08/12/2025
 [FRANKENSTEIN (1818) - DE MENS IN HET MONSTER] (© [Lotte Mertens] | dwars)
🖋: 
Auteur

Toen ik Frankenstein twee jaar geleden op de literatuurlijst zag staan, dacht ik eerlijk gezegd meteen aan een Hollywoodmonster met schroeven in zijn nek en een gestoorde wetenschapper in een torenkamer. Wat ik kreeg, was iets heel anders: een existentiële tragedie, een verhaal over schuld, eenzaamheid en de grenzeloze honger naar kennis. Hoewel ik het toen las uit verplichting, ontdekte ik tot mijn verrassing dat het een van de eerste boeken in lange tijd was die ik met oprecht plezier verslond.
 

Mary Shelley schreef Frankenstein toen ze nog maar achttien jaar was, op een stormachtige nacht in 1816. Samen met haar man, Percy Bysshe Shelley, en hun vriend Lord Byron daagde ze zichzelf uit om het engste verhaal te schrijven dat ze kon bedenken. De inspiratie kwam uit een droom: een jonge wetenschapper wekte iets onnatuurlijks tot leven en kreeg meteen spijt. Uit die nachtmerrie ontstond een roman die vaak de eerste sciencefictionroman ooit wordt genoemd.

Het verhaal begint met brieven van poolreiziger Robert Walton, die tijdens zijn expeditie een uitgeputte man uit het ijs redt: Victor Frankenstein. Terwijl de stormen om hen heen razen, vertelt Victor zijn verhaal. Gedreven door een ontembare honger naar kennis en roem probeert hij het geheim van het menselijk leven te ontrafelen. Hij slaagt daarin, maar wanneer zijn schepping de ogen opent, verstijft hij van afschuw. Het wezen dat hij tot leven heeft gebracht, blijkt niet het wonder dat hij voor ogen had, maar een spiegel van zijn eigen hoogmoed.

Het naamloze monster is niet de hersenloze karikatuur die de popcultuur ervan maakte. Het is intelligent, gevoelig, nieuwsgierig en verlangt wanhopig naar liefde en aanvaarding. Maar de wereld, en zijn eigen schepper, wijzen hem af omwille van zijn uiterlijk. Dat verandert zijn onschuld in woede en de tragedie die volgt is even wreed als onvermijdelijk.

De vraag wie hier het echte monster is, maakt Frankenstein zo aangrijpend. Shelley schreef geen horrorverhaal in de klassieke zin, maar een spiegel van de mensheid. Haar thema’s zijn tijdloos: de drang om te scheppen, de grenzen van ambitie, de nood aan verbondenheid. Ze toont hoe isolatie iemand kan breken, hoe oppervlakkig oordeel en angst voor het vreemde de menselijkheid zelf ondermijnen. Shelleys taal is niet altijd eenvoudig, maar glanst als een bliksemflits in het duister.

Frankenstein is geen verhaal over een monster, maar over wat het betekent om mens te zijn. Nu de dagen korter worden en de Halloweensfeer nog in de lucht hangt, is er geen beter moment om dit verhaal opnieuw tot leven te wekken. Want twee eeuwen later klopt het hart van Mary Shelleys schepping nog altijd: een herinnering dat de monsters die we het meest vrezen vaak uit onze eigen handen geboren zijn.



08/12/2025
 [DWARS DOOR ANEKDOTES UIT DE STUDENTENJOBWERELD] (© [Silke Ramaekers] | dwars)
🖋: 

Alle studenten die ooit een studentenjob hebben gehad, weten dat zo’n job je meer oplevert dan alleen wat extra centjes. Studentenjobs zitten vol verhalen die je nooit meer vergeet, van onverwachte blunders tot akelige klanten. In dit artikel bundelt dwars de meest absurde anekdotes van studenten uit allerlei sectoren. 
 

De eerste week van mijn studentenjob in een supermarkt verliep een tikje anders dan ik had verwacht; ik werd ingezet als spion. Mijn missie was om een aantal klanten te volgen waarvan de andere medewerkers vermoedden dat ze af en toe stalen. De instructies waren simpel: trek een dikke jas over je uniform heen, neem een karretje alsof je doodgewoon je wekelijkse boodschappen komt doen en volg de verdachte winkelgangers. Uiteindelijk heb ik één crimineel betrapt. Het was een oud vrouwtje dat ocharme niet kon wachten om haar gloednieuwe croissant op te eten voordat ze aan de kassa was en achteraf vergat ze die te betalen …
- Luca

Een oud vrouwtje bestelde een warme chocomelk, die ik vervolgens voor haar maakte. Even later stond de vrouw weer aan de toog, dus ik vroeg of er iets mis was. Zij antwoordde: “Er zit melk in mijn chocomelk, ik wil geen melk.” Ik wist niet goed wat ik moest zeggen, dus ik vroeg of ze hem dan met warm water wilde hebben. “Nee, ik wil chocomelk, maar ik wil die melk niet”, antwoordde ze. Mijn manager was er ondertussen bij komen staan, maar zij was even radeloos als ik. De manager vroeg haar: “Wat wilt u dan wel, als u geen melk wil?”, waarop de vrouw antwoordde: “chocomelk”. Deze conversatie duurde zo’n zeven minuten en mijn manager en ik waren allebei helemaal verloren. Uiteindelijk is de vrouw hoofdschuddend terug naar haar tafeltje vertrokken, met de chocomelk weliswaar. 
- Alana

Op een dag kwam er een zakenman binnen in de koffieshop waar ik werk en hij vroeg om een dubbele espresso. Ik vertelde hem dat de espresso’s die wij serveren sowieso al dubbele espresso’s zijn, waarop hij antwoordde: “Dat is goed, dan wil ik dáár een dubbele van.” Voor de zekerheid vroeg ik hem: “Dus u wilt een vierdubbele espresso?”, waarop hij jaknikte. Ik maak voor hem een vierdubbele espresso en hij neemt het kopje aan, kapt het in één teug naar binnen, zonder melk, zonder suiker en vertrok. 
- Lola

Het café waar ik werk, opent ‘s morgens om 10u, maar op een dag kwam er een man binnen om 9u, terwijl wij alles aan het voorbereiden waren om te kunnen openen. Hij vroeg of hij toch niet al een koffietje kon krijgen en even mocht gaan zitten. Mijn baas vond dat niet erg en liet hem blijven. Hij haalde zijn computer tevoorschijn en begon te werken. Heel de voormiddag lang heeft hij daar gezeten, met een klein koffietje. Rond de middag borg hij zijn spullen op en vertrok, om vervolgens een halfuur later weer terug te komen en opnieuw een koffie te bestellen. Hij is er blijven zitten tot sluitingstijd. De volgende dag gebeurde net hetzelfde en de dag nadien ook. Hij heeft dat elke dag gedaan gedurende anderhalve maand: vóór openingstijd binnenkomen, twee koffietjes bestellen en een halfuurtje verdwijnen om ergens anders zijn lunch te eten. Uiteindelijk is mijn baas wel even gaan vragen of hij niet eens iets meer zou willen bestellen, aangezien hij een hele dag lang een tafel bezet hield. Hij stak zijn duim op, pakte zijn spullen in en vertrok. Never saw him again.
- Lorenzo

