het laatste woord

03/10/2022
krantenuitknipsels van letters die het woord 'rubber ducking' vormen (© Edith Coen | dwars)
🖋: 
Auteur

Je zal het maar voorhebben: het ligt op het puntje van je tong en toch kan je er niet opkomen. Dat ene woord ontglipt je keer op keer. Ook dit jaar schiet dwars alle schlemielen in zulke navrante situaties onverdroten te hulp. Maandelijks laten we ons licht schijnen op een woord waar de meest vreemde betekenis, de meest rocamboleske herkomst of de grappigste verhalen achter schuilgaan. Deze editie piept dwars naar rubber ducking.

Ken je dat, wanneer je je kop aan het breken bent over een probleem; je hebt al duizend-en-een mogelijke oplossingen bekeken, die allemaal samenkomen in hun gemeenschappelijk falen. Je weet steeds minder wat je met je probleem moet en dan komt er iemand van de fucking Studentenraad binnen om te vragen of je een met hun logo bedrukte roze badeend moet hebben? Wellicht was dat laatste iets te specifiek om met regelmaat in het leven van de gemiddelde lezer te laten opduiken. En dat is best jammer.

Badeendjes zijn namelijk fantastische probleemoplossers, al zullen ze zelf nooit zulke onzin uitkwaken en zichzelf bescheiden facilitators noemen. Rubber ducking is een techniek waarbij je aan een willekeurig object in gewone mensentaal je probleem vertelt. De hoop is dat je in het uitleggen van je probleem zelf de oplossing uitvogelt. Het concept is afkomstig uit de wereld van de software development, specifiek het debuggen van code. Die code wordt lijn per lijn uitgelegd tot op natuurlijke wijze op het probleem wordt gestoten. Het fenomeen heeft dan ook vele verschillende namen, naargelang welk object wordt gebruikt. Sommigen vinden het geanimeerd spreken tegen iets als een badeend wat vreemd en verkiezen bijvoorbeeld hun huisdier.

Eigenlijk is het dus niet zo’n vreemd concept: de meeste mensen zijn bekend met zowel het in hun hoofd formuleren van een probleem als de ervaring dat ze in het midden van een uitleg erachter komen dat er met een eenvoudige ingreep een net nog ingewikkeld overkomend probleem opgelost kan worden. “Ah nee, laat maar hangen”, klinkt het dan wel eens. Rubber ducking blijkt dus ook in het dagelijkse leven een nuttig instrument, zo nuttig zelfs dat er nogal wat psychologisch onderzoek naar het effect gebeurt en het ook in andere disciplines steeds meer als ernstige techniek komt aandrijven.

Het gaat bij rubber ducking vooral om het probleem te verkruimelen en handje per handje in de gedachtenvijver te strooien tot je opnieuw het overzicht krijgt van welk brood je nu eigenlijk op je bord hebt. Door het uitleggen herschik je de informatie in een talige structuur waardoor een aha-erlebnis tot stand kan komen. Sommigen schatten het effect dusdanig sterk in dat het hen ertoe leidt de conclusie te trekken dat ook een aanzienlijk deel van gesprekstherapie eigenlijk berust op het vrij en veilig uitspreken van de moeilijkheden die de patiënt ondervindt en dat therapeuten vooral badeendjes moeten zijn die niet al te veel zeggen. Al gokken we dat de meeste psychologen daar anders over piepen. 



Humans of UAntwerpen

03/10/2022
Kurt Vervloet (© Hanne Collette | dwars)
🖋: 

Kunstenaar of topsporter, bejaarde of ondernemer, geen enkele soort ontspringt de dans. Je wordt op een dag wakker met de intense drang om je aan Universiteit Antwerpen in te schrijven. Het gevolg: zo veel vreemde vogels dat het uitzonderlijk wordt om normaal te zijn. Elke maand zetten wij een bijzondere student in de kijker. 

In één woord omschrijft Kurt Vervloet (50) zich als een speler. Een theaterspeler, om precies te zijn. Daarnaast is hij ook bouwer van een woonboot, ex-leraar in de gevangenis, liefhebber van melkchocolade en sinds dit academiejaar weer student aan UAntwerpen. 

“Ik ben een speler. Dat wist ik al toen ik achttien was, maar ik ben dat uit het oog verloren tot mijn vijfenveertigste”, zegt hij over die lijst aan opmerkelijke tijdsbestedingen. Meer dan vijfentwintig jaar lang was hij op zoek naar zichzelf, wat blijkt uit zijn studiekeuze. Op zijn achttiende koos hij namelijk niet voor een theateropleiding, maar voor Germaanse Filologie in Antwerpen, wat hij niet afmaakte. Zonder diploma belandde hij in het sociaal werk, met als taak lessen Nederlands te geven aan anderstaligen en laaggeletterden beter te leren lezen en schrijven. “Ik heb ook veel les gegeven in de gevangenissen in Hoogstraten en Turnhout. Er is veel van dat soort werk in de Kempen”, vervolgt hij. Dan volgt een bijzondere toevoeging: “Ik heb ook een woonboot gebouwd. Aan de zwaaikom in mijn geboortedorp waar die woonboot in lag, zette ik een spiegeltent van rond 1900, die ik volledig restaureerde. Dat werd een ongelooflijk mooi beeld: het was het eerste kunstwerk dat ik gemaakt heb, en eigenlijk had ik dat als kunstwerk moeten laten bestaan. Ik ben vijfentwintig jaar lang op zoek geweest naar mezelf en heb dat vijfentwintig jaar lang op een foute manier gedaan, met veel drank en drugs in allerlei vormen en maten. Als je op zoek bent, dan doe je heel veel verschillende dingen. Als je er niet achter komt wie je bent, wel wíl diep in je binnenste, maar het er niet durft laten uitkomen, dan doe je heel veel om daar rond te wandelen. Zo heb ik ook zes maanden alleen in een bos gewoond.”  

Op zijn vijfenveertigste besloot Kurt om met alles te stoppen en in therapie te gaan om af te kicken. Toen heeft hij besloten om te gaan doen wat hij op achttienjarige leeftijd al wou: spelen. “Ik heb de kans gekregen om te spelen in diverse theatervoorstellingen in verscheidene culturele centra. Het is op die manier aan de weg timmeren: mensen uitnodigen, programmatoren proberen te overtuigen ter plekke komen kijken en hopen dat zij daarop inpikken, maar ik geef niet op.” Die kansen zoekt hij ook buiten de muren van een theaterzaal, bijvoorbeeld in het café waar ik hem na de voorstelling spreek. Een voorkeur voor locatietheater of een zaal heeft hij niet, volgens hem hangt het meer van zijn prestatie en het publiek af dan van de plek. “Of je nu in een schitterend cultureel centrum in een rode pluche met een fantastische belichting bij een geluid dat 200 procent correct is, of je zit in een achterafkroeg, als het verhaal sterk is en het goed wordt gebracht, kan je mensen boeien. Al is dat makkelijker met een publiek dat de codes kent en niet door de zaal roept, natuurlijk.” Acteren lijkt zijn ding wel te zijn. In 2017-2018 keerde hij terug naar UAntwerpen, ditmaal om enkele vakken van Theater-, Film- en Literatuurwetenschappen te volgen. Hij werd verliefd op film en speelde een rolletje in Torpedo, een film van Sven Huybrechts die in 2019 uitkwam. “Theater is een makkelijker medium, zeker als soloartiest, maar het is een stiekeme droom nog eens in een film te spelen”, vertrouwt Kurt me toe. 

