Het orgelpunt van tien jaar universitaire bouwwoede
17/04/2007
🖋: 
Auteur

Uw studentenbuurt ligt in puin. En dat is niet zozeer te wijten aan een laattijdig neergekomen Vergeltungswaffen, wel aan universitaire groeischeuten. Bij de eenmaking van de Universiteit Antwerpen werd beslist om de humane wetenschappen te concentreren op de Stadscampus en de buitencampussen over te laten aan de exacte wetenschappen. Deze woorden waren nog niet koud of een armada betonmolens en graafmachines rolde door de universiteitspoorten. Het zou een kleine tien jaar verhuizen worden. De bijhorende vluchtelingenstromen dienden opgevangen te worden in blitse gebouwen. Het K-gebouw beet de spits af op de Stadscampus, gevolgd door de Meerminne begin dit academiejaar. Minder bekend is het gerestaureerde klooster van de Grauwzusters, waar sinds enkele maanden de Onderwijsadministratie en de dienst Ontwikkelingsbeleid en -beheer gevestigd zijn. Kers op de taart is de gloednieuwe bibliotheek die vanaf volgend academiejaar op volle toeren zal draaien.

Het hele verhuisprogramma gaat veel verder dan het louter functioneel samenbrengen van studierichtingen per campus. De eengemaakte Universiteit Antwerpen probeert namelijk een heuse identiteit neer te poten. De greep naar actief pluralisme via het levensbeschouwelijk vak en de vernieuwde huisstijl zijn daar duidelijke pogingen toe, maar ook de nieuwe gebouwen moeten het imago van deze universiteit verheffen.

 

Fietsen, urinoirs en internet

Maar niet alleen de nieuwe gebouwen moeten Antwerpen tot een echte studentenstad maken: ook de buurt zal het geweten hebben. De Ossenmarkt wordt afgesloten als verkeersader. Je weet wel: dat voormalige stukje ellende tussen de Pieter van Hobokenstraat en de Korte Winkelstraat. Koning Auto mag er plaats ruimen voor grootse terrassen van de omliggende horeca. Het credo van de mensen achter de uit de kluiten gewassen bouwvakkers is deze plek aangenaam maken voor bewoners, studenten en toeristen. Zo wordt het plein een lichtere, open plek door het rooien van enkele bomen; ook de hutjes zien we niet meer terug. Fietsenstallingen komen er daarentegen wel, maar alles met meer dan twee wielen wordt door bolvormige obstakels op afstand gehouden. Als we de wilde geruchten mogen geloven, krijgt de Ossenmarkt ook zijn eigen urinoir. Beter nog is dat u naast urine ook uw mails kwijt kunt op het plein via de gratis hotspot. En alsof dat nog niet genoeg vernuft is voor een modaal pleintje, voorziet men een plek voor mogelijke evenementen met een verankering voor een heuse overdekkingsconstructie.

 

Grauwzusterklooster in een nieuwe hapij

Om de hoek van de Ossenmarkt, in de Lange Sint-Annastraat, vinden we een gloednieuw architecturaal pareltje van onze universiteit – hoewel gloednieuw misschien een foute woordkeuze is. Het gebouw heeft een uitgebreide geschiedenis als klooster van de Grauwzusters. In lang vervlogen tijden verzorgden nonnetjes in grauwgrijze hapij daar slachtoffers van de pest. Toen de laatste Grauwzuster in 1999 uit het klooster vertrok, zocht de Vlaamse overheid naar een nieuwe bestemming voor het statische gebouw, dit met als voorwaarde de traditie van maatschappelijke dienstverlening van dit gebouw verder te zetten. Voor een Antwerpse Universiteit op zoek naar ruimte in het stadscentrum bleek dit een welkom geschenk. Dat het klooster van de Grauwzusters vlak bij een groot knooppunt van het openbaar vervoer ligt, maakt het de ideale plek voor de Dienst Inschrijvingen. Bovendien zorgt het imposante interieur voor een overtuigende eerste indruk van de Universiteit.