Ik werk in de McDonald’s in Maas­mechelen. Er kwam een man langs het drive-throughraam om te vragen of alles zeker in zijn bestelling zat. Ik had die zak gemaakt, dus ja, alles zat erin. Tien minuten later kwam hij kwaad terug en snauwde dat hij twintig nuggets miste. De managers probeerden hem te kalmeren en gaven hem uiteindelijk toch maar die twintig nuggets. Nadat de man weer vertrok, praatten de managers na over hoe onbeleefd hij was geweest. Toen ik terugkwam en vernam wat er aan de hand was, zei ik: “Twintig nuggets? Dat had hij helemaal niet besteld, ik heb zijn bonnetje nog nagekeken!” Ze keken zijn bonnetje ook na. En jawel: nul nuggets besteld. De man had dus zomaar even twintig gratis nuggets bij elkaar geschreeuwd. 
- Axl

In het restaurant waar ik werk, kregen we dagelijks hetzelfde trio over de vloer: een dochter, haar mama en de oma. Ze waren zo’n vaste waarde dat ze onder het personeel zelfs een bijnaam kregen, ‘de stinkertjes’, want hun lichaamsgeur was net iets minder legendarisch dan hun aanwezigheid. Op een dag kwam alleen de oma binnen. Ze vertelde dat ze ruzie had gemaakt met de anderen, net nu ze binnenkort samen op vakantie zouden vertrekken naar Mallorca. Haar dochter en kleindochter wilden plots niet meer mee. Geen probleem, vond oma, ze zou gewoon iemand anders zoeken. En dus vroeg ze doodleuk aan mijn collega of hij zin had om twee weken met haar mee te gaan. All-in, volledig betaald, hij hoefde niets te doen. Hij mocht zelfs iemand meenemen. Mijn collega bedankte vriendelijk, maar besloot toch maar te passen. Hij moest werken en, fluisterde hij later, hij was er niet helemaal zeker van of hij de bijkomende geur zou overleven. 
- Lotte

Toen ik in Amsterdam bij een IT-bedrijf werkte, was er afgesproken dat we ieder beleg zouden meebrengen voor de lunch, brood was er voorzien. Uiteraard was ik dat die dag weer eens vergeten. Iemand drukte me een blok kaas in de hand, samen met een vreemd metalen ding. Ik had geen idee wat ik ermee moest. Het leek op een driehoekig schepje dat je gebruikt om bakstenen te metselen, dus begon ik de kaas maar met de zijkant ervan te snijden. De Nederlanders om me heen lagen natuurlijk dubbel. Ik vooral van plaatsvervangende schaamte, want ik wist echt niet wat het moest voorstellen. Bleek dus dat ze me een kaasrasp hadden gegeven. Er zit blijkbaar een gleufje in waarmee je perfect plakjes kaas kan snijden. Weer wat bijgeleerd. 
- Robbe



08/12/2025
 [WEES STERK GENOEG OM TE BREKEN] (© [Rabiatou Jalloh] | dwars)
🖋: 
Auteur
Auteur extern

Vastgoed


De wachttijden bij psychologen en psychotherapeuten worden steeds langer. Media schrijven dag in dag uit hoe ongelukkig onze generatie is. Gelukkig is er al meer aandacht voor mentaal welzijn, wat al een grote stap is! Toch krijgt nog steeds een op de vier Vlamingen ooit te maken met psychische problemen. Iedereen kent wel iemand die ermee kampt, of misschien jijzelf? Waarom voelt het nog altijd ongemakkelijk om erover te praten? Is het niet tijd dat we dit doorbreken?
 

Ik ben even in opname geweest, werd ongeveer een halfjaar begeleid en vandaag krijg ik nog altijd ambulante hulp. Door mijn verhaal te delen, hoop ik dat die wereld wat minder eng wordt.
 

ik zal als eerste gaan!

Ik ben de jongste van drie kinderen en kreeg al vroeg te horen dat ik hoogbegaafd was. Mijn beide oudere broers waren nogal wild en kwamen maandelijks op de spoedafdeling terecht. Omdat mijn ouders hun handen vol hadden met de lompheid van mijn broers, cijferde ik mezelf weg. Ik creëerde één regel voor mezelf: zorg dat je geen last bent. Hallo faalangst, welkom perfectionisme.

In het zesde middelbaar waren er plots veel veranderingen. Mijn vrienden vonden andere dingen interessanter. Ik maakte veel ruzie met mijn lief. Mijn cijfers daalden. Ik kon niet slapen door alomvattende stress. Mijn ‘perfecte’ leven ontspoorde en ik zag het niet meer zitten. Ik wou alles laten stoppen ... gelukkig werd ik tijdig gevonden.

Wist je dat je bij je huisarts ook een afspraak kan maken voor een persoonlijk gesprek over hoe jij je voelt? Zo is het bij mij gegaan. Ik was bang om bij een psycholoog langs te gaan, want dan zou ik moeten toegeven dat het mentaal slecht met mij ging. Ik was niet sterk genoeg om te breken. Mijn arts luisterde, haalde mijn mama erbij en stelde een opname voor. 

Vijf dagen later meldde ik mij aan bij een centrum voor geestelijke gezondheidszorg. De afdeling waar ik zat, was de ‘open crisisopname’. Crisisopname is meestal residentieel (lees: je blijft daar slapen). ‘Open’ betekent dat je er vrijwillig bent en dat je de opname op elk moment kan stoppen. Je moet ook niet binnen het gebouw blijven en vrienden mogen zelfs op bezoek komen.

Drie van mijn vrienden hadden genoeg moed om langs te komen. Slechts vijf durfden mij een berichtje te sturen. Eerlijk? Velen denken dat je met rust gelaten moet worden wanneer je in opname zit. Dat is totaal niet waar. Ik wou dat meer vrienden of klasgenoten mij een bericht hadden gestuurd of hadden gebeld. Ik voelde mij afgesloten van het sociale leven; iedereen ging door met zijn leven, er ontstond nieuwe drama, maar ik wist eerst van niks. Gelukkig had ik mijn beste vriendin. Zij was volledig op de hoogte van alle roddels. Toen ik eens terugkwam, zei iemand tegen mij: “Je bent precies nooit weggeweest.” Dat deed mij minder uitgesloten voelen.

Zo’n crisisopname heeft een duidelijk doel: eerst tot rust brengen, dan samen bekijken welke hulp er verder nodig is. Na afloop zijn er drie mogelijkheden: geen verdere hulp, ambulante begeleiding door een psycholoog of een behandelopname. Die laatste kan zowel residentieel als in dagopname.