Of het nu op de planken, op locatie of op het scherm is, Kurt speelt en laat daarbij zijn alcoholverleden achter zich. “Dat is de keuze die ik toen gemaakt heb, al is het nog elke dag een gevecht.” De moeilijkste momenten zijn die tussen optredens door, wanneer cafébazen hem een pintje aanbieden. “Nee, ik moet geen pintje hebben en ze accepteren dat dan vaak ook wel, maar dat blijft een oeps-reactie. En na drie voorstellingen op een dag schiet het wel eens door mijn kop dat een tripel deugd zou doen.” Hoewel hij het achter zich wil laten, doet zijn moeilijk verleden wel nog dienst als inspiratiebron voor zijn creaties. “Alles wat ik meemaak, meegemaakt heb, hoor of zie, is inspiratie. Dat heb ik geleerd door de jaren heen. Een woord, een flard, een beeld, een situatie waar ik zelf deel van uitmaak of die ik zie op een terras, zeker wel.” Momenteel werkt hij niet alleen aan theatervoorstellingen, maar geeft hij ook deeltijds opleidingen aan huishoudhulpen. “De mensen die onze maatschappij vaak hierheen haalt en aan een heel laag loon heel zwaar werk laat doen, geef ik veiligheid en productkennis en leer ik omgaan en communiceren met klanten. Ook daar haal ik soms wel inspiratie uit voor personages en situaties.” 

Inmiddels is het eerste theaterstuk uit Kurts eigen pen een feit. Beter dan Elvis?! kwam tot stand in samenwerking met Hans Van Cauwenberghe, die instond voor de regie en coaching. Nieuwsgierig vraag ik Kurt naar de oorsprong van het stuk. “Ik was zes jaar en ik had één goede vriend, en dat was Elvis, hoe raar dat ook mag klinken. Ik ben een kind van de jaren ‘70 en ik zat thuis voor het lp-meubel en daar lag een plaat op. Ik zat ernaar te kijken en ik kan niet zeggen wat het was, maar ik voelde dat het juist was. Het was een aanvoelen, een verbinding die daar gemaakt is en er heel mijn leven bleef. Ik heb bijvoorbeeld in dat bos drie maanden aan een stuk niks anders gedaan dan Elvisdocumentaires kijken. Terwijl de voorstellingen van Beter dan Elvis?! nog lopen, werkt Kurt momenteel ook aan een nieuw theaterstuk met de werktitel Pakje voor u. Hij licht al een tipje van de sluier op: “Het gaat over de moderne tijd waarin we allemaal pakjes willen. Het wordt Romeo en Julia in het pakjessorteerbedrijf, tussen een vluchteling die naar hier komt voor een hongerloon en iemand die afgestudeerd is aan de kunstacademie.” Voor deze voorstelling werkt hij opnieuw samen met Hans Van Cauwenberghe. Maar zelfs als je niet tot in een theaterzaal geraakt, loop je Kurt komend jaar misschien tegen het lijf. Negenentwintig jaar na zijn eerste inschrijving aan UAntwerpen spendeert hij namelijk opnieuw een dag per week in een aula. Hij zal wederom enkele vakken van Theater-, film- en literatuurwetenschappen volgen, met een kunstenaarsstatuut. 



close-up

03/10/2022
Close-up Film (© Amber Peeters | dwars)
🖋: 
Auteur

Studenten en alcohol, dat is een verhaal dat teruggaat tot ver in de geschiedenis. Meestal drinken professoren en leerkrachten niet mee, maar dit is wél het geval in Thomas Vinterbergs Druk (Another Round) uit 2020. Wie van Scandinavische tragikomedies met een realistische feel houdt, moet niet verder zoeken. Als een Oscar voor beste niet-Engelstalige film niet genoeg is, dan zal het feit dat Mads Mikkelsen de hoofdrol vertolkt je misschien kunnen overhalen om Druk te zien.

Een publiek dat de films Doctor Strange of Casino Royale of de tv-serie Hannibal heeft gezien, zal allicht de Deense Mikkelsen herkennen. In tegenstelling tot zijn reputatie om in Engelstalige media schurken van de bovenste (of is het eerder onderste?) plank te spelen, vertolkt hij in zijn Deense films meer alledaagse figuren. In Druk is hij een van de vier leerkrachten op een Deense middelbare school die beslissen om de hypothese van de psychiater Finn Skårderud te toetsen: dat de mens met een te laag alcoholpromillage geboren zou worden. Volgens de psychiater zou een constant gehalte van 0,5 promille creativiteit en ontspanning optimaal bevorderen. De leden van de groep beginnen daarom hun dag met een glas wijn bij het ontbijt (stijlvol) of met een shot sterke drank in de wc’s van de lerarenkamer (minder stijlvol). 

Het experiment levert aanvankelijk positieve resultaten op. Het personage van Mikkelsen, een leerkracht geschiedenis wiens lessen vóór het experiment slaapverwekkend zijn voor de studenten én de kijker, vindt dé manier om de aandacht van zijn leerlingen bij te houden: hij bespreekt het curriculum door de lens van alcohol en beschrijft belangrijke historische figuren op basis van wat ze dronken. Daarnaast probeert hij terug leven in zijn huwelijk te blazen. De drie andere leerkrachten vinden gelijkaardige ingedronken moed om op school studenten warm te maken voor hun eigen vak. Allemaal goed en wel, maar overmoed neemt snel de overhand en uiteindelijk valt de situatie als een kaartenhuis in elkaar. 

Deze film is beslist geen moraalverhaal over alcoholmisbruik, hoewel Vinterberg de Deense drinkcultuur ook zeker niet verheerlijkt. Druk gaat immers niet zozeer over alcohol, maar raakt eerder thema’s aan zoals het schijnbare verlies van je jeugd op middelbare leeftijd en het verlangen om te ontsnappen aan het zwarte gat van de monotonie. Dat is de echte boodschap van de film: jaag je geromantiseerde jeugd niet na, maar leef in het heden (en dat mag best met een pintje erbij). De film verklapt dit eigenlijk al in de openingsscène met een wijze quote van de Deense filosoof Kierkegaard: “Wat is jeugd? Een droom.” Is er dan eigenlijk een houdbaarheidsdatum op iemands jeugd? 

Het is daarom passend dat de laatste scène een bijna dromerige sfeer krijgt – de jonge studenten studeren af en de leerkrachten vieren mee op de kaaien van de stad. Enkele momenten lang voelen zij zich weer jong. Er heerst een roes van overwinning, champagne vloeit rijkelijk en er speelt een liedje af waarvan de kijker niet zeker weet of het binnen het narratief effectief afgespeeld wordt. Het feit dat Mikkelsen vervolgens op het ritme begint te dansen op de kasseien draagt alleen maar bij aan de droomachtige ambiance. Geniet van je jeugd, lijkt Druk te zeggen, maar geniet ook van wat er daarna komt. 

Noot van de auteur: Hoewel het aantrekkelijk lijkt om Mikkelsens moves na te bootsen op de gelijkaardige keien van Antwerpen kan ik het alleen maar afraden, zeker in het geval dat je al boven 0,5 promille zit. 



blikopener

03/10/2022
een plan(eet)tje Mars zwevend in het heelal (© Margaux Albertijn | dwars)
🖋: 

PLASMANT, of voluit Plasma Lab for Applications in Sustainability and Medicine ANTwerp, is een interdisciplinair team van chemici, fysici, ingenieurs en biomedische wetenschappers dat onderzoek voert naar plasmatechnologie. Recent ontdekten ze dat de atmosfeer van Mars kan dienen om CO2 om te zetten in zuurstof en CO. Daarnaast kan stikstof er omgezet worden in een goede basis voor kunstmest. Die elementen kunnen op termijn leven op de rode planeet mogelijk maken, een planeet waar nog nooit iemand een voet aan de grond heeft gezet. Gefascineerd vraag ik Annemie Bogaerts naar het onderzoek. Zij is gewoon hoogleraar aan UAntwerpen, gespecialiseerd in het onderzoek naar plasma en plasma-oppervlak interacties door middel van computermodellering en experimenten, en hoofd van de onderzoeksgroep. 