 

Alvorens de Diensten Inschrijvingen en Ontwikkelingsbeleid van het klooster hun stekje konden maken, moest er echter een aantal renovatiewerken doorgevoerd worden. De gevel van het gebouw is nagenoeg onveranderd gebleven en ook het interieur moest de authentieke intimiteit behouden. Dat neemt niet weg dat architecten Van Broeck en Meuwissen een mooie portie moderne frivoliteit mochten gebruiken, zonder een muffe indruk na te laten. Een geslaagde symbiose tussen historische en hedendaagse architectuur. Zo werd de binnenplaats met glas overkoepeld en vormt deze een stijlvolle ontvangstruimte. Het glas in de hoge raambogen is verdwenen, waardoor rondom de patio open kruisgewelfde gaanderijen ontstonden. Wie de bovenste wandelgangen doorkruist, botst op vreemde antracietgrijze blokken met een binnenzijde van knalrode kussenbekleding. Nog verder naar boven hebben de architecten de houten dakstructuur als decoratief instrument ingezet om de conferentieruimten op te vrolijken. Helemaal onderaan werden de kelders omgebouwd tot mediaruimten. De kapel is in zijn originele staat gerestaureerd en zal dienst doen als concerthal en auditorium. Een pikant detail: ook het oude lijkenhuis werd in een nieuw kleedje gestoken.

 

Deze nieuwe architecturale hoogstandjes slagen er misschien in om de blunders van de Meerminne te doen vergeten. Ondanks de geslaagde gevel, rode accenten en lichte kleine lokalen zijn de grote aula’s in dat nieuwe gebouw om van te huilen. Het is wonderlijk hoe zulke gigantische witte ruimten toch zo claustrofobisch aanvoelen. Een aangename houding vinden in die schommelstoelen blijkt bovendien allesbehalve vanzelfsprekend. Het is echter vooral de akoestiek die alle verbeelding tart: colleges in een grot zijn ongetwijfeld verstaanbaarder. Er duiken nu ook al vochtplekken op in het plafond van de centrale hal: de stille wraak van de daktuin. Het ziet ernaar uit dat architect Jo Crepain bij de praktische uitwerking van het beloftevolle concept van de Meerminne enkele steekjes heeft laten vallen.

 

Zware boeken

In tegenstelling tot de Meerminne werd de nieuwe bibliotheek buiten ons directe gezichtsveld gebouwd. Het zal vele studenten dan ook verbaasd hebben dat ze in de C-blok – achter een deurtje dat uit Alice in Wonderland lijkt te zijn geplukt – een heus plein vonden. Nog gekker wordt het als blijkt dat daar plots een hapklare bib staat. Volgend academiejaar zal ze volledig operatief zijn wanneer alle humaan- en sociaal wetenschappelijke boeken vanuit Wilrijk overgebracht zullen zijn. Ook de toekomstige buur van de bibliotheek, de faculteit Rechten, kan weldra in haar nieuwe kantoren intrekken.

 

De nieuwe HSW-bib zal ongeveer 17.000 vierkante meter bestrijken, wat bijna een verdubbeling is ten opzichte van de oude centrale bibliotheek. Er blijven twee computerlokalen, maar dat zijn afgesloten ruimten, net als alle andere afdelingen van de nieuwe bibliotheek trouwens. Ze zijn bereikbaar vanuit een centraal trappenhuis, om doorgangsverkeer zoveel mogelijk te beperken en rust in de leesgedeelten te garanderen. Wel is er een grote centraal gelegen vide met frivole groengekaderde dakramen. Dit komt de openheid en lichtinval zeker ten goede. Ook het vermelden waard is de gevel aan de Venusstraat. Via grote ramen in de oude booggewelven kan je vanop de straat het strakke interieur bewonderen.

 

Het bouwen van de bib was een hachelijke onderneming. Ze is ondergebracht op de plaats van de voormalige gebouwen van Fotogravure De Schutter. De Universiteit mag trouwens van geluk spreken dat deze drukkerij zo’n groot aantal aanpalende panden bezat. Een geschikte plaats voor dit bouwproject vinden in de binnenstad is geen sinecure. Dat het überhaupt bij de buren werd gevonden is quasi een mirakel. Een domper op deze feestvreugde kwam er toen duidelijk werd dat de bovenbouw niet genoeg draagkracht bezat om de boekencollectie te huizen. Zelfs niet op de plaatsen waar daarvoor drukpersen stonden. Deze onvoorziene omstandigheden zouden nefast geweest zijn voor het kostenplaatje, ware het niet dat ABCIS architecten hun uiterste best hebben gedaan om het budget zo min mogelijk te overschreiden.