Ik ben doorgestuurd naar een behandelopname, specifiek gericht op jongeren. Ik vergeleek mijn dagopname altijd een beetje met naar het speelplein gaan: ‘s ochtends toekomen en ‘s avonds vertrekken, overdag activiteiten en elke middag (!) warm eten. Deze activiteiten zijn geen spelletjes, maar ‘sessies’. Wekelijks is er een gesprek met de toegewezen psycholoog en maandelijks (samen met de ouders) een trajectbespreking.

Elk centrum voor geestelijke gezondheidszorg heeft zijn eigen manier van werken, zelfs de afdelingen verschillen van elkaar. Dit is gewoon een voorbeeld. Ik heb mijn traject kunnen afronden net voor de start van het academiejaar. Het betekent niet dat alles nu vanzelf loopt, maar dankzij de steun van mijn omgeving, durf ik nu wél te breken.
 

UAntwerpen zegt: “jouw mind matters!”

Tijdens de Mind Matters Week merk je hoe hard UAntwerpen inzet op mentaal welzijn. Er is een uitgebreid aanbod aan niet zomaar willekeurige activiteiten: therapiehonden, een open mic, bosbaden ... Zelf ben ik naar de comedyshow van Soe Nsuki geweest en dat was een goede start van mijn weekend. Alle workshops, lezingen en activiteiten maken het thema van mentaal welzijn meer bespreekbaar en geven praktische handvaten om hiermee om te gaan. Het is niet zo individueel en persoonlijk als therapie, maar ze hebben hetzelfde doel: jongeren sterker maken.
 

nog wat gouden raad 

Bij sommigen merk je sneller op dat ze zich minder goed voelen, maar ook de mensen die erg sterk lijken, kunnen van porselein gemaakt zijn. Er zijn heel wat jongeren die zich blijer en sterker voordoen dan ze werkelijk zijn. Soms is het nodig om op elkaar te kunnen leunen.

Wat kan je doen voor anderen? Probeer op een rustig moment iemand aan te spreken waar je bezorgd over bent en kaart aan waarom. Door open te praten en vragen te stellen, kan je samen de ernst van het probleem inschatten.

Blijf rolvast, je hoeft het probleem niet zelf op te lossen. Merk op en verwijs door; hulpverlening moet sowieso hulp bieden en privacy behouden. Is de drempel hoog, bied dan aan om samen een afspraak te maken of om de eerste keer mee te gaan naar de afspraak en wacht dan aan de inkom of in de wachtzaal. Misschien raak je met twee wél de drempel over.

Er zijn veel opties voor gratis hulp! Ze zijn er niet om een oordeel uit te spreken, maar wel om jou te helpen, daarom zijn het ook hulpverleners.

Een mooi voorbeeld is Tejo, waar je gratis en anoniem een gesprek kan voeren met een psycholoog. Tejo is er voor jongeren tot 25 jaar en heeft een aanbod in Antwerpen, maar ook in andere steden. Tejo Antwerpen vind je in de Bredestraat 2, dicht bij de Arenberg.

Daarnaast is er ook heel wat telefonische hulp beschikbaar, zoals Awel (102) tussen 16u en 22u. Tele-Onthaal (106) is 24/7 bereikbaar en de Zelfmoordlijn (1813) is dat ook! Twijfel dus niet als je hulp nodig hebt en bel.

De examens en bijhorende stress komen dichterbij en sommigen voelen de winterdip al aankomen. Maar je komt erdoor. Want met een keertje bellen, kan je elkaar verder helpen.



productontwikkeling van bij ons

08/12/2025
 [DE SPORTBEHA] (© [Hanne Colémont] | dwars)
🖋: 

Een sportbeha lijkt misschien een eenvoudig kledingstuk, maar achter comfort, stevigheid en ergonomie schuilt veel meer dan je denkt. dwars sprak met studenten Productontwikkeling Janne, Marte, Feiye en Merel, die zich volledig richten op dat ene product: de sportbeha. Marktonderzoek en interviews met sporters laten zien hoe een ogenschijnlijk klein product veel creativiteit en innovatie vraagt.
 

"Ik was overal een beetje goed in, maar nergens echt," zegt Janne. "Productontwikkeling is een beetje van alles, daarom past het zo goed." De opleiding voelt voor alle drie de studenten als architectuur voor producten en is heel breed: van een simpele drinkfles tot complete fietssystemen. Je leert ontwerpen, technologie, ergonomie en gebruikersgericht denken in één pakket. Soms werken ze aan minder glamoureuze opdrachten, "zoals dat composttoilet," lachen ze. Juist die mix toont hoe breed en creatief de richting is en daar vinden ze zichzelf wel in. Productontwikkeling gaat niet alleen over vormgeven, maar over het hele proces: van idee tot dienst, van product tot ervaring en zelfs contact met andere velden. Feiye geeft een voorbeeld: “Denk maar aan de Velo in Antwerpen: je ontwerpt niet alleen een fiets, maar moet ook denken aan het praktische, en ook aan de app...”
 

springsporten vragen om meer

Het idee van de sportbeha ontstond niet toevallig. Binnen het vak DesignWorks mochten de studenten een project kiezen, voorgesteld door het communicatiedepartement van de universiteit. “We vonden het gewoon heel interessant”, vertelt Janne. “Een sportbeha is een cruciaal onderdeel van je sportervaring.” Toch merkten ze dat er verrassend veel problemen zijn: slechte pasvormen, pijnpunten, te weinig ondersteuning. Ze focusten zich op springsporten en werkten samen met een volleybalploeg. Daar werd één ding meteen duidelijk: “Er mogen geen harde stukken in zitten, omdat zij duiken en springen en dat doet gewoon pijn.” Daarnaast worstelen veel sporters met het aan- en uittrekken van een sportbeha, vooral de klassieke overheadmodellen. “Maar we kijken ook naar de grotere maten”, vult Marte aan. Opvallend genoeg bestaat er nauwelijks onderzoek naar sportbeha’s. Er zou in 2010 een doctoraat gedaan zijn, maar veel meer vonden de studenten er ook niet over.
 

wat in het klaslokaal begint, eindigt in ontwerp

Wanneer ze vertellen welke vakken nu van pas komen, moeten ze niet lang nadenken. "Toegepast onderzoek, zeker". Interviews, enquêtes, data verzamelen, het sluit perfect aan bij hun project. Ook Prototyping en Materialenleer komen rechtstreeks terug in hun ontwerpwerk. Niet alles voelt even nuttig. "Marketing was niks voor mij, maar als je ooit een eigen bedrijf wil, is het wel handig," lacht Janne.
 