“Naast vast, vloeibaar en gasvormig is plasma de vierde aggregatietoestand”, verduidelijkt Annemie Bogaerts al meteen. “Het gaat om een geïoniseerd gas. Dat wil zeggen dat het niet gewoon een gas is, maar een reactief gas dat niet alleen uit gasmoleculen bestaat, maar ook elektronen, ionen en andere reactieve deeltjes bevat.” Het is dankzij dat plasma dat de stabiele CO2- en stikstofmoleculen kunnen worden omgezet, juist omwille van die reactieve deeltjes. “Op die manier kan CO2 worden opgesplitst in zijn elementaire bouwstenen, CO en zuurstofatomen dus, en stikstof in twee stikstofatomen. Die reactieve deeltjes vormen nieuwe verbindingen: zo reageren zuurstofatomen met stikstofatomen om zo NO te vormen, de basis voor kunstmest.”  

De essentiële omzetting van CO2 en stikstof gebeurt in een zelfgebouwde plasmareactor. “In onze plasmareactor is de omzetting naar nieuwe moleculen mogelijk met een energie-input van 1 kilowattuur”, vertelt Bogaerts. “Je kan dit vergelijken met de hoeveelheid energie die een microgolfoven van 1000 watt in een uur verbruikt. Door de toevoeging van die energie wordt plasma opgewekt en gebeuren de omzettingen in nieuwe componenten. Je kunt de energie-input vergelijken met kleine bliksemschichtjes die in het gas worden aangebracht. Die schichtjes zijn heel reactief en energetisch en splitsen de gasmoleculen op, eerst in zeer reactieve deeltjes, waarna deze deeltjes opnieuw met elkaar botsen en nieuwe producten vormen. Vooral de snelheid en energie-efficiëntie van de omzetting werden nooit eerder bereikt.” MOXIE, het Mars Oxygen In-situ Resource Utilization Experiment dat aan boord van de Perseverance-rover van NASA werd gehouden, heeft ook het doel aan te tonen dat toekomstige ruimtevaarders zuurstof kunnen maken uit de Marsatmosfeer om te ademen. Voor dat experiment wordt dezelfde energie-input gebruikt, maar de plasmatechnolgie die PLASMANT toepaste, levert zo’n dertig keer meer zuurstof op binnen eenzelfde tijd en de energiekosten ervan zijn zo’n tien keer lager. Om beter te begrijpen wat er exact gebeurt in de plasmareactor en de onderliggende mechanismen te verklaren, hebben de onderzoekers de processen gesimuleerd op de computer. “Op die manier kunnen we voorspellen hoe de moleculen zullen reageren op het plasma en het proces beter sturen”, vertelt Bogaerts. “Die simulatie gebeurt gelijktijdig met de andere aspecten van het onderzoek.”  

Deze plasmatechnologie wordt door PLASMANT al langer onderzocht als toekomstige oplossing voor het klimaatprobleem hier op aarde: ze zou namelijk gebruikt kunnen worden om brandstoffen te genereren op basis van uitgestoten CO2. Deze technologie is daarom bijzonder nuttig voor de chemische industrie. Daarnaast kent ze ook toepassingen in de geneeskunde, waar ze vooral wordt gebruikt voor kankeronderzoek. “Dat kankeronderzoek gebeurt in samenwerking met het Centrum voor Oncologisch Onderzoek”, verduidelijkt Bogaerts. “Maar er zijn ook andere toepassingen binnen de geneeskunde. We zijn bijvoorbeeld ook gecontacteerd door de dienst Intensive Care van het UZA om een oplossing te vinden voor het coronavirus.” Bogaerts noemt het nieuwe Marsonderzoek een spin-off van het al verder gevorderde onderzoek op aarde voor CO2-omzetting: “Doordat we zagen dat op Mars de atmosfeer voor een groot deel uit CO2 bestaat, kwamen we op het idee na te gaan of dezelfde technologie daar gebruikt zou kunnen worden. Om er leven mogelijk te maken, heb je naast zuurstof namelijk ook meststoffen nodig om planten te doen groeien en groenten te kweken. Brandstof is dan weer noodzakelijk om het ruimtetuig terug naar aarde te kunnen brengen en ook ter plekke transport te voorzien. Omdat er grote hoeveelheden nodig zijn en ruimtemissies zo licht mogelijk moeten zijn, is het van belang dat ter plekke te kunnen produceren.” 

Alvorens we werkelijk mensen naar Mars kunnen sturen, zou ook daar een plasmareactor geïnstalleerd moeten worden waarin de omzettingen snel en efficiënt mogelijk zijn. “Hoewel onze reactor al best klein is, is de volgende stap in ons onderzoek dan ook om een nog kleinere lichtgewicht plasmareactor te bouwen. Als we die willen meesturen in zo’n ruimtemissie moet die namelijk zo licht mogelijk zijn. Daarnaast moeten we onze reactor ook nog combineren met scheidingstechnologie. Nu maken we wel zuurstof, brandstof en de basis van kunstmest, maar dat is nog een mengsel. Om zuivere stromen te krijgen, moeten we dat kunnen scheiden van elkaar, wat nodig is voor de levensondersteuning en het vervoer tijdens toekomstige robotverkenning of zelfs menselijke verkenning van de rode planeet.” De resultaten van PLASMANT zijn dus hoopgevend wat betreft de mogelijkheid tot leven op Mars. Ook ESA, het Europees Ruimteagentschap, toonde alvast interesse in het onderzoek. Het agentschap kaart op haar website nog een ander voordeel van de nieuwe technologie aan: de kostprijs. Zuurstof, energie en kunstmest zijn essentieel voor elke langdurige missie naar de rode planeet, maar deze stoffen vanop de aarde naar Mars vervoeren zou maar liefst honderdduizend euro per kilogram kosten. Ruimteschepen zijn dus niet alleen lichter door de stoffen ter plaatse te produceren, het proces is ook goedkoper en efficiënter. Naast het persbericht over dit onderzoek van PLASMANT op hun website toont ESA haar interesse door verdere financiering van het project, al blijft een bemande missie naar Mars een langetermijnplan. 



kennismaken met de Vlaamse Commissie voor Wetenschappelijke Integriteit

03/10/2022
een commissie integriteit (© Linde Verheyden | dwars)
🖋: 

In dwars valt nu en dan het begrip ‘wetenschappelijke integriteit’. Maar wat verstaan we daaronder? Wie bewaakt de wetenschappelijke integriteit? En waar kan ik terecht als ik ‘wetenschappelijk niet zo integer’ gedrag vaststel? Vragen genoeg voor Gert Storms en Bert Seghers, respectievelijk de voorzitter en de secretaris van de Vlaamse Commissie voor Wetenschappelijke Integriteit.  

De Vlaamse Commissie voor Wetenschappelijke Integriteit (verder VCWI) werd in 2013 door de universiteiten, het FWO en twee academies opgericht als Vlaams observatorium voor wetenschappelijke integriteit. De VCWI bestaat uit negen hoogleraren uit de universiteiten in Vlaanderen, met daarbij Bert Seghers als secretaris en een juridisch adviseur. Seghers legt uit: “Onze taak is tweeledig. Enerzijds verstrekken wij algemene adviezen over wetenschappelijke integriteit en anderzijds adviseren wij over concrete klachtendossiers die al behandeld zijn door de CWI van een instelling die aangesloten is bij ons. Dus gesteld dat je niet akkoord bent met het oordeel van de CWI van UAntwerpen, kan je aan ons een tweede advies vragen.”  