 

Mooi meegenomen zijn de nieuwe doorgangen die dit bouwwerk met zich mee brengt. Het bibliotheekplein biedt een doorgang naar het Hof van Liere, de Venusstraat en naar de Vekestraat via de Halfmanengang. U zal dus na uw koffie in de Agora minder lang moeten slenteren naar de opgefriste Stadswaag om het welverdiende pintje te bestellen. Kortom, al dat bouwen maakt het leven de modale student een pak aangenamer. Of dat is althans de bedoeling. De ongemakken moeten we er maar bij nemen. Nog even op de tanden bijten en enkele drilboorsymfonieën trotseren en dan studeren we op een volwassen geworden Stadscampus. Althans voor even. Steden zijn organischer dan je denkt. Allicht ligt er nu al iemand te broeden op nieuwe verbouwingen.



John Forbes Nash Jr.
15/04/2007
🖋: 

In 1994 mocht dr. John Forbes ‘A Beautiful Mind’ Nash Jr. de Nobelprijs voor economie in ontvangst nemen voor zijn baanbrekend werk over de speltheorie. De man zou echter geen genie zijn als hij niet wist waar hij voor de waarlijke bekroning van zijn academische carrière terecht kon. Op 26 april komt hij een eredoctoraat afhalen op de faculteit TEW van onze eigenste koekenstad.

Nash werd geboren op 13 juni 1928 in Bluefield, West-Virginia als het oudste kind van een elektrisch ingenieur en een lerares. In 1945 begint hij zijn universitaire studies voor chemisch ingenieur aan het Carnegie Institute of Technology in Pittsburgh. Na één semester besluit Nash zich toe te leggen op fundamentele chemie om vakken als technisch tekenen te ontlopen. Al gauw blijkt echter dat hij ook daar zijn draai niet vindt en besluit hij over te schakelen naar de faculteit Wiskunde, waar de jonge belofte met open armen ontvangen wordt door het academisch personeel.

 

Drie jaar later ontvangt hij zowel zijn bachelor- als zijn masterdiploma en krijgt hij aanbiedingen om te doctoreren aan Princeton en Harvard. Het verhaal gaat dat zijn oude professor op Carnegie, R.J. Duffin, een aanbevelingsbrief van slechts één regel voor hem schreef: “This man is a genius.” Uiteindelijk kiest hij voor Princeton, waar hij op 21-jarige leeftijd een 27 bladzijden tellende doctoraatsthesis aflevert over niet-coöperatieve spellen. De stelling die hij in deze thesis verdedigde, zou de weg vrijmaken voor toepassingen van de wiskundige speltheorie in de meest diverse takken van de wetenschap, zoals de psychologie, de evolutionaire biologie en de economie. In de controversiële documentairereeks 'The Trap: What Happened to Our Dream of Freedom?', die onlangs te zien was op BBC 2, stelt reportagemaker Adam Curtis zelfs dat de theorie een doorslaggevende invloed heeft gehad op hoe we naar onszelf kijken en wat we vandaag verstaan onder het begrip 'vrijheid'. Het is ook deze thesis die Nash 44 jaar later de Nobelprijs zal opleveren.

 

In 1940 kon de vooraanstaande Britse wiskundige G.H. Hardy in zijn boek 'A Mathematician’s Apology' nog beweren: “Echte wiskunde heeft geen effect op oorlog. Niemand heeft nog enig oorlogsdoel ontdekt dat wordt gediend door de getallentheorie.” Nog geen tien jaar later lag dat droombeeld – net als zovele andere – echter voorgoed aan diggelen. Vanaf de Tweede Wereldoorlog kregen twee deelgebieden van de fundamentele wiskunde namelijk een prominente plaats in de moderne oorlogsvoering toebedeeld. Het ene was de priemgetallenleer voor het coderen en ontcijferen van boodschappen, het andere de speltheorie.

 

De term 'speltheorie' wordt toegeschreven aan dr. John von Neumann, die in 1944 samen met dr. Oscar Morgenstern 'The Theory of Games and Economic Behavior' publiceerde. De theorie werd in het begin vooral verder ontwikkeld door RAND (Research ANd Development) Corporation, waar von Neumann later aan de slag ging. RAND was een Amerikaanse militaire denktank die strategische scenario’s uittekende voor het geval er een atoomoorlog met de Sovjet-Unie zou uitbreken. Aan het begin van de Koude Oorlog, toen de VS nog als enige over atoomwapens beschikte, verdedigde von Neumann samen met onder andere de bekende logicus Bertrand Russell een preventieve Amerikaanse atoomaanval op de Sovjet-Unie. Velen zien in hem dan ook de inspiratie voor het personage Dr. Strangelove uit de gelijknamige klassieker van Stanley Kubrick. Eerder was hij ook al betrokken bij het atoomproject Manhattan en had hij berekend welke Japanse doelwitten het meest geschikt waren om de Amerikaanse atoombommen op te gooien, in functie van optimale bereikbaarheid en maximaal dodenaantal.