het veld in

Dankzij het contact met de volleybalploeg konden de studenten meteen de praktijk in. Ze stelden een enquête op en interviewden spelers tijdens een match. Die eerste data vormen nu de basis voor hun schetsen en prototypes. Ze weten dat het van de eerste keer geen perfect ontwerp zal worden – “trial-and-error hoort erbij” – maar hun doel is duidelijk: minstens één degelijk prototype testen binnen de korte looptijd van de opdracht. “Misschien kunnen anderen die er meer verstand van hebben daarop verder bouwen”, lacht Feiye. De interviews leverden vooral input van jongere sporters, dus ze willen nu ook andere vrouwen bereiken. “De huid wordt naarmate je ouder wordt elastischer en zal een andere manier van ondersteuning nodig hebben.” Gegevens verzamelen bleek gelukkig geen probleem. “Er was geen taboe. Volleyballers praten overal over, zeker als het door vrouwen en voor vrouwen onderzocht wordt.” Bij het ontwerpen kijken ze automatisch ook naar duurzaamheid – niet omdat het moet, maar omdat het in hun vingers zit. "Dat leer je doorheen de jaren." Tussen de testen ontdekten ze zelfs iets opvallends: een sportbeha verliest na ongeveer 25 wasbeurten al zijn rek. Misschien willen ze daar iets aan veranderen, al blijft dat voorlopig een zijspoor naast hun hoofdopdracht.
 

de roze bril

Wanneer het gesprek richting de toekomst gaat, moeten ze lachen. Feiye vertelt: “Als we nu afstuderen en alles loopt perfect – een roze bril en al – dan zouden we met vier meteen een bedrijf starten.” De ambitie is er, maar de realiteit volgt: funding, patenten ... Toch is het marktpotentieel heel helder en met sterke partners die al interesse tonen, voelt de toekomst minder veraf dan gedacht. Ondertussen werkt Janne ook intens aan haar masterproef die opnieuw op vrouwen is gericht: genderspecifieke bescherming binnen defensie. Ook hebben de studenten geleerd om disciplines te verbinden, van biologie tot product engineering. "Dat is eigenlijk onze kracht," besluiten ze. "We kunnen met iedereen praten, iedereen begrijpen. Ook wel “de paraplu blik”, aldus Feiye.

Wat begon als een project voor een vak van drie studiepunten groeit dus uit tot meer dan een ontwerp. Het is een oefening in onderzoek en creativiteit én een kleine stap in een grotere beweging richting vrouwgericht design.



08/12/2025
 [JE PERFECTE MATCH-A] (© [Lotte Mertens] | dwars)
🖋: 
Auteur

Matcha is een groene thee in poedervorm die in korte tijd is uitgegroeid tot een vaste waarde op menukaarten en sociale media. Toch is niet iedereen grote fan, voor sommigen is de smaak simpelweg te bitter of te grassig. dwars neemt je graag mee in de wereld achter de groene hype. Waar komt matcha vandaan, en is het echt zo gezond als vaak wordt beweerd?
 

Hoewel matcha vooral in Japan wordt geproduceerd, ligt de oorsprong in China. Tijdens de Tangdynastie werden theebladeren vermalen tot poeder en met heet water opgeklopt tot een groene thee. Die werd gedronken voor een lange meditatiesessie omdat het zorgt voor een rustige helderheid. In de twaalfde eeuw bracht de Japanse boeddhist Eisai theezaadjes en de maaltechniek naar Japan. Daar ontwikkelde het productieproces zich verder tot de traditionele theeceremonie of chanoyu. Het drinken van matcha is er niet zomaar een routine, maar een moment van mindfulness en respect voor traditie.
 

matcha madness

Matcha kwam in de zestiende eeuw al naar Europa, maar werd toen gezien als iets heel exotisch. Door Japanse restaurants en de opkomst van wellness leerden ook wij matcha beter kennen. Het groene poeder werd op sociale media al snel bestempeld als superfood en in de post-coronaperiode, waarin gezondheid en welzijn centraal staan, was dit het begin van een echte trend. Vandaag vind je matcha in bijna elke koffiebar en in talloze producten, van KitKats tot tandpasta. Niets is te gek, terwijl de theeplanten steeds sneller moeten groeien om deze hype te kunnen volgen.
 

magic matcha 

Het poeder zit boordevol antioxidanten, vitamines en het aminozuur theanine. Volgens onderzoekers kan het immuunsysteem hierdoor beter ondersteund worden, wat mogelijk bescherming biedt tegen ontstekingen, kanker, hartziekten en zelfs dementie. Toch zijn de meeste van deze claims gebaseerd op beperkt onderzoek en eerder commerciële praatjes. Langetermijnstudies ontbreken nog, waardoor enige voorzichtigheid op zijn plaats blijft. Volgens experten kunnen één à twee kopjes matcha per dag de gezondheid bevorderen, maar meer dan dat is niet aan te raden door de aanwezige cafeïne. 

Wat wel duidelijk is: matcha is veel meer dan een trendy drankje. Het is een eeuwenoude traditie die zich een weg heeft gebaand naar de moderne wereld, van meditatie in oude kloosters tot coworking in hippe koffiebars. En of je het nu lekker vindt of niet, deze groene golf lijkt voorlopig nog niet te gaan liggen.

Voor alle matchaliefhebbers en voor wie na al dat lezen zelf wil ontdekken waar de groene hype nu echt om draait, stelden we een lijstje samen met de beste matcha in Antwerpen. Als je op de Stadscampus tussen de lessen door een sterke matcha latte wil halen, kan je het best langsgaan bij Velka (vier euro). Trek je liever wat verder het centrum in, dan zijn Kukai, Noa en Nordica uitstekende plekken voor een heerlijke matcha (vijf euro).



08/12/2025
[ALSC: GRATIS JURIDISCH ADVIES VOOR EN DOOR STUDENTEN] (© [Manon Laenen (extern)] | dwars)
🖋: 

Stel je voor: terwijl je in je beddenbak op kot ligt te slapen, druppelt er water van het plafond op je neus en  lig je te rillen van de kou omdat de radiator niet werkt. Best vervelend. Nog vervelender is dat je kotbaas niet van plan is hier ook maar iets aan te doen, maar wel te pas en te onpas binnenkomt. Als dat nog niet vervelend genoeg is, blijkt ook nog eens dat je werkgever weigert je loon uit te keren én je wordt onderweg naar de campus aangereden door een fietser die een stoplicht negeert. Iedereen komt wel eens in aanraking met een juridische vraag, ook studenten. Mocht een juridisch probleem jouw pad als student kruisen, kan je gelukkig een beroep doen op Antwerp Law School Consultancy (ALSC). 
 

Deze belangeloze vereniging werd in 2021 opgericht naar voorbeeld van de Brusselse zustervereniging BLSC (Brussels Law School Consultancy). Het doel van deze enthousiaste groep rechtenstudenten is tweeledig. Enerzijds bieden ze laagdrempelig juridisch advies aan. Anderzijds willen ze rechtenstudenten aansporen hun kennis om te zetten in de praktijk en zo waardevolle ervaring op te doen. De legal consultants verwerken per semester tussen de twintig en de dertig adviezen. Hun werking wordt gefinancierd door bereidwillige partners uit het werkveld en met een bijdrage van Universiteit Antwerpen als erkende studentenvereniging. Dankzij die financiële steun kunnen ze hun diensten gratis aanbieden. Op een woensdagmiddag waren President Zoë Brusselmans en Vice-President Legal Aline De Haes op bezoek bij dwars om alles te vertellen over hun engagement. 
 