Een advies klinkt vrijblijvend. Seghers nuanceert: “Het klopt dat de adviezen in principe niet bindend zijn, maar onze adviezen hebben wel een morele autoriteit. De universiteiten en instellingen hebben ons erkend.” Voorzitter van de VCWI Gert Storms vult aan: “Het is zo dat je bij ons nooit rechtstreeks kunt aankloppen. Je zult eerst bij de CWI van je eigen instelling te rade moeten gaan. Wij kunnen geen disciplinaire sancties opleggen. De Orde der Artsen kan iemand schrappen als arts, een Orde der Wetenschappers bestaat vooralsnog niet.” 

Zoals de naam al laat raden, houdt de VCWI zich bezig met wetenschappelijke integriteit. Maar hoe dit begrip af te bakenen? Storms verwijst naar de ALLEA-code, de Europese gedragscode voor wetenschappelijke integriteit die ook UAntwerpen onderschrijft. “Het is onmogelijk om in een code alles netjes vast te leggen wat wel en wat niet wetenschappelijk integer is. Vandaar dat de CWI’s aan de verschillende universiteiten en de VCWI bestaan. Er kan veel op ons bord belanden waar je met behulp van de ALLEA-code geen sluitende uitspraak over kunt doen. Dan is het aan de interdisciplinair samengestelde commissies om te oordelen of iets wetenschappelijk integer is of niet. Een schending van wetenschappelijke integriteit zou ik zelf omschrijven als gedrag dat de vooruitgang van de wetenschap belemmert.” 

Allemaal mooi en wel, maar om een schending van wetenschappelijke integriteit boven water te krijgen heb je mensen nodig die uit de biecht klappen. Waarom zou ik als personeelslid of student de klok luiden over wetenschappelijk niet-integer gedrag aan de instelling die mijn broodheer is of waar ik wil afstuderen? Het is een bekommernis die Seghers erg bezighoudt. “Ik droom van een wereld waarin universiteiten een dermate open cultuur hebben dat klokkenluiders die onregelmatigheden aan de kaak stellen worden gevierd. In die wereld leven we vandaag niet. Het is door wetenschappelijk onderzoek voldoende gedocumenteerd dat wie uit idealisme een vermeende wantoestand meldt, vaak moet afrekenen met negatieve gevolgen. Denk aan tegenwerkingen in je carrière, zeker als jonge onderzoeker. Daarnaast is er nog veel werk aan de bescherming van klokkenluiders.” 

Storms vult aan: “De ontoereikende bescherming en de negatieve gevolgen maken het een netelige zaak om het melden van wantoestanden te verplichten. Iets waarbinnen de VLIR (Vlaamse Interuniversitaire Raad) wel animo is. De enige reden die ik kan bedenken om misstanden te melden, is dat je zo in elkaar zit en er niet mee kunt leven ze zomaar te laten passeren. Wetenschap die wetenschappelijk wangedrag toelaat, is geen wetenschap. Dat is misschien de beste reden om wangedrag te melden, de mogelijke negatieve gevolgen ten spijt.” 

Schendingen van wetenschappelijke integriteit bestaan er in vele soorten en gewichten. Wie een jaarverslag van de CWI van UAntwerpen erbij neemt, zou mogelijk denken dat het zich beperkt tot plagiaat, zelfplagiaat en onderzoekers die zichzelf als voornaamste auteur zien van een publicatie waarin ze nauwelijks twee komma’s hebben verplaatst. Maar ook belangenvermenging en vervalsing van de onderzoeksresultaten behoren hiertoe, kortom alles wat de wetenschappelijke geloofwaardigheid ondermijnt. 

Seghers benadrukt de ernst van je mogelijke belangenconflicten aangeven als wetenschapper. “Het moet zelfs niet draaien om een werkelijke belangenverstrengeling, als je in je eigen werk iets tegenkomt wat iemand anders kan interpreteren als mogelijke belangenverstrengeling moet je dat al vermelden. Dat is ook wat de ALLEA-code gebiedt. Op dat vlak is er nog werk aan de winkel, zeker nu er steeds meer samenwerkingen zijn tussen industrie en wetenschappers. Als bepaald onderzoek door een bedrijf is gefinancierd, is het belangrijk dat de financier wordt vermeld. Dat wil niet zeggen dat er iets mis is met het onderzoek, maar de lezer moet wel de kans krijgen om zelf in te schatten hoe betrouwbaar de publicatie is.” 

Storms pleit ervoor om alle onderzoek te publiceren. “Als je een contract ondertekent met een externe financier mag die geen clausule bevatten die zegt dat je toestemming moet krijgen als wetenschapper om het onderzoek te publiceren. In Amerika keek onderzoeker Turner naar 74 geregistreerde onderzoeken over antidepressiva waarbij de helft positieve resultaten vond en de andere helft geen effecten. Maar welke onderzoeken verschijnen in de literatuur? Op eentje na worden alle onderzoeken met een positief resultaat gepubliceerd. Van de onderzoeken waarin geen effect werd vastgesteld wordt een derde gepubliceerd alsof het een positief resultaat betreft. De overige studies werden niet gepubliceerd, op een drietal na. Artsen die de literatuur raadplegen zullen denken dat er een overweldigende meerderheid aan studies is met positieve resultaten, terwijl het beeld er een stuk anders uitziet als je naar de originele bronnen kijkt. Dat is een mooie illustratie van hoe belangrijk het is om niet pas te mogen publiceren na toestemming van een financier.” 

Commissie Wetenschappelijke Integriteit UAntwerpen 

Belangrijk om te onthouden: alvorens terecht te kunnen bij de VCWI, zal wie meent weet te hebben van een schending van wetenschappelijke integriteit moeten aankloppen bij de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van UAntwerpen, die in 2010 in het leven is geroepen. Ik sprak met voorzitster Em. Professor Diana Phillips en secretaris Marianne De Voecht.  

Gesteld, een docent heeft stukken van het internet klakkeloos en zonder bronvermelding in zijn syllabus opgenomen. Ik kan dit natuurlijk niet laten gebeuren en wil rechtvaardigheid doen geschieden. Hoe kan de CWI in deze casus nuttig zijn? “Allereerst is er het onafhankelijk meldpunt in de persoon van professor Willem Lemmens”, vertelt De Voecht. “Hij bekijkt de zaak en oordeelt of de CWI de beste instantie is om het dossier te behandelen. Indien dat het geval is, houdt zijn rol daar ook op. Hij maakt geen deel uit van de CWI.” 

“Je moet je als melder goed bewust zijn van het feit dat dit een stevige procedure is”, voegt Phillips toe. “Je ergens kwaad over maken en dit melden is onvoldoende. Je moet een ernstig dossier samenstellen waarop een grondig onderzoek volgt. Een normale case bij ons duurt enkele maanden, er staat dan ook heel wat op het spel. Het is voor een onderzoeker toch wel een zware klap om een blaam te krijgen vanwege een schending van wetenschappelijke integriteit.” 

Niet de enige drempel mijns inziens. Ik mag dan dapper een klacht indienen, het is natuurlijk mogelijk dat ik van deze docent later nog les krijg. Dus ja, waarom zou ik me de moeite en de risico’s getroosten hiervan melding te maken? Bert Seghers wees er al op dat klokkenluiders vaak op negatieve persoonlijke gevolgen kunnen rekenen. “Je kunt geen volledig anonieme melding doen”, vertelt De Voecht. “Wat wel kan, is dat je aan het onafhankelijk meldpunt vraagt om anoniem te blijven ten aanzien van de CWI of dat je wel bekend bent voor ons en anoniem blijft voor de persoon tegen wie je dossier is gericht. Het is niet altijd evident om anonimiteit te waarborgen. Soms is het bijvoorbeeld duidelijk dat de melding maar van een handvol personen kan komen, denk aan auteurskwesties.” 

Ik laat me in de denkbeeldige case door niets of niemand afschrikken en heb een lijvig dossier ingediend dat na maanden grondig onderzoek een eindpunt kent. Ik ben benieuwd naar de sanctie die de docent in kwestie krijgt. “Net zoals de VCWI zijn we geen tuchtorgaan”, verbetert De Voecht me. “Het is geen juridische procedure. De CWI doet vaststellingen en op basis hiervan formuleert de CWI een advies waarin we ook al vervolgstappen aanbevelen en dat advies maken we over aan de rector. Soms geven we ook een algemeen advies wanneer we binnen een specifieke case ondervinden dat bestaande regels of richtlijnen te onduidelijk zijn. De melder en de betrokkene ontvangen een omstandig rapport van ons advies en kunnen binnen de maand ook nog reageren.” 

Ik vraag me ten slotte af of de CWI bekend genoeg is. “Ik zie het aantal cases groeien,” zegt Phillips, “maar we moeten daar zeker aan blijven werken, net zoals we het als onze taak zien om de bewustwording rond wetenschappelijke integriteit aan te wakkeren. Onderzoekers zijn zich niet altijd bewust van wat tot problemen kan leiden. We willen ook een proactieve rol vervullen. Denk aan infosessies en de doctorandidagen waar uitleg over wetenschappelijke integriteit een vaste component is.” 

 

Meer informatie over wetenschappelijke integriteit op UAntwerpen vind je hier.



Buitenlandse rechtstelsels (Elise Goossens) - lesopname 10 mei 2022

03/10/2022
een student zittend op een stapel dwarsen (© Fien Pauwels | dwars)
🖋: 

Omdat dwars niets zo dierbaar is als de onderwijskwaliteit aan UAntwerpen, zal dwars discreet plaatsnemen in de verschillende aula’s en de lessen aldaar met milde strengheid beoordelen. Op de mediasite, zeg maar het VRT MAX, Streamz en Netflix tegelijk van de lesopnames, zocht ik in afwachting van het nieuwe jaar naar hoogwaardig vertier. Zo kwam ik uit bij het in de tweede bachelor Rechten gegeven vak buitenlandse rechtstelsels.  

De naam van het vak buitenlandse rechtstelsels dekt de lading overtuigend daar het vak gaat over rechtstelsels die allesbehalve Belgisch zijn, zoals de rechtstelsels van de VS en het Verenigd Koninkrijk, toevalligerwijs diegene die in dit college worden behandeld. Ik hoor de lezer al jammeren: “Wat zijn studenten met praatjes over recht van over het Kanaal of verder gebezigd? Leer ze de vernuftige doch juridisch kloppende belastingconstructies opzetten die mij een glimmende bolide besparen of laat ze alle juridische binnenwegen kennen om mijn toekomstige ex het bloed onder de nagels te onttrekken in plaats van ze te verstrooien met rechtstelsels waarmee ze wellicht nooit te maken krijgen.” Een willekeurige les buitenlandse rechtstelsels volstaat ruimschoots om deze jammerklacht af te doen als onzin. Bijvoorbeeld omdat een mens er kennis vergaart die handig is in een quiz, zoals het feit dat het Verenigd Koninkrijk geen grondwet heeft wat bewijst dat een land kan functioneren zonder, of vergeet maar wat ik schreef. En dat de inwoners van Washington D.C. in het Amerikaanse parlement niet vertegenwoordigd zijn, maar wel netjes belastingen betalen of in het andere geval ontduiken. Belangrijker is dat docente Elise Goossens theorie en praktijk naadloos met elkaar verbindt. Het hoogtepunt van het college situeert zich zonder meer in het laatste uur waarin ze na een heldere uiteenzetting over het Amerikaanse Supreme Court, enige tijd om verkeerde redenen onder Belgen het bekendste rechtscollege na Twitter en Facebook, de abortuskwestie in Amerika bespreekt vanuit juridisch oogpunt. Hierbij gaat ze grondig in op de dan huidige situatie (abortus is een grondwettelijk gewaarborgd recht) en de potentieel toekomstige situatie die vandaag de huidige situatie is (staten beslissen of ze abortus verbieden of niet). Ofschoon het Supreme Court enkele weken later Roe versus Wade zou terugdraaien, wierp Goossens een blik in haar glazen bol wat Amerika stond te wachten als dit zou geschieden. En het geschiedde inderdaad, waardoor de tweedejaars bachelorstudenten van de universiteit van Antwerpen een hoop krantenpagina’s konden overslaan, zij waren immers al perfect op de hoogte. Om maar te zeggen dat het vak buitenlandse rechtsstelsels misschien in juridische middens niet de naam heeft van gerechtelijk recht, personen- en familierecht of inleiding tot het privaatrecht, maar daarom niet minder essentieel is in de rechtenopleiding, omdat het de studenten uitdaagt te reflecteren over recht op een bedje van historische evoluties waarbij de link tussen recht en de maatschappelijke en politieke context wordt benadrukt zonder gegijzeld te worden door het zicht op de kerktoren. Dat alles wordt in goede banen geleid door de in proffenkantines maar ook elders altijd jeugdige Elise Goossens, die moeiteloos verbanden en verschillen aanhaalt met rechtstelsels in Oost-Timor alsook met obscuurdere rechtstelsels en die hier en nu in deze katern een mooie toekomst wordt voorspeld. Net als de tweede bachelorstudenten in de rechten van 2021-2022, om wie de meest prestigieuze advocatenkantoren en andere liefdadigheidsinstellingen zullen strijden zoals Zelenski voor een vierkante meter Oekraïne vanwege hun verruimde blik op de wereld, niet in het minst dankzij het vak buitenlandse rechtstelsels gedoceerd door Elise Goossens. 



03/10/2022
het gebouw van Vaccinopolis (© UAntwerpen | dwars)
🖋: 

In juni opende Vaccinopolis de deuren op Campus Drie Eiken. De instelling zal onderzoek verrichten naar vaccinaties. dwars nam een kijkje achter de schermen en sprak met vaccinoloog Pierre Van Damme, hoofd van het Centrum voor de Evaluatie van Vaccinatie (CEV).  

Het is een grijze dinsdagochtend wanneer ik met Pierre Van Damme heb afgesproken in Vaccinopolis. In de vergaderruimte waar het interview plaatsvindt is het rustig. Een handvol technici legt de laatste hand aan het gebouw, voor de rest ligt Vaccinopolis er verlaten bij. Bij het ter perse gaan van dit artikel zal de bedrijvigheid zijn toegenomen. “In oktober neemt het klinisch personeel van de ambulante studies zijn intrek in Vaccinopolis”, vertelt Van Damme. “We hopen dat we op het einde van het jaar de toestemming krijgen om hier mensen te laten verblijven.” 

De indeling van Vaccinopolis verdient een woordje uitleg. In het testcentrum kunnen twee soorten onderzoek worden uitgevoerd. Op de eerste verdieping zijn er laboratoria, wachtkamers en consultatieruimtes voorzien voor ambulante studies. Bij dat soort studies krijgen testpersonen een kandidaat-vaccin toegediend waarna ze op regelmatige tijdstippen op controle komen. Wat Vaccinopolis onderscheidt van andere onderzoekscentra is de mogelijkheid voor CHIM-studies (Controlled Human Infection Model). Bij deze provocatiestudie worden testpersonen opgedeeld in twee groepen. De ene groep krijgt een kandidaat-vaccin toegediend, de andere groep wordt met een placebovaccin ingeënt. Daarna worden de testpersonen besmet met een afgezwakte ziekteverwekker. Uit veiligheidsoverwegingen gebruiken onderzoekers nooit de natuurlijke kiem van een ziekteverwekker en worden de testpersonen afgesloten van de rest van de samenleving. “Je wil natuurlijk niet dat de ziekte waarmee we de testpersonen besmetten zich verspreidt onder de bevolking”, licht van Damme toe. “Bovendien kunnen provocatiestudies enkel doorgaan bij goedkeuring door het Federaal Agentschap FAGG van de overheid en een ethische commissie.” 

Het provocatieonderzoek in Vaccinopolis kent twee veiligheidsniveaus. Bij niveau BSL-2 kunnen de testpersonen de quarantaineverdieping niet verlaten, maar mogen ze wel contact met elkaar leggen in gemeenschappelijke ruimtes. Bij niveau BSL-3 worden de deelnemers in volledige isolatie geplaatst. Tijdens het onderzoek mogen ze hun kamer niet verlaten. Enkel klinisch personeel met beschermende kledij heeft toegang tot de kamers van de testpersonen. Ingenieuze sluissystemen zorgen ervoor dat zij op een veilige manier de afgesloten ruimtes kunnen betreden en verlaten. Na een bezoek aan de quarantainezone moet het klinisch personeel grondig douchen.  

Voorwerpen die uit de afgezonderde ruimtes komen, worden eveneens grondig ontsmet. “Omdat gsm’s en laptops in tegenstelling tot kledij moeilijk te ontsmetten zijn, vragen we aan de testpersonen om alle digitale bestanden die ze nodig hebben tijdens hun verblijf op te slaan in de cloud en onze eigen iPads te gebruiken”, licht Van Damme toe. Niet alleen voorwerpen uit de quarantainezones kunnen virusdeeltjes bevatten. Omdat virusdeeltjes zich ook kunnen verspreiden via de stoelgang van de testpersonen is Vaccinopolis uit veiligheidsoverweging niet volledig aangesloten aan het rioolnet. “Het douche- en toiletwater van testpersonen wordt samen met de labovloeistoffen verzameld in een vat van 10.000 liter”, vertelt Van Damme. “Vanaf 2000 liter gaat er 750 liter naar een zogenaamde killtank waar ziektekiemen onder hoge temperaturen (121 °C) geïnactiveerd worden.” 

Omdat een testcentrum voor vaccinatie aan strikte veiligheidsvoorwaarden moet voldoen, zijn er weinig gelijkaardige instellingen. Wereldwijd zijn er ongeveer tien vaccinatieonderzoekscentra, waarvan een beperkt aantal op het Europese continent. In tegenstelling tot Vaccinopolis hebben deze instellingen een kleinere capaciteit en blijft het veiligheidsniveau vaak beperkt tot BSL-2. Omdat uitwisseling van kennis cruciaal is bij vaccinatieonderzoek drukt Van Damme de wens uit om een netwerk uit te bouwen dat de verschillende testcentra met elkaar verbindt. 

 

voorgeschiedenis en nabije toekomst 

Vaccinopolis is niet het eerste vaccinatietestcentrum van het CEV. In 2017 verrees op de parking van het UZA het quarantainedorp Poliopolis. “Op vraag van het consortium dat gefinancierd werd door de Bill & Melinda Gates Foundation wilden we een nieuw poliovaccin testen op volwassenen”, vertelt Van Damme. “Aanvankelijk zou het onderzoek plaatsvinden in een leegstand pand, maar omdat we de stoelgang van de testpersonen moesten scheiden van de normale rioleringswegen was dit geen optie. Poliopolis was een tijdelijke faciliteit. Toen de goedkeuring na twee jaar was afgelopen, lagen er plannen klaar voor een definitief gebouw, maar door de kabinetscrisis van 2018 belandde het dossier onderaan de stapel. Bij de uitbraak van COVID-19 blies de overheid opnieuw leven in het project. UAntwerpen kreeg subsidies voor een gedeeltelijke financiering van Vaccinopolis en sloeg de handen in elkaar met de VUB, die de respons van vaccinatie op het lichaam zal onderzoeken.” 

Vaccinopolis werd in recordtempo gebouwd. De werken werden aangevat in januari 2021 en in maart van dit jaar vond de officiële opening plaats. Alvorens het onderzoekscentrum in gebruik zal worden genomen moeten de nodige testen worden uitgevoerd. “Het neemt maanden in beslag om te kijken of het gebouw aan de strikte bio-veiligheidsvoorwaarden voldoet”, vertelt Van Damme. Voordat de provocatietesten van start gaan, doorloopt het CEV een proefproject. “Eind november laten we een twintigtal mensen een dry run doen. Deelnemers zullen telkens twee dagen in BSL-2 en BSL-3 verblijven. Hierbij worden ze niet ingeënt of besmet. Tijdens het proefproject zullen we verschillende procedures testen. In nauwe samenwerking met de brandweer, de politie en het UZA simuleren we een medische urgentie en organiseren we een brandoefening. Met dit proefproject willen we duidelijk maken dat het menens is met de procedures en de strikte voorbereidingen.” 

Wanneer het proefproject succesvol is doorlopen, kunnen de activiteiten in Vaccinopolis van start gaan. “Het overleg met de eerste bedrijven en internationale instellingen is al begonnen”, licht Van Damme toe. “Twee studies naar aangepaste kinkhoestvaccins staan al op het programma. Het is een kwestie van tijd alvorens we een nieuwe generatie covidvaccins kunnen testen; omdat er nog geen behandeling bestaat voor covid kan er geen provocatiestudie worden toegepast. Onderzoekers in het Verenigd Koninkrijk hebben ondertussen al wel een provocatiestudie voor een covidvaccin uitgevoerd. Er werd hierbij beroep gedaan op de ondersteunende behandeling die wel al bestaat. Bovendien waren de testpersonen steeds tussen de achttien en dertig jaar oud, een leeftijdsgroep die minder verwikkelingen heeft bij een besmetting. Op het Europese vasteland en in de Verenigde Staten ligt dat soort onderzoek gevoeliger. We mogen niet vergeten dat de ziekte nog steeds een pandemisch potentieel heeft waardoor het de volksgezondheid kan schaden. Anderzijds kan je de vraag stellen of het wel nut heeft om mensen af te zonderen van een samenleving waarin het virus nog steeds circuleert. Is een ambulante studie dan niet interessanter?”  

“Het is momenteel een moeilijke afweging. Een provocatiestudie houdt risico in, maar kan een vaccin vroeger op de markt brengen. Bij de ontwikkeling van een vaccin moet een heel proces doorlopen worden. De eerste stap waarbij we het vaccin blootstellen aan het menselijk lichaam moet nog steeds genomen worden. De tweede stap, waarbij we een groot aantal testpersonen inschakelen, kan eventueel worden overgeslagen. Dat bespaart tijd en middelen, wat belang heeft voor de volksgezondheid op wereldschaal. Ethische commissies voeren nu deze discussie op Europees niveau. Ik verwacht begin 2023 resultaten. Zowel kleine biotechondernemingen als grote farmaceutische bedrijven hebben uit voorzorg al een plaats gereserveerd in Vaccinopolis. 2023 zal een druk jaar worden...” 

 

een gezonde geest in een gezond lichaam 

Pierre Van Damme en Bart Van Meerbergen, de head of operations die de bouw van het project opvolgde, nemen me mee op sleeptouw doorheen Vaccinopolis. Aangekomen in de gemeenschappelijke ruimtes wijzen ze me op het gebruik van pastelroze in het interieur. De zachte kleur straalt rust uit. Er is ook nagedacht over ontspanningsmogelijkheden. Een witte muur is vrijgehouden voor het projecteren van films, er staan een pool- en pingpongtafel en op het dakterras kunnen testpersonen een luchtje scheppen. Hoewel er keuze genoeg is om de verveling tegen te gaan, zullen doorgewinterde sportievelingen wel even op hun tanden moeten bijten. In de vrijheidsruimtes is namelijk geen enkel fitnesstoestel te bespeuren.  

“Een bewuste keuze”, licht Van Damme toe. “In Poliopolis was er wel een fitnessruimte voorzien. Deelnemers kregen zelfs advies van een professionele coach. Helaas zorgde al dat fitnessen voor een negatieve bijwerking. Mensen die lang opgesloten zitten, zijn vatbaar voor overcompensatie. Ze zoeken hun heil in wat ongezondere voeding of gaan juist fanatiek sporten. Het overdadig fitnessen zorgde voor een stijging van spierenzymen in het lichaam van de testpersonen, eveneens een mogelijke negatieve bijwerking van een vaccin. Toen we de resultaten van het onderzoek publiceerden moesten we hier rekening mee houden. Uit veiligheidsoverwegingen bieden we in Vaccinopolis dus geen fitnesstoestellen aan.” 

Een deelname aan een provocatiestudie is een uitdaging. Personen die lange tijd worden afgezonderd van de samenleving moeten sterk in hun schoenen staan. De kandidaat-deelnemers worden op voorhand onderworpen aan een psychologische en medische screening. “Het is belangrijk om te testen of deelnemers wel gezond zijn”, vertelt Van Damme. “Mentale sterkte is eveneens vereist omdat de testpersonen soms twee weken afgescheiden zijn van hun vrienden, familie en geliefden.” 

De psychologische en medische ondersteuning stopt uiteraard niet aan de deuren van de quarantaineafdeling. “Dezelfde psychologen die de deelnemers hebben gescreend komen twee keer per week op bezoek. In het begin van een provocatieonderzoek geven de meeste testpersonen aan dat ze geen psychologische ondersteuning nodig hebben. Wanneer het onderzoek zijn einde nadert, zijn ze toch dankbaar voor de psychologische hulp. De psychologen zijn niet alleen een luisterend oor voor de testpersonen, ze geven ook tips.” 

“De artsen dragen eveneens hun steentje bij. Het medisch personeel vervult tijdens het onderzoek de functie van huisarts. Bij hun dagelijkse consultatie, waarbij de vitale parameters worden gecontroleerd, voeren de artsen een gesprek met de testpersonen. Zo zijn ze op de hoogte van de gemoedstoestand van de deelnemers en kunnen ze antwoorden op mogelijke vragen.” 

 

tussen vier muren 

Deelname aan een vaccinatiestudie is geen evidente keuze. Wat drijft personen die de stap wagen? “Studies tonen aan dat het profiel van testpersonen voor ambulante studies op het profiel van personen die bloed schenken lijkt”, licht Van Damme toe. “Het gaat vooral over studenten en altruïstisch ingestelde personen. Een deelname aan een klinische studie is steeds risicovol, maar zonder vrijwilligers komt er geen doeltreffende medicatie op de markt. Denk aan het vaccin tegen baarmoederhalskanker. Dankzij de deelname van duizenden vrouwen aan het vaccinatieonderzoek is het vaccin goedgekeurd en zijn er brede vaccinatiecampagnes opgestart. Daardoor kunnen we nu vaststellen dat de frequentie van deze ziekte duidelijk afneemt.” 

“Het profiel van personen die zich meerdere weken laten opsluiten voor een provocatiestudie is onduidelijker”, vult Van Damme aan. “Zowel alleenstaande studenten als mensen met een gezin stellen zich kandidaat. Vooral mensen met een duidelijk doel voor ogen doorstaan de quarantaine het beste.” Zo bleek Poliopolis een inspirerende locatie. Van Damme somt een groep mensen op die hun tijd in het quarantainedorp nuttig hebben besteed: “Er was een architect die zijn projecten vanop afstand aanstuurde, een masterstudent die aan zijn scriptie werkte en een persoon die een boek schreef. Natuurlijk waren er ook testpersonen die zich na enkele dagen al begonnen te vervelen. Vooral de vierde en laatste week was lastig voor hen.” 

Dat een afgezonderd bestaan zwaar op het gemoed kan wegen hebben we de afgelopen jaren aan den lijve ondervonden. Anno 2022 zijn termen zoals ‘quarantaine’ en ‘isolatie’ ook gangbaar buiten de muren van onderzoekscentra. Het coronavirus bracht vaccinologie wel onder de aandacht en zorgde zelfs voor ontwikkelingen binnen het vakgebied. Door de opeenvolging van pandemieën is de nood aan innovatief onderzoek groter dan ooit. “Sinds de grieppandemie van 2010 is er meer vraag naar provocatiestudies”, stelt Van Damme vast. “We herbekijken ook de wijze waarop we een vaccin toedienen. Zo leidt de schaarste van de apenpokkenvaccins tot creatieve oplossingen. Intradermale injecties waarbij we een kleine dosis toedienen in de huid in plaats van onder het spierweefsel, winnen aan belang.”  

Bij het buitentreden van Vaccinopolis krijg ik een melding van een nieuwsapp. Het onderwerp: de vaccinatiecampagne van de overheid. Het coronavirus mag dan even op de achtergrond verdwenen zijn, de kans dat de besmettingscijfers dit najaar weer de hoogte in schieten blijft reëel. Het thema vaccinologie is nog steeds brandend actueel. Achter de reflecterende panelen van Vaccinopolis zal aan de toekomst worden gewerkt. 

Interesse in een deelname aan een ambulant of quarantainevaccinonderzoek? Via deze link schrijf je je in voor de mailinglist. 



deel 1

03/10/2022
de evolutie van de mens tot de homo sapiens sapiens (© Edith Coen | dwars)
🖋: 
Auteur

Toen de dieren nog spraken, begon de homo sapiens sapiens ermee. Taal bleek een nuttig instrument om allerlei dingen mee te regelen, dus de meme die ze uiteindelijk is, overleefde het om met de soort samen te vallen. Zo werden woorden de kroning van de menselijkheid, het ideale medium om zowel noodzakelijkheid als je eigen noden op te enten. Onze meandertaler hoopt daarom met zijn zwelmend gezwalm eindelijk toe te kunnen treden tot de hoogste klasse der mens: de pseudo-intellectueel. 

Net gehersenspoeld door mijn les filosofie besef ik dat ik doorweekt ben van angst. Het lijkt niet dat ik me hier even fris onderuit kan lullen. Ik gooi mijn achterkamer overhoop en dep de druppels van mijn voorhoofd. Na regen schijt de zon omhoog, bedenk ik me, en het rustige evenwicht van instabiliteit lijkt zich terug in mijn ruggenwerf te nestelen. Ik trek mijn boekenkast open, op zoek naar woorden om aan te trekken. Het daagt me dat mijn lot me goedgezind is: ik vind wat zin om me mee te kleden. Vooralsnog blijft m’n zijnsgat bedekt, de spiegel ligt niet aan diggelen, na elke rede volgt een punt. 

“Vergewis je niet, we zijn verder dan ooit gekomen”, weet ik mijn spiegelbeeld te overhalen. “De strepen die doorheen je zelfbeeld lopen zijn slechts schijn, klevers over een glasplaat.” Ik probeer in mijn ogen te speuren achter zelfverloochening. Uiteindelijk kan je steeds maar in één oog kijken en is de halve waarheid het hoogste goed. “Niet te veel verwachten”, hoor ik mezelf nog mompelen. Het geloof in de belofte dat ik voor de eeuwigheid mijn eigen beste vriend zou zijn, stilt mijn honger naar wraak om het leven. Ik lach mezelf toe. Even. 

En zo kruip ik dagelijks uit mijn angsten, door opnieuw te beginnen zeiken. Net als elk van ons bouw ik aan de leugen die zich onophoudelijk uit ons weet te uiten: dat het uitmaakt. Dat we iets te bieden hebben aan de chaos, behalve meer ervan; dat de onbezonnenheid van ons bestaan onbezonnen overwonnen kan worden. De stenen trappen van mijn nieuwe kot lopen zwaar, ik voel mijn gedachten treden. Welke keuze hebben we ook anders dan de maat der dingen te zijn? Als we, zoals ons universitairen betaamt, blindelings in ons wetenschappelijke paradigma geloven, zijn we uiteindelijk niet veel anders dan een zichzelf voortstuwende papzak bloed en kalk. Die op tijd en stond, weet ik als ik eenmaal in de keuken aangekomen een vaal uitslaand smeermes vind, een boterham met kersenconfituur tot zich neemt. 

We meten om te weten hoe we de kosmische grap weer een dag kunnen volhouden. Zo stellen de vragen zichzelf: wat is de beste alcoholefficiëntie per euro die ik in dit café kan consumeren? Hoeveel uren moet ik blokken om een veilige 11 te halen? Hoeveel penislengtes kabel heeft een ingenieur nodig om de brug niet te laten instorten? Dit brood is duidelijk oudbakken; wat ga ik vanavond eten? Veel groter of kleiner denken leidt tot onbespreekbare waanzin, waarbij we abstracte termen postuleren als waarheid. 

Half aangekleed en nog minder gevoed bedenk ik me dat welk pad we ook met dat tellen willen bewandelen ongeveer even duidelijk is als de opzet van mijn nieuwe columnreeks. Betekenis moet in het breed uitgesmeerd worden op de oudbakken korst van verleden generaties. Als kersenconfituur, en daarna tegen de muur. We zijn alweer het ‘nieuwe jaar’ in; ook studenten zijn in die zin ‘matig’, dat is al lang en lang bekend, neurie ik, mijn jas aantrekkend. 

Dus misschien is het vage midden wel beter. Geruststellend wat woordjes in volgorde denken terwijl je naar de winkel gaat om aardappelen en worst. Willekeurige associaties zijn het enige wat ik vertrouw. Het maakt niet uit welke richting je zinnen doelen, richting zelf ruikt naar taalmisbruik. Terwijl de woorden moeten vloeien. Bloeien. Het is het kloppend nulpunt van de ijkloze mens dat ons van het ene moment in het andere stuit. Een refentietje hier, een dubbelzinnigheid daar... alles overrelationeel gekoppeld aan weer wat anders, dansend als elkaar de hand gevende parachutespringers in vrije val. Een onophoudelijke leugen, waarvoor we elke dag met liefde moeten kiezen. 



poëzie

03/10/2022
een close-up van een roze pioen (© Hanne Collette | dwars)
🖋: 

Pioentje van me
Zoentje
Grien toch niet
Ik koos je
knuffel lief

Gibber je geil
Giechel ik trien
Bestal je hartje
Dief

Partje nemen
Met je delen
Stukje van
Mijn dromen

Binnen komen
Kruip je, krioel me

Heet je koppig
Blijf ik noemen

Hou ik van
Zoveel ik kan
Mijn pioentje
Zeme zoentje



nieuw humortheaterfestivalcongres in Antwerpen

01/10/2022
poster van het evenement 'Food for Laughs'
🖋: 

Mag er nog gelachen worden? De kans is klein dat iemand volmondig nee antwoordt op die vraag, maar de nuances van enig mogelijk antwoord liggen wat lastiger. Ook binnen theater is het een vraag die volop speelt en een waarop netwerkorganisatie OPENDOEK naar antwoorden wil zoeken. Dat doet ze met Food for Laughs, een mengvorm van een theaterfestival en een congres. Ook enkele professoren aan UAntwerpen werken mee.

Don Verboven van OPENDOEK vertaalt Food for Laughs als “festival slash congres slash ontmoeting tussen theatermakers en iedereen die met theater en humor bezig is.” Het aanvankelijke idee voor een humorfestival bestond twee jaar geleden al. “Toen de vraag naar een humorfestival gesteld werd, was ik eigenlijk niet zeker of we daarmee moesten beginnen. Moesten we niet eens nadenken over humor voor we een festival organiseren?” vertelt Verboven. “Aanvankelijk stelde ik een congres voor, maar dat is uiteindelijk geëvolueerd naar de festival-congreshybride die we nu hebben. Ik vind dat ook niet slecht: het zou raar zijn om te praten over humor zonder een keer te kunnen lachen, niet?” Zo’n opvatting past ook goed binnen het doel van OPENDOEK. Als netwerkorganisatie is het hun taak om hun dertigduizend leden te ondersteunen en te begeleiden in hun amateurtheater, opdat ze kunnen groeien, maar ook om speelkansen te bieden aan al die gezelschappen. 

“We willen al die mensen samenbrengen, want er bestaan veel vragen over humor. Denk maar aan de discussie rond FC De Kampioenen”, stipt Verboven aan. “Spelen we die afleveringen nog af of niet? Dat is een fundamentele discussie die je op een gegeven moment als maatschappij moet voeren: hij gaat tenslotte over de grenzen van humor. Wanneer kwets je, waar leg je de grens? Als maatschappij bouw je daar een kader voor. Nu, die grens staat nooit echt vast en verschuift steeds. Wij vinden dat we daarover in discussie moeten gaan.”  

Zo een discussie wordt bijvoorbeeld in Let’s Laugh Together gevoerd, de late-nightvoorstelling. Johan Petit keek in zijn platen- en boekenkast naar alles waarmee hij vroeger moest lachen. Die selectie zal hij voorleggen aan een kritisch panel, dat bestaat uit Damiaan De Schrijver en Gorges Ocloo, en aan het publiek. Verboven: “Kunnen we daar nu nog mee lachen? Humor evolueert. Tegelijkertijd organiseren we Food for Laughs ook om de gezelschappen nieuwe teksten te laten ontdekken. Veel groepen zijn tenslotte constant op zoek naar een goed, nieuw repertoire, teksten die én actueel en modern én humoristisch zijn.” Met workshops en masterclasses wil Food for Laughs de theatergezelschappen nieuwe teksten en technieken aanreiken. Ook dat is deel van de ontmoeting die ze willen bewerkstelligen. 

De ontmoeting willen faciliteren betekent niet dat Food for Laughs ambieert elke vraag die ze stellen op te lossen. “Als we ze opgelost krijgen, des te beter”, lacht Verboven. “Maar we willen vooral horen wat er leeft. Op zaterdagavond zetten we Lectrr, huiscartoonist van De Standaard, en Dick Zijp, professor aan Universiteit Utrecht, samen. Lectrr stelt dat grenzen aan humor niet nodig zijn: met zijn cartoons wil hij zelfs voor een stuk provoceren.” Lectrrs visie wordt deels bepaald door zijn werk bij Cartoonists Rights Network International, een organisatie die wereldwijd cartoonisten opvangt die vanuit regimes te maken krijgen met censuur. Ook werd Lectrr al met de dood bedreigd om zijn cartoons en kreeg hij daarvoor politiebescherming. “Zijp denkt vanuit academische hoek na over waar de grenzen van humor liggen. Door zo’n ontmoeting en door vragen te stellen zullen er nieuwe vragen opkomen.” Aan het einde van Food for Laughs wordt alles samengebracht in De Grote Revue, gebracht door Ruud Gielens. “Misschien trekken we zelfs al enige conclusies!” 

Niet alle grenzen aan humor liggen op dezelfde plek: er zijn ontzettend verschillende soorten humor. Slapstick werkt anders dan sarcasme bijvoorbeeld. Verboven knikt. “Daar starten we het festival mee: we hebben aan Karel Vanhaesebrouck, professor aan ULB en RITCS, gevraagd om een kader te schetsen. Samen met anderen reflecteren we over dat kader. Toch is het goed om een startkader te hebben, dan heb je een lexicon om na te denken over al die vragen. De rode draad doorheen alle soorten humor is dat komische en de humor die daaruit vloeit. Lachen kan heel louterend werken: door humor kan je soms dingen zeggen die anders niet gezegd kunnen worden.” 
 

Food for Laughs gaat door van 7 tot en met 9 oktober in Antwerpen. Meer informatie vind je op hun site. Werd jouw interesse geprikkeld door dit artikel? Houd onze sociale media goed in de gaten en maak kans om gratis congrespassen voor Food for Laughs te winnen!