en dat maakte studeren tot een hel. Dankzij de training van UAntwerpen heb ik dit voor een groot deel overwonnen!” Maar slechts een minderheid lijkt tot bij deze studiebegeleiding te raken. “Ik denk dat er een groot taboe heerst over angst, of mentaal welzijn in het algemeen”, haalt een van de respondenten aan, “Bovendien is het een steeds groter wordende kwelgeest van onze samenleving. We moeten hierover bewustzijn creëren zodat barrières voor studenten verdwijnen en ze de nodige ondersteuning zoeken. Zonder deze mindset zullen de mogelijke ondersteuning en faciliteiten van de universiteit nooit volledig tot hun recht komen. Ik vrees ook dat studenten liever externe hulp zoeken, omdat ze niet fysiek gezien willen worden op de universiteit voor zulke doeleinden.”

Hoe kunnen we dat taboe doorbreken? “Ik denk dat het begint bij jezelf”, zegt een andere respondent, “niet stereotyperend denken en openlijk praten over mentale gezondheid met je vrienden zijn daarom zeer belangrijk.” Maar zolang het taboe bestaat, willen we nog één ding meegeven: faalangst is er, zoals onze cijfers zwart op wit beamen, en kan heel nefaste gevolgen hebben. Niet alleen voor je studies, maar ook voor je algemeen welzijn. Zet af en toe eens alles uit je hoofd, spreek af met vrienden en praat eens over iets anders dan school. Als dit alles niet helpt, blijf dan niet bij de pakken neerzitten, maar zoek gepaste begeleiding. Faalangst kan je immers overwinnen.



of toch niet?

02/05/2019
we hebben een supercomputer! (© Lie Van Roeyen | dwars)
🖋: 

Begin 2019 verschenen er in de media berichten dat UAntwerpen samen met het onafhankelijke onderzoekscentrum IMEC de krachtigste supercomputer van het land had aangeschaft. Wij raakten nieuwsgierig en stuurden onze verantwoordelijke IT samen met een computerleek uit onze redactie naar de buitencampus om dit verder uit te zoeken. Kurt Lust, consultant voor de high performance computers van CalcUA vertelde ons meteen dat de nieuwe computer helemaal niet zo ‘super’ is als de media beweren.

Wanneer is een computer ‘super’? “De norm voor supercomputers evolueert voortdurend. In 1977 werden de weersvoorspellingen gedaan met een supercomputer. Als je dat toestel vergelijkt met de eerste iPhone dertig jaar later dan blijkt dat die smartphone krachtiger is", schetst Lust, "toch noemt niemand een iPhone een supercomputer. Het nieuwe toestel dat dit jaar is aangeschaft, een Nvidia DGX-2, heeft zestien speciale chips om op te rekenen.” Vervolgens wordt duidelijk waarom dit geen supercomputer is. “De krachtigste computer ter wereld van dat type heeft 27648 dergelijke chips. Als je meer dan duizend keer trager bent dan de snelste, is het moeilijk om nog van een supercomputer te spreken.”

 

De norm voor supercomputers evolueert voortdurend.

 

Supercomputers zijn er vooral om complexe berekeningen op uit te voeren. De Nvidia DGX-2 is overigens niet de enige ‘supercomputer’ die op onze universiteit ingezet wordt. “We hebben bij CalcUA twee clusters: de oude heet Hopper, naar Grace Hopper, die volgens een anekdote de term 'computer bug' introduceerde toen haar team een mot vond in hun computer. De nieuwere cluster heet Leibniz. Zo'n cluster is een groep van speciale kleinere computers, zogenoemde nodes, die efficiënt kunnen samenwerken over een supersnel netwerk. Leibniz heeft ongeveer 150 van zulke nodes.”

Het gaat echter niet alleen om het aantal nodes waar een cluster uit bestaat. “Om te bepalen hoe krachtig een computer is, testen experts hoeveel berekeningen hij per seconde kan uitvoeren. Dit noemen we FLOPS (floating point operations per second, nvdr.). De clusters van de universiteit halen zo ongeveer 0,1 petaFLOPS." (0,15 voor Leibniz, 0,07 voor Hopper). Omgerekend zijn dit 100 000 000 000 000 FLOPS, best veel dus.

 

goochelen met cijfers

Hoe snel is het jongste exemplaar precies? “Van de nieuwe DGX-2 wordt gezegd dat hij tot 2 petaFLOPS haalt, maar dat zijn niet dezelfde FLOPS. Om te kunnen vergelijken moet je hetzelfde soort bewerkingen doen met gelijkaardige getallen. Om aan dat hoge cijfer te komen, worden kleine getallen en 'gemakkelijke' bewerkingen gebruikt. Als je de standaard volgt, dan wordt het resultaat opeens zestien keer lager.” Bovendien zijn FLOPS maar een deel van het verhaal, vertelt Lust. “Je moet niet alleen bewerkingen doen, je moet bijvoorbeeld ook je gegevens kunnen bijhouden. Daarvoor is er het RAM-geheugen en de permanente opslag. De DGX-2 heeft wel een snellere permanente opslag, maar hij heeft een stuk minder capaciteit, zo'n 30TB. De capaciteit van CalcUA is nu 100TB en wordt waarschijnlijk nog uitgebreid naar 500TB.”

 

supergebruikers

We hebben al deze hoogwaardige technologie, komen er dan elke dag mannetjes met kromme ruggen naar UAntwerpen om de hele dag berekeningen uit te voeren? "Nee hoor. De clusters worden gebruikt voor allerlei onderzoeken aan de universiteit. De grootste groep gebruikers komt uit de exacte- en ingenieurswetenschappen, maar ook uit de psychologie of sociale wetenschappen komen gebruikers aankloppen die grote datasets moeten verwerken. De meestgebruikte toepassing zijn simulaties. De nieuwe DGX-2 daarentegen is specifiek ontworpen om moderne AI-systemen, specifieker neurale netwerken, uit te voeren.” (Neurale netwerken zijn een techniek geïnspireerd op de werking van het brein, nvdr.)

 

Je zou een subtropisch zwembad naast de universiteit kunnen zetten en daarmee op energie besparen.

 

We horen en lezen steeds vaker dat AI de toekomst is op het gebied van technologie. “Artificiële intelligentie trekt inderdaad veel aandacht naar zich toe omdat het nieuw is”, vertelt Lust, “je moet altijd iets hebben om te verkopen hè. Neurale netwerken zijn sterk in onder andere spraak- en beeldherkenning, maar dat is gewoonlijk slechts een klein onderdeel van een project. Er is zelfs weinig vraag naar aan onze universiteit.”

 

superverbruik

Dan is er nog het stroomverbruik. “CalcUA verbruikt in totaal ongeveer 100 kiloWatt. De DGX-2 zit rond de 10 kiloWatt. Het belangrijkste is dat dit vermogen goed gebruikt wordt”, benadrukt Lust, “de gebruikers moeten hun taken op voorhand klaarzetten zodat de capaciteit goed verdeeld kan worden. Het helpt ook als de gebruikers efficiënte programmacode uitvoeren. In grotere rekencentra moeten gebruikers aantonen dat ze daartoe in staat zijn. CalcUA doet dat niet, we willen het graag laagdrempelig houden.” 

“Om het verbruik omlaag te halen wordt tegenwoordig bij supercomputers meer en meer waterkoeling gebruikt”, vervolgt de consultant, “nieuwe systemen kunnen al koelen met water tot 35 graden. Dit is enorm voordelig omdat het water niet meer apart gekoeld moet worden. Het water dat buitenkomt is dan 45 graden en kan nog gebruikt worden voor verwarming. Je zou een subtropisch zwembad naast de universiteit kunnen zetten en daarmee energie besparen.”



editoriaal

02/05/2019
80-20 (© Alex Noels | dwars)
🖋: 
Auteur

In de naam van journalistiek (en for the fun of it) heb ik voor een webreeks een maand lang plastic afgezworen. Een flinke uitdaging waarbij specifieke producten als yoghurt en toiletpapier meer dan de helft van mijn energie en tijd opslokten. Toch was het grootste deel simpel, snel en niet duur.

Het deed me denken aan de 80-20-regel die een goede vriend in mijn leven heeft geïntroduceerd. De regel komt erop neer dat met een klein deel van de oorzaken, een groot deel van de gevolgen kan worden verklaard. Schoonmaken was zijn favoriete toepassing: je kan tachtig procent schoonmaken met twintig procent van de energie. Het laatste beetje vuil kost veel meer energie om weg te krijgen en kun je voor het zicht net zo goed laten schieten. Ik zal er maar niet bij vertellen dat hij in een keuken werkte.

Deze 80-20-verhouding is niet helemaal nieuw. Bekend als het Pareto-principe wees het eerst en vooral op het sociaaleconomische fenomeen dat tachtig procent van het bezit in de handen van twintig procent van het volk ligt, maar blijkbaar is het op van alles toepasbaar. Als studenten deze regel omarmen, kunnen ze hun stress en faalangst misschien vaarwel zeggen: denk aan die ene paper waar je met weinig moeite iets fatsoenlijks kan neerzetten, maar tegen beter weten in besluit om eerst al je energie in overmatig bronnenonderzoek te steken. Of dat examen waarvan je negen van de tien hoofdstukken snapt en toch meer tijd besteedt aan dat laatste moeilijke hoofdstuk dan aan de rest bij elkaar. 

Toch, dit is de laatste dwars waar ik mijn handtekening onder zet en ik ben te trots om daar niet honderd procent voor te gaan. Voor sommige van jullie juni-examens zal dit vast ook gelden. Misschien dat ik vanaf de zomer naar 80-20 switch. Vijfentwintig jaar is te jong om met pensioen te gaan, maar zo’n 80-20-leventje klinkt niet verkeerd!