 

Vraagstukken uit de speltheorie worden gekenmerkt door situaties waarbij strategisch handelen en kennis van de handelingen van de tegenstander centraal staan. Morgenstern en von Neumann hadden aangetoond dat voor een beperkt type spellen steeds een evenwichtssituatie kon gevonden worden, waarbij een strategieverandering door één van beide spelers steeds zou leiden tot een slechtere uitkomst. Nash, die in 1950 ook even tewerkgesteld was bij RAND, bewees in zijn thesis echter dat er minstens één zo’n evenwicht bestond voor elk niet-coöperatief spel met gemengde strategieën. Hierdoor werd het toepassingsgebied van de speltheorie enorm verruimd.

 

Het bekendste probleem uit de speltheorie is het prisoner’s dilemma. Hoewel er verschillende variaties bestaan op het vraagstuk, komt het meestal hier op neer: twee gangsters worden verdacht van moord. De politie arresteert hen en heeft bewijzen genoeg om hen te laten veroordelen voor een lichtere misdaad. De ondervrager besluit om de gangsters elk afzonderlijk een deal voor te stellen. Als beide de moord weigeren te bekennen, krijgen ze elk 1 jaar celstraf. Als één van de twee echter bekent en dus tevens de ander verklikt, zal hij vrijuit gaan en krijgt de ander 10 jaar. Wanneer beiden bekennen krijgen ze elk 8 jaar. De twee staan nu elk afzonderlijk voor de keuze wat voor hun de beste strategie is: opbiechten of het stilzwijgen behouden.

 

De beste oplossing voor de twee is dat beiden de lippen stijf op elkaar houden. Voor elk afzonderlijk is de meest rationele keuze echter om de ander te verraden, omdat ze dan los van wat de ander doet steeds beter af zijn. In het Nash-evenwicht krijgen beiden dus 8 jaar celstraf. Dezelfde gedachtegang leidde in het spel ‘bewapenen of ontwapenen’ – dat de VS en de USSR gedurende de tweede helft van de vorige eeuw met elkaar speelden – tot de MAD-doctrine (Mutual Assured Destruction). In de economie wordt de theorie van Nash onder andere gebruikt om oligopoliesituaties te analyseren. In deze marktvorm is er geen sprake van perfecte concurrentie, maar van een beperkt aantal spelers wiens gedrag elkaars resultaten beïnvloedt. Eerlijkheidshalve dient daar wel aan toegevoegd te worden dat de Franse geleerde Antoine Augustin Cournot in 1838 al een evenwicht had uitgetekend voor de specifieke situatie van een duopolie dat mekaar beconcurreert op het vlak van het aantal geproduceerde eenheden. Daarom spreekt men bij een oligopolie ook wel eens over een Cournot-Nash-evenwicht.

 

Sommige academici zien in de theorie van Nash een kritiek op de onzichtbare hand van Adam Smith. Volgens Smith zou het volgen van het eigenbelang leiden tot maximale welvaart. Het Nash-evenwicht is – zoals in bovenstaand voorbeeld – echter niet altijd de optimale oplossing voor de groep: samenwerking zou tot een beter resultaat leiden dan concurrentie. Anderen zagen in het werk van Nash net een pleidooi voor een ongereguleerde economie, omdat hij bewees dat men in elke competitieve situatie, die tot een strategisch spel kan worden herleid, tot een evenwicht komt.

 

Na zijn doctoraat kon Nash aan de slag als docent op M.I.T. in Boston. Daar werkte hij ook aan een groot aantal wiskundige problemen buiten de speltheorie. Op zijn dertigste moest Nash zijn job echter opgeven om behandeld te worden voor paranoia en schizofrenie. Dit betekende een abrupte breuk in zijn academische carrière: tussen 1966 en 1996 verscheen geen enkele publicatie van zijn hand. Na zijn herstel probeerde hij de draad weer op te nemen en legde hij zich opnieuw toe op zijn geliefkoosde vakgebied.