Welke mensen kunnen zich tot jullie richten voor juridisch advies?

“Zowat iedereen kan een vraag insturen. Ons doelpubliek bestaat in principe vooral uit studenten, omdat zij meestal niet over de financiële middelen beschikken om een advocaat te raadplegen, maar ook van particulieren krijgen we soms vragen. Die vragen behandelen we ook met plezier. We beperken ons doelpubliek niet. Zolang we mensen kunnen helpen, zijn we tevreden.” ALSC heeft verder ook een partnerschap met de sociale dienst van de universiteit, die af en toe dossiers naar hen doorstuurt.
 

Met wat voor juridische bekommernissen kan je bij jullie te rade gaan?

“De meeste vragen gaan over huurrecht en ondernemingsrecht. Vaak zijn het studenten die dwars liggen met hun kotbaas, Erasmusstudenten die een huurcontract willen laten nakijken of een jonge ondernemer die hulp nodig heeft met het invullen van de statuten van zijn onderneming.” In sommige gevallen zal ALSC adviseren contact op te nemen met een advocaat. “Het stopt bij ons als er vragen zijn waar een grote som geld aan verbonden is of wanneer er een rechtbank aan te pas komt.” De consultants zijn nog student en dus nog niet afgestudeerd als jurist. Ze mogen advies verstrekken, maar mogen nog niet optreden als advocaat. Daarom mogen ze geen cliënteel vertegenwoordigen in de rechtbank.
 

Wat betekent laagdrempelig juridisch advies voor jullie?

“Ten eerste is het voor ons belangrijk om te schrijven in een taal die iedereen begrijpt. We gebruiken daarom in onze adviezen geen ingewikkeld juridisch vakjargon of verwijzingen naar nog ingewikkelder geschreven rechtspraak. Daar help je de mensen weinig mee vooruit. Onze bedoeling is om concreet advies te geven waarmee onze vraagstellers aan de slag kunnen gaan. Het moet vooral iets praktisch zijn.” ALSC kijkt naar eigen zeggen ook altijd verder dan louter het recht. “Als het mogelijk is om iets minnelijk op te lossen, zullen we daar eerst naar kijken. Er zijn veel zaken die je met wat goede wil zonder een tussenkomst van een rechter kan oplossen. Ten tweede zit de laagdrempeligheid van ons advies ook vooral in het feit dat het gratis wordt verstrekt. De enige stap die de vraagsteller moet ondernemen, is via onze website een vraag insturen. Ze hoeven er niemand voor te bellen of zich naar een kantoor te verplaatsen. Op een relatief korte termijn van twee weken verwerken we hun vraag en krijgen ze een advies toegestuurd.”
 

Hoe zorgen jullie ervoor dat het advies betrouwbaar is?

ALSC zorgt naar eigen zeggen in de eerste plaats voor betrouwbare legal consultants. “Ze moeten allemaal een sollicitatie doorlopen. Daarbij worden ze ook gevraagd om enkele proefcasussen op te lossen om te peilen naar hun vaardigheden en juridische kwaliteiten. Wanneer ALSC een vraag ingestuurd krijgt, wordt het advies door twee consultants opgesteld. Daardoor kunnen ze elkaars werk controleren. We zorgen ervoor dat er voldoende ogen over een advies gaan. De Vice-President legals, de 
verantwoordelijken voor legal consultancy dus, lezen het werk nog na, maar meestal moeten we weinig tot niets aanpassen.”
 

Welke impact heeft ALSC  gehad op jullie kijk op het werkveld?

Zoë: “Het heeft mij vooral veel bijgeleerd over het werkveld. Een casus uit de praktijk is toch net iets anders dan een casus op een examen. Wanneer advocaten bij ons langskomen voor een vormingsmoment met onze consultants, merk je toch dat het recht in de praktijk soms anders is dan in de theorie.”

Aline: “Inderdaad. Als je naar het examen Bijzondere overeenkomsten gaat als rechtenstudent, weet je toch altijd een beetje waar de vragen over zullen gaan. In de praktijk krijgen wij een vraag binnen in onze mailbox die een concreet probleem beschrijft. Dat is veel moeilijker, aangezien je zelf moet proberen af te bakenen over welk rechtsdomein de vraag precies gaat. Soms moet je extra vragen stellen om een beter beeld te krijgen van de juridische situatie. Dat is op een examen nooit het geval. Daar krijg je een casus die alle relevante elementen vermeldt. Verder is er ook niemand die je in een andere richting kan sturen als je op een verkeerd spoor zit zoals op een mondeling examen.”

Zit je met een juridisch vraagstuk? Stel je vraag aan ALSC. Ze helpen je met plezier en veel motivatie verder.



08/12/2025
[WAAR STILTE SPREEKT: IT GOES WITHOUT SAYING] (© [Anne-Marie Dimitrov] | dwars)
🖋: 

Verdoken in de voormalige Dominicanenkerk bevindt zich Kunsthal Extra City, een locatie waar taal nu tastbaar, lichamelijk en soms ongemakkelijk kan zijn dankzij de nieuwste expo. De tentoonstelling It Goes Without Saying, samengesteld door artistiek coördinator Joachim Naudts, onderzoekt hoe we spreken, zwijgen en (mis)communiceren. dwars bezocht de expo net voor de opening en sprak met de kunstenaars.
 

Aan de ingang hangt een witte wand met de woorden “For the Sake of Future Days”, omringd door ijzeren traandruppels. Het werk van Nokukhanya Langa zet meteen de toon: woorden kunnen troosten, maar ook manipuleren. We kunnen die boodschap in vele werken in deze zaal én bij Joachim vinden, die voor het werk van Langa staat en vertelt over de origine van It Goes Without Saying. Volgens hem biedt deze tentoonstelling een organisch slot voor zijn vorige expo, Silent Times, die de stilte tijdens de oorlog in Gaza reflecteerde. “Toen was het moeilijk om woorden te vinden”, vertelt Joachim. “Nu wilden we kijken naar wat stilte kan betekenen, zeker in een voormalig religieuze plek zoals Kunsthal Extra City.” Het idee om van stilte naar taal en communicatie over te gaan leefde al vijf jaar, maar met Uta Eisenreichs werk It Goes Without Saying vond Joachim eindelijk het juiste moment om het te realiseren.
 

de culturele laag van gebarentaal 

Een van de werken die dat het scherpst blootlegt, is dat van Uta Eisenreich. Haar fascinatie voor gebarentaal begon onverwacht in 2018, toen ze online een amateuristische film over dove geliefden vond. De eenvoud van hun gebaren prikkelde haar: “Het was natuurlijk heel slecht, maar net daarom was het ook gemakkelijk te verstaan.” Met die grote interesse en op vraag van een curator ging ze verder aan de slag met het idee dat gebarentaal niet alleen een communicatiemiddel is, maar ook een persoonlijke uiting. “Via mail zijn performers vaak formeel,” vertelt ze, “maar in het echt schuilde er iets achter hun ogen. Je weet dat het een job is, maar toch vraag je je af wat zij zouden willen vertellen.” Voor ze de performers verzamelde, vroeg Eisenreich advies aan een onderzoeker in gebarentaalwetenschap.. Toen ze vertelde dat het haar niet uitmaakte of iemand doof of horend was “zolang ze de taal maar beheersen”, werd duidelijk hoe gevoelig dat ligt. Gebarentaal is niet zomaar een taal, maar een identiteit. “Ik was naïef”, geeft ze toe. “Ik moest mijn hele benadering herdenken.” Met die nieuwe blik vond ze via een online oproep verschillende performers die niet alleen gebaren, maar hun eigen verhalen brengen – zoals een man die zijn gehoor op jonge leeftijd verloor na een ongeval.

Gebarentaal wordt nog steeds bedreigd door dezelfde misvatting die Eisenreich ooit zelf had: dat het louter een praktische manier van communiceren is. Voor de gemeenschap doet dat pijn, omdat de taal ook empathie en aanwezigheid vereist. “Je moet met je gezicht spreken”, zegt Smolders. “Je kan niet een ui snijden en half luisteren.” Intussen groeide haar werk verder met nieuwe stemmen, waaronder ook een performer die Vlaamse Gebarentaal gebruikt.
 

wanneer taal lichamelijk wordt

Een ander werk waarvan we de kunstenaar kunnen spreken, is backdrop for a sigh van Lore Smolders. De installatie werd volledig ter plekke opgebouwd: een houten wand als drager, met krijttekeningen die vertrekken van abstracte therapeutische en kinesitherapeutische schetsen – beelden die normaal nooit als ‘kunst’ gezien worden. Door het werk opnieuw te tekenen in Kunsthal Extra City kreeg het een andere gedaante dan de eerdere Brusselse versie en een nieuwe laag in het onderzoek van Smolders naar taal zonder woorden. Smolders wil de essentie en de oorsprong van taal belichamen door een taal weer te geven die geen woorden nodig heeft. Zo gebruikt ze pictogrammen en pijlen, maar ook fysieke bouwstukken. “Ik wilde een lichamelijke installatie en voegde daarom ook bepaalde interactieve voorwerpen toe. Zo staat er een stretchtoestel zoals bij de kinesist dat je hier ook kan gebruiken.” Smolders belichaamt niet alleen die symbolen, maar ook de architectuur rondom haar. Ze wijst naar een klein platform bovenaan de installatie en zegt: “Dat heb ik gekopieerd van de biechtstoel. Je ziet het niet van hier, maar er is zelfs een klein verticaal plankje.” Hierna beklimmen we de voormalige preekstoel en inderdaad, dat plankje zie je enkel van een hoger niveau – een subtiel detail dat benadrukt hoe perspectief bepaalt wat je leest.

Tegelijkertijd verweeft Smolders een duidelijke maatschappijkritiek in backdrop for a sigh. Ze verwijst naar de hedendaagse zelfzorgcultuur, waarin zowel ongehoorde als overgehoorde stemmen circuleren en waarin therapeutische taal soms een kapitalistische ondertoon krijgt. “Ik vind het belangrijk om alle stemmen te laten horen en ongemak te verweven met ruimte voor rust”, legt ze uit. “De instructieve elementen moeten leesbaar zijn als aanwijzingen, maar ook als een innerlijke stem van de samenleving die voortdurend zegt hoe we moeten functioneren.” Smolders benadrukt dat de wand geen definitief resultaat is – ook te zien aan de vaag zichtbare lijnen van eerdere tekeningen – maar dat ze doorheen de komende maanden nog zal evolueren. “Ik zal nog tekeningen vinden en die wil ik zeker toevoegen.” Die circulatie vormt een passende slotnoot: communicatie verandert immers ook constant, net als de uitgeveegde sporen van krijtlijnen.

It Goes Without Saying loopt nog tot 29 maart 2026. Studenten betalen een inkomprijs van 3 euro.



baanbrekend onderzoek op Campus Groenenborger

04/12/2025
 [EMAT BOUWT AAN DE TOEKOMST VAN ELEKTRONENMICROSCOPIE] (© [Bjorn De Busschere] | dwars)
🖋: 

Wat is de kleinste structuur die je al eens hebt gezien? Een menselijk haar? Misschien zelfs een cel of een bacterie? Best al wel klein toch? Wat als ik je vertel dat aan de onderzoeksgroep EMAT (Elektronenmicroscopie voor Materiaalonderzoek) op Campus Groenenborger microscopen gebruikt worden waarvoor deze structuren zelfs te groot zijn? Hier gebruiken ze namelijk elektronen om een van de kleinste structuren in het universum waar te nemen: atomen! dwars trok daarom naar Gebouw X om eens een kijkje te nemen achter de schermen en om te praten met professoren Sara Bals en Johan Verbeeck over hun meest recente speeltje: een nieuwe elektronenmicroscoop.
 

De lichtmicroscopen, waar je in het middelbaar cellen mee waarnam, gebruiken – niet verbazingwekkend – licht om dat te verwezenlijken. De resolutie van zo’n microscoop wordt beperkt door de golflengte van het zichtbare licht, wat ongeveer een honderdste is van de dikte van een menselijk haar. Dat komt niet omdat we slecht zijn in het maken van microscopen, maar het is een fundamentele limiet van de fysica. De afmetingen van een cel zijn gemiddeld tien keer groter dan die resolutie, dus voorlopig heb je nog geen fysicawetten gebroken tijdens je biologieles. Atomen daarentegen hebben een gemiddelde grootte die duizend keer kleiner is, waardoor ze onzichtbaar zijn. Je kan het vergelijken met golven op zee: grote schepen (de cel in deze analogie) beïnvloeden de golven duidelijk terwijl kleine bootjes (de atomen) nauwelijks de vorm van de golf veranderen.
 

tot op de limieten van de fysica

Kunnen atomen dan nooit waargenomen worden? Jawel, en de oplossing is heel simpel: gewoon kleinere golven gebruiken. Om de hoogste resolutie te bereiken, worden elektronen gebruikt. Je weet wel, die kleine negatieve deeltjes die rond atoomkernen draaien. “Maar, als elektronen deeltjes zijn, hoe hebben ze dan een golflengte?”, vraagt de aandachtige lezer zich nu af. Wel, je fysicaleerkracht heeft tegen je gelogen, want elektronen zijn zowel deeltjes als golven! Dit fenomeen heet de golf-deeltjes-­dualiteit – vraag er gerust je lokale fysicus over uit. De golflengte van deze elektronengolven is ruim klein genoeg om atomen in beeld te brengen. Echter, waar licht gemakkelijk te sturen is met glazen lenzen, vragen elektronen complexe apparatuur die al snel een hele kamer vult en bovendien nog propvol zit met allerhande technische snufjes. Professor Bals stelt het als volgt: “Een elektronenmicroscoop is niet alleen een heel groot vergrootglas, eigenlijk is het een labo op zich.” En al die snufjes zijn broodnodig, want alles om ons heen is in feite materiaalwetenschap, en om die echt te begrijpen – en verbeteren – moet je tot op microscopisch niveau kunnen kijken. “Neem een simpele balpen. Pas als je tot op microstructuurniveau kijkt, besef je hoeveel materiaalkunde daarin zit en waarom elk onderdeel precies zo gemaakt is.” Professor Verbeeck gaat verder: “Hetzelfde geldt voor een smartphone; die zit tjokvol technologie. Elk minuscuul onderdeel, van het scherm tot de batterij, steunt op jaren materiaalonderzoek.”
 

nieuw speelgoed

In het X-gebouw staan drie elektronenmicroscopen waarmee subatomaire resolutie mogelijk is en daarmee staat EMAT mee aan het voorfront van materiaalkarakterisatie binnen Europa. Momenteel zijn de werken volop aan de gang voor het installeren van een gloednieuwe microscoop, eentje waarin materialen onderzocht kunnen worden met zowel elektronen als laserlicht. “Daarmee combineren we de resolutievoordelen van elektronen met de interactie-eigenschappen van licht”, verklaart professor Verbeeck. “Zo kunnen we een microscopisch proces bestuderen, bijvoorbeeld een katalytische reactie, terwijl het gebeurt.” Daarnaast zal het ook mogelijk zijn om monsters in hun natuurlijke vloeibare of gasomgeving te onderzoeken, terwijl dat voor gewone experimenten noodgedwongen onder vacuüm gebeurt. “Waarnemingen in een andere omgeving kunnen al wel even, maar de additie van het laserlicht maakt deze microscoop uniek in de wereld”, aldus professor Bals. 

Wat kost deze vernieuwing? De marktprijs voor zo’n nieuw toestel is maar liefst zeven miljoen euro, en het komt ook niet kant-en-klaar. De ruimte waar de microscoop in komt te staan moest speciaal voorbereid worden om alle storende invloeden van buitenaf, zoals trillingen of temperatuurschommelingen, zoveel mogelijk buiten te sluiten. “De resolutie van dat ding is onvoorstelbaar klein als je dat vergelijkt met de dagelijkse wereld”, verklaart professor Verbeeck. “Telkens als er een grote wagen door de Craeybeckxtunnel rijdt, verstoort dat het aardmagnetische veld al voldoende dat we het kunnen merken.”
 

EMAT’s diepe zakken

De financiering van zulke onderzoeksinfrastructuren gebeurt in Vlaanderen traditioneel vanuit het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen (FWO). EMAT biedt echter een internationale service aan onderzoekslabo’s in Europa, waardoor er ook getapt kon worden in de fondsen van Europese projecten. Een deel van de funding kwam ook vanuit de industrie, waar EMAT vaak mee in contact staat. “Het contact met industrie is van groot belang. Er gebeuren ongelooflijk veel coole dingen. Als je er niet mee oppast, zijn wij daar als unief totaal van afgesloten”, zegt professor Bals. “Met onze samenwerkingen proberen we altijd verder te gaan dan wat de standaard is en op die manier genereert dat dan succes en geld.” 

Met de komst van de nieuwe microscoop en de nauwe samenwerking met de industrie en internationale partners blijft EMAT niet stilstaan. De onderzoeksgroep kijkt resoluut vooruit, met een duidelijke ambitie voor de toekomst. Professor Bals concludeert: “We willen blijven inzetten op innovatief onderzoek, projecten waar niemand anders zich aan durft te wagen. Maar even belangrijk is dat onze ideeën niet in een paper blijven steken, maar ook hun weg vinden naar de maatschappij.”



chaotisch debat op de universiteit

04/12/2025
 [OP DE GRENS VAN ACADEMISCHE VRIJHEID] (© [Hanne Colémont] | dwars)
🖋: 

Wat betekent academische vrijheid precies? Zijn er grenzen aan academische vrijheid, en hoe verhoudt ze zich tot de vrijheid van meningsuiting? Met die vragen in het achterhoofd trok dwars naar de gespreksavond. De twee uur durende dialoog op donderdag 13 november werd georganiseerd door Centrum Pieter Gillis, dat zich inzet voor actief pluralisme aan UAntwerpen. Maar wat een open uitwisseling over de betekenis van academische vrijheid moest worden, ontaardde snel in een fel en ongemakkelijk eenzijdig debat tussen de moderator en de panelleden. 

Rector Herwig Leirs opende de avond met een plechtig statement: “Ik denk dat dit een hele boeiende avond wordt. Academische vrijheid is een onderwerp dat ook mij nauw aan het hart ligt. Vrijheid,” stelde Leirs, “moet vanzelfsprekend zijn aan universiteiten, ook bij uitspraken die tegen heersende opvattingen ingaan.”
 

academische vrijheid?

Ik hoor je al denken: “Wat is academische vrijheid?” Panellid Patrick Loobuyck, moraalfilosoof en tevens verbonden aan Centrum Pieter Gillis, legt het je uit: “Academische vrijheid is de vrijheid die we als academici hebben om ons werk goed te doen. Het is een moreel en conceptueel principe. Daarnaast is academische vrijheid ook een collectief recht. Universiteiten mogen zichzelf organiseren en professoren mogen ook kritiek uiten op de instelling als ze dat willen.” Loobuyck stelt verder dat academische vrijheid er ook voor zorgt dat academici vrijuit kunnen deelnemen aan het publieke debat. 

Na deze inleiding was het tijd voor een eerste korte tussenkomst. Blomme Van Hul, Coördinator Sociale Zaken bij de Studentenraad, begon haar pleidooi krachtig: “Ik kom een statement geven. Academische vrijheid is een van de belangrijkste pijlers van onze democratie. Oncomfortabele vragen moeten gesteld worden.” Nog voor ze goed op dreef was, werd Blomme onderbroken door moderator Joël De Ceulaer: “Kun je daar eens een voorbeeld van geven?” Daarmee was de toon voor de avond gezet. Blomme gaf moedig een voorbeeld en vervolgde haar tussenkomst alsof er niets gebeurd was. De zaal bleef echter achter met één centrale vraag: “Hoe ver reikt academische vrijheid?” 

Dat thema kwam tijdens de avond veelvuldig aan bod. Jasper Van Steenbergen, jurist, stelde dat academische vrijheid een “kwalitatieve verbijzondering” is van de vrijheid van meningsuiting, waardoor academische vrijheid enerzijds een verbreding en anderzijds een vernauwing is van vrijheid van meningsuiting. “Er zijn kwaliteitsvereisten verbonden aan academische vrijheid. Dat betekent dat je niet zomaar alles mag zeggen, maar wanneer je op basis van degelijke academische methoden werkt, mag er heel veel”, aldus van Steenbergen.


debat uit zicht

Na die uiteenzetting barstte de strijd los. De Ceulaer was met momenten storend in zijn rol als ‘kritische’ moderator. Hij onderbrak de panelleden veelvuldig en gaf ongepaste opmerkingen genre: “Dat moet je dan toch maar eens lezen”, waardoor de panelleden en het publiek geërgerd en vol ongemak achterbleven. De moderator probeerde zich nog te verdedigen door te zeggen dat hij “toch een beetje advocaat van de duivel moest spelen”, waarop de panelleden zich verenigden en de ‘kritische opmerkingen’ van de journalist in twijfel trokken. Keer op keer werd de grond te warm onder de voeten van De Ceulaer; waardoor hij met een slap excuus over tijdsgebrek maar al te graag wilde overgaan naar het volgende thema. Dat belemmerende scenario deed zich, zoals je al vermoedt, gedurende het debat meerdere keren voor, waardoor de essentie bij momenten verloren ging.

 

gevoelig en actueel

Een volgend gevoelig en actueel thema dat aanbod kwam, was het begrip genocide en hoe daarover gesproken wordt. Grondwetspecialist Patricia Popelier ging daar dieper op in. Ze stelde dat het begrip genocide in het publieke debat “perfect legitiem” is, maar dat grondwetspecialisten en juristen voorzichtig moeten omgaan met de term en het best wachten op een uitspraak van het Internationaal Gerechtshof, vooraleer ze de term zelf gebruiken. Na de juridische uiteenzetting was het tijd om het debat weer breder open te trekken. 

Sam Smit, domeincoördinator van Gelijke Kansen en Diversiteit van UAntwerpen, vatte het debat kort samen in de tweede tussenkomst: “Ik ben voorstander van veel verschillende geluiden in het debat. Ook als het schuurt, is academische vrijheid zeer essentieel.” Na de interventie van Smit greep De Ceulaer opnieuw zijn kans om te provoceren. Nog voor Smit weer op zijn plaats zat, vroeg de moderator: “Mag ik een kwetsend grapje maken?” De zaal leek verontwaardigd, Smit stemde in. De moderator stelde zonder filter: “Ik ben altijd blij als witte mannen het opnemen voor minderheden.” De uitspraak van de journalist illustreerde hoe dun de grens is van het verantwoordelijk omgaan met vrijheid van meningsuiting. De wenkbrauwen werden – opnieuw – gefronst en met een collectieve zucht gingen we weer verder met het thema van de avond: academische vrijheid.

 

ambigu diversiteitspleidooi 

Historicus Bert De Munck stelde dat academici vanuit hun expertise moeten deelnemen aan het publiek debat, onder meer om de diversiteit aan perspectieven te verbreden. Ook Loobuyck sloot zich daarbij aan: “In het publieke debat moeten academici het eenheidsdenken, dat bijvoorbeeld in de media ontstaat, uitdagen. We hebben veel vrijheid, maar daar komt ook veel verantwoordelijkheid bij kijken.” Verder merkte hij op: “Het eenheidsdenken vormt ook binnen universiteiten een valkuil. Het is belangrijk dat ook daar verscheidene perspectieven bestaan die elkaar uitdagen en wijzen op elkaars blinde vlekken.” 

Bij het schrijven van dit stuk viel het op dat de diversiteit die meermaals aan bod kwam in het debat, binnen het panel grotendeels ontbrak. Alle sprekers hadden een achtergrond in de humane en sociale wetenschappen. Hiermee rijst de volgende vraag op: wanneer kijken we over deze hokjes heen en gaan we in gesprek met de verdwaalde bètaproffen? En misschien nog wel belangrijker: hoe representatief is een debat als alle panelleden dezelfde achtergrond hebben?



medische faciliteiten op de unief

04/12/2025
 [MET SPOED TE BESPREKEN] (© [Silke Ramaekers] | dwars)
🖋: 
Auteur
Auteur extern

Renzo Moons


Stel je voor: je zit midden in je drukke lesweek en wordt ziek op de campus. Je wordt duizelig, je krijgt koorts tijdens een college of maakt een val die niet alleen gênant, maar ook nog eens enorm pijnlijk is. Wat moet je doen? Bij wie kan je terecht en welke faciliteiten biedt UAntwerpen voor medische problemen? 

 

“Uit de Grote Studentenbevraging blijkt dat studenten weten dat ze voor dit soort situaties terechtkunnen bij het STIP”, vertelt Nour, Stuver in de Stuvoraad. Het STIP, eigenlijk het Studenteninformatiepunt, lijkt zelf minder op de hoogte van hoe ze precies moeten handelen of naar wie ze kunnen doorverwijzen bij medische vragen. Toen een student op de Stadscampus flauwviel en medestudenten gingen informeren of er iemand was die hen kon helpen, kregen ze van drie medewerkers drie verschillende antwoorden: “Ja”, “Nee” en “Geen idee”. Ook andere anekdotes die onze redactie bereikten, over verstuikte enkels en kleine brandwonden, eindigden met geïmproviseerde spoedprocedures zoals erwtjes uit de diepvries en zelfstandige tripjes naar de apotheker.

huisartsenlijst heeft check-up nodig


Communicatie rond medische gezondheid loopt dus niet altijd vlot. Dat valt ook op wanneer je via het Studentenportaal het netwerk van huisarts­praktijken raadpleegt. Die praktijken houden plaatsen vrij voor Antwerpse studenten. De lijst is echter inaccuraat en verouderd: huisartsen die niet langer plaatsen vrijhouden, staan nog steeds vermeld op de site. De Associatie Universiteit & Hogescholen Antwerpen (AUHA) beheert die lijst voor alle studenten in de stad. “De Studentenraad is op de hoogte van de onvolledige lijst en heeft dat gemeld aan de AUHA. Zij zijn momenteel bezig met de nodige updates”, legt Nour uit.

infrastructuur in de wachtzaal

Niet enkel de communicatie verloopt stroef, er zijn ook infrastructurele problemen. Zo is er geen plek om even neer te liggen als je ziek of onwel wordt. “Er zijn momenteel geen ziekenbedjes of plaatsen waar je tijdens een crisissituatie even terechtkan als student”, vertelt Blomme Van Hul, Coördinator Sociale Zaken bij de Studentenraad. “We hebben dit probleem aangekaart bij de universiteit, maar krijgen als antwoord dat het een mooi idee is, maar dat het niet gaat.” Zo zouden er onvoldoende middelen en ruimte zijn en kan een student met een hulpvraag niet zomaar alleen gelaten worden.

onze diagnose

Er is sprake van structurele problemen en mis­­communicatie. Het ontbreken van ziekenbedden vergt creatieve oplossingen, tijd en middelen. Het gebrek aan duidelijke communicatie en het verwaarlozen van een verouderde lijst met huisartspraktijken zijn daarentegen onaanvaardbaar. De kern van het probleem ligt niet louter bij het ontbreken van voorzieningen, maar ook bij toegankelijke en correcte informatie. Het is wél mogelijk om deze problemen op te lossen op korte termijn. Studenten moeten kunnen vertrouwen op de kanalen die hen doorverwijzen bij medische problemen, in plaats van dat ze daar nog meer hoofdpijn van krijgen.