 

Nash zal eind april niet alleen naar Antwerpen afzakken: dr. Harold Kuhn en mede-Nobelprijswinnaar dr. Richard Selten zullen hem vergezellen. Aangezien er over hun leven echter geen Hollywoodfilm is gemaakt, kan ik u over hen niet echt iets meer vertellen. Van 18 tot 27 april staat de Faculteit TEW in het teken van John Nash.



editoriaal
15/04/2007
🖋: 
Auteur

U weet het misschien niet, maar elke Vlaamse student wordt vertegenwoordigd door de Vlaamse Vereniging voor Studenten. Onder meer de studentenpers bericht geregeld over het reilen en zeilen van VVS. Helaas merken we voortdurend dat de overgrote meerderheid van de studenten nog nooit van de organisatie heeft gehoord.

VVS overkoepelt alle studentenraden in Vlaanderen en zou bijgevolg moeten fungeren als spreekbuis en aanspreekpunt van de student in het hoger onderwijs. Onze belangen worden door hen onder andere verdedigd bij de overheid; hun functie mag dus niet worden onderschat. Dat de VVS goed werk verricht en heel wat talent en bekwame medewerkers herbergt, staat buiten kijf. De manier waarop hun beleid naar de student wordt gecommuniceerd is echter lamentabel.

 

Ik ontken niet dat het een moeilijke opdracht betreft. Het blijkt niet simpel om het studerende volkje warm te maken voor zaken als democratisering van het onderwijs en studentenrechten. De schouderophalende student is ons niet onbekend. Ook aan onze universiteit staan ze niet te springen als het gaat om studentenvertegenwoordiging. De verkiezingen verlopen hier zonder enig inhoudelijk debat. Men is al blij als er iemand kandidaat is en als er gestemd moet worden, is de opkomst steevast mager. Eigenlijk kan daardoor eender wie eender wat beweren in naam van de student. Je kan je grote vragen stellen bij de legitimiteit van een dergelijk beleid.

 

Dat het om een structureel probleem gaat, wil niet zeggen dat men zich er mag bij neerleggen. Studentenvertegenwoordiging is een angstwekkend holle term als de studenten in kwestie geen weet hebben van hun vertegenwoordigers. Een vereniging die pretendeert de stem te zijn van alle Vlaamse studenten heeft de plicht zich naar haar achterban te profileren.

 

Het lijkt me bijzonder dringend dat zowel VVS als de studentenraden – die in deze een niet mis te verstane functie moeten vervullen – zoeken naar andere dan de beproefde communicatietechnieken. Hoe goed hun bedoelingen ook zijn, het kan en mag niet dat een klein clubje beslissingen neemt boven de hoofden van de betrokkenen. Van authentieke studentenparticipatie is alvast geen sprake.



14/04/2007
🖋: 

Antwerpen: niet echt een studentenstad, maar toch wel – en vooral – een stad. We hebben hier geen behoefte aan het afvuren van onze pijlen richting onze harten. Geen lofzang, geen hymnen, geen laudates om het handje richting onze blik te werpen: onze kleine grootstad komt ons vanzelf tegemoet. We zijn nu eenmaal allen vooreerst Sinjoor en dan pas Europeaan of wereldburger. En dit alles dankzij het eeuwenoude succes van de Schelde, die gezapig de handelsvloot stuwt en van onze stad een haven, een waterpoort heeft gemaakt. De Schelde is altijd daar, maar ook weer niet. Er zijn grenzen die getrokken moeten worden. De kaaien: kilometers lange kaden die aan de diepe rechteroever getrokken werden en het land van het water scheiden. Antwerpenaren zeggen kaaien en niet kaden, omwille van de hypercorrecte ‘d’ ertussen.

De kaaien zijn niet correct: ze overstromen, mensen verdrinken er, worden er vermoord. Of ze springen eraf, wanneer ze zich een dronken almachtigheid eigen hebben gemaakt – op ‘StrAntwerpen’ bijvoorbeeld, dat sinds het bestuur van de ‘burgemeester van het volk’ in het kader van de Zomer Van Antwerpen georganiseerd wordt. Eventjes waant de kaai ter hoogte van het trotse ‘Antwerpen in Miniatuur’ zich Miami Beach en komt zelfs Phaedra Hoste met een schattige, piepkleine hond in haar handtas – boven haar ellenlange benen – de Schelde vereren met een bezoekje. Van over het water komt ze speciaal naar onze woeste, maar op dat moment verbloemde kaaien.

 

Wanneer het evenement dagelijks op een te correct uur gesloten wordt, dan pas komt de aard van de ware kaaibezoeker naar boven. De echte kaaizitter geniet van de eenzaamheid die hem er overvalt. Hij geniet er gans alleen van zijn sigaret, zijn halveliterblik Cara Pils, zijn niet te bedwingen libido. Hij snuift er met graagte de lucht van petroleum op en rijdt er traag langs de auto-opslagplaats waar Algerijnse autobussen staan te verkommeren alsof het niets is. Metalen legoblokjes in alle kleuren staan gestapeld en afgeschermd met een dodelijke dreiging voor elke te nieuwsgierige voorbijganger. Een enkele stadswerker, met een verbrand gezicht door elke dag in de buitenlucht – van ’s morgens vroeg tot wanneer de zon in het water zakt – papiertjes te moeten opprikken. Vervallen hangars waar het verboden is te roken. Grote kans dat de adem van de auto’s evaporeert en in brand schiet. Zieke duiven. Meeuwen.

 

Geen dagjestoeristen met espadrilles en camera’s, tenzij op die ene kilometer ter hoogte van het Zuiderterras of aan de opstapplaats voor de Ferry, aan het Steen. Het Steen waar Druon Antigoon als een echte Goliath de stad bewaakte en elke schipper terroriseerde, tot Silvius Brabo zijn hand afhakte en wegwierp. Brabo moet die hand wel heel ver hebben gegooid, als je rekent dat Antigoon in Brabant woonde. Antigoon is er nog steeds en hij heft nog steeds tol voor de talrijke mensen die er hun zelfbewegende koetsen parkeren.

 

Er wordt aan de kaaien gepraat. Over ‘den dop’ of over werk in het Kruidvat, dat toch niet slecht betaalt – naar het schijnt. Toch zijn de kaaien niet zo populair: er komen hooguit een paar gefrustreerde mannen van middelbare leeftijd die gretig wiebelende billen van een enkele jogster gadeslaan. De priemende ogen op haar gat werken als een katalysator en ze gaat sneller lopen. De kaaien grenzen ergens ook aan het Schipperskwartier, dat niet langer het schipperskwartier is, maar een kwartier voor ieders vertier.

 

De kaaien worden schoongeveegd, toegankelijker gemaakt voor de stadjesmensen die van een brakke zeebries willen genieten op de mooiere lente- en zomerdagen. Het idee kwam er door de groter wordende noodzaak om de meterslange rechteroever van de Schelde op te hogen met minstens een meter – om de stad te beschermen voor overstromingen – maar ook omdat de historische kaaimuur aan versteviging toe zou zijn. Antigoon wordt verhuisd naar de kelder, de kaaien worden ondergraven. Er zou een prachtige ondergrondse parking komen waar elke toerist zijn auto kwijt kan. De rivier wordt naar de stad gebracht, of de stad naar de rivier. Meer winkels, meer restaurants, meer cafés (al dan niet van het kaliber ‘Café Beveren’, alwaar nog een heus disco-orgel werkt) en vooral: meer bankjes, klinkertjes in plaats van kinderkopjes, meer zwembanden en lange, metalen stokken (die er omwille van elke roekeloze noodzakelijk hangen). Dit zal vast voor meer joggers en fietsers zorgen, en uiteraard meer toeristen, zeker als men de verbinding met Linkeroever effectiever wil maken. Althans, voor het centrale stuk van de kaaimuur; het zuiden wordt meer een wandelpad, terwijl het noorden natuurlijker wordt. Beeld u het Eilandje in, maar dan kilometers lang. Proper en gezellig. De kosten worden geschat op ongeveer 200 miljoen euro. De eerste werken starten ten vroegste in 2009: nog genoeg tijd om even van de huidige kaaien te genieten. Van de eenzaamheid, want pas op: de kaaien zijn gevaarlijk.



Interview met Leki
14/04/2007
🖋: 

Ze is knap, sympathiek, beroemd en heeft net een tweede plaat uit. Leki is goed op weg om op elke beeldbuis te verschijnen en zo de wereld van de wiegende beats te veroveren. Een aantal jaren geleden heette ze echter nog Karoline Kamosi (geboren in Kinshasa, 28 januari 1978) en studeerde ze nog gewoon Rechten aan de UA.

Waarom ben je eigenlijk Rechten gaan studeren?

Leki Na mijn middelbare studies wou ik doorgaan met muziek, maar mijn moeder heeft me aangespoord om eerst te gaan studeren. Je kent dat wel: "Je kunt het, dan heb je een diploma. Dat is een vangnet, daarna kun je altijd nog je zin doen..." Ik heb ook van dichtbij kunnen ervaren hoe onzeker de muziekwereld is. Mijn zus (Ya Kid K van Technotronic, nvdr.) had van de ene op de andere dag een wereldhit, maar zo plots als haar succes kwam, zo snel verdween het ook weer. Dat was dus ook één van de redenen waarom ik mijn moeder erin volgde dat het beter was om eerst een fatsoenlijk diploma te behalen. En voilà, ik ben eraan begonnen en ik ben vrij snel het studentenmilieu ingerold.

 

Hoe was je studententijd?

Leki Ik was euforisch tijdens de eerste weken op de universiteit en had het gevoel dat er een nieuw leven aanbrak. Ik kwam terecht in een compleet ander milieu met interessante mensen rondom me. Voordien zat ik me op school te vervelen en trok ik op met foute vrienden: ik was een beetje een rebel toen.

 

Je studies hebben je dus van het foute pad weten weg te houden?

Leki In zekere zin wel, ja. De aanvang van mijn studies betekende een breuk met mijn vorige leven: een leven waarin ik ook in nachtclubs werkte en niet echt gemotiveerd was om iets met mijn talent te doen. Mijn eerste jaar op de universiteit was echter ook niet bepaald om over naar huis te schrijven: ik genoot met volle teugen van het studentenleven, wat betekende dat ik het grootste deel van de week uitging.

 

Kon je dat combineren met het eigenlijke studeren?

Leki Niet echt. Het eerste jaar moest ik dan ook acht van de veertien vakken opnieuw afleggen, maar tijdens de zomer ben ik ervoor gegaan en ik was erdoor. In de tweede kandidatuur had ik een vaste vriend en hij heeft me een beetje weten te kalmeren, met het gevolg dat ik er dat jaar wél door was van de eerste keer.

 

Ik was tijdens mijn studententijd vooral bezig met mezelf en met het genieten van het leven.

 

Heb je je laten dopen?

Leki Ja, maar veel weet ik daar niet meer van. Ik zat in de studentenclub Sofia: we moesten de hele dag rondlopen en kleine opdrachtjes uitvoeren, waarbij ik elke keer wodka moest drinken. Toen we op een moment in een bepaald café zijn beland heeft mijn lichaam het begeven en konden ze met mij niets meer aanvangen. Ik herinner me dat ik daar op de grond lag en dat iedereen boven mij gebogen stond. "Ja, wat moeten we daar nu mee aanvangen?" hoorde ik ze zeggen. Uiteindelijk hebben ze me maar even laten liggen, en dat was dan mijn doop. Ik ben achteraf wel nog mee uit geweest. (lacht)

 

Zat je op kot?

Leki Nee. Ik woonde al in Antwerpen, dus dat was niet echt nodig. Ik genoot thuis ook van alle vrijheid die een kotstudent heeft. Verder had ik ook altijd een studentenjob – uiteindelijk bij de muziekzender JIMtv – dus ik was vrij onafhankelijk.

 

Was je een geëngageerd student?

Leki Ik moet eerlijk toegeven van niet. Ik was tijdens mijn studententijd vooral bezig met mezelf en met het genieten van het leven.

 

Is dat dan veranderd? Je stond bijvoorbeeld op het podium bij 0110.

Leki Ja, uiteraard ben ik me nu meer bewust van de problemen die zich voordoen in Antwerpen. Toen ik hoorde dat er concerten voor meer verdraagzaamheid georganiseerd zouden worden, wilde ik meteen graag meedoen. Ik ben dan ook heel blij dat ze me gevraagd hebben.

 

Hoe waren je jaren op Campus Drie Eiken?

Leki Ik zat wel graag op Campus Drie Eiken, in tegenstelling tot vele medestudenten. Het was er rustig. Het studeren zelf wilde echter niet meer zo goed lukken: ik was mijn motivatie kwijt en het laatste anderhalf jaar heb ik eigenlijk aan alles mijn voeten geveegd. Op dat moment was het zwaar voor me, maar ik heb het uiteindelijk toch gehaald.

 

Wat gebeurde er na je studies?

Leki Ik kwam terecht in een existentiële crisis, ik wist niet meer waar ik met mijn leven naartoe wilde. Hoewel ik mijn diploma had, dacht ik: ‘Wat nu?’ Ik vond dat een enorm moeilijke periode en ik had ook niet verwacht dat die leeftijd moeilijk zou zijn. Ze zeggen altijd dat de adolescentiejaren de pijnlijkste zijn, maar dat was voor mij alleszins niet het geval. Ik ben uiteindelijk een tijdje aan de slag gegaan in een onthaalcentrum voor asielzoekers, wat ik een heel leerrijke en boeiende job vond. Twee jaar heb ik het er volgehouden, maar iets in me bleef zeuren om een andere weg te kiezen. Ik moest en zou mijn leven vullen met het maken van muziek.

 

Ben je blij dat je je studies toch hebt afgerond, ook al doe je vandaag niets met je diploma?

Leki Uiteraard. Ik heb veel bijgeleerd en kan mijn mannetje staan in de wereld. Die vijf jaar studie hebben van mij een nuchter mens gemaakt. Ook op het vlak van de muziekindustrie: mensen zullen niet met mijn voeten moeten spelen.

 

Heb je nog tips voor alle laatstejaarsstudenten die nu ook een existentiële crisis tegemoet gaan?

Leki Ik heb maar één raad en dat is dat je gewoon datgene moet kiezen waar je hart naar uitgaat. Voor mij is dat muziek, het enige waarin ik mij volkomen gelukkig voel.



14/04/2007
🖋: 
Auteur

Op woensdag 28 maart kreeg dwars tijdens de wekelijkse redactievergadering bezoek. De Nationalistische Studentenvereniging (NSV) kwam een boek en een brief afgeven. Naar aanleiding van een door ons gepubliceerd artikel over de geschiedenis van deze studentenclub (zie dwars 37) overgoten ze een stapel dwarsen met azijn en vernietigden ze een groot deel van onze oplage.

 

Hierop volgden verschillende reacties (zie o.a. dwars 38) maar jammer genoeg niet van NSV zelf. Nu hebben ze dit dus wel gedaan. In de brief stond te lezen dat ze hadden gehoopt op verontschuldigingen van onze zijde en het boek bevat het eerste deel van de geschiedenis van de vereniging (1976-1991) die naar eigen zeggen een stuk objectiever is dan onze weergave. We zullen het exemplaar met veel aandacht doornemen en hopen dat de discussie nu gesloten is.

 

Van Dijck Wim, Hier komt het oud Sint-Jorisgild, 30 jaar nationalistische Studentenvereniging (NSV), Uitgeverij Egmont, Brussel, 2006.



14/04/2007
🖋: 

Vorig jaar stond de traditionele ‘Awareness week', die elk jaar in maart op de stadscampus wordt georganiseerd, volkomen in het teken van de aids/HIV-problematiek. Gedurende een hele week kwamen specialisten het onderwerp toelichten. Op een scherm in het Agora-café werd er geteld hoeveel nieuwe mensen besmet waren sinds het begin van de week. Een lovenswaardig initiatief, het virus blijft zich verspreiden en vormt een bron van onnoemelijk menselijk en sociaal leed. Het zijn echter niet enkel de 'arme Afrikaantjes' die hun aversie voor rubber zullen moeten overwinnen.

Het begon allemaal op een zonnige namiddag in oktober, steeds op zoek naar nieuws besloot ik een bezoek aan het ‘Andere Boek' te brengen. Als zelfs dit onderonsje van kritisch denkend Vlaanderen mij geen inspiratie zou bezorgen, kon ik net zo goed meteen mijn journalistieke jas aan de haak hangen.

 

Ik gaf er echter gauw de brui aan en maakte er dan maar een bezoek aan de cafetaria van het ‘Andere Boek' van. Naarmate de uren verstreken werd mijn glas leger, mijn blik holler en mijn blaas voller. Uiteindelijk werd de druk te groot en repte ik me zo niet goedschiks dan wel kwaadschiks naar het kleinste kamertje van de Plantin Hogeschool (sedert enkele jaren het decor van deze eigenzinnige boekenbeurs). Daar aangekomen stuitte ik op een eigenaardig toestel dat ik tijdens al mijn jaren op onze geliefde Stadscampus nog nooit had mogen aanschouwen. Hoog boven mij uit torende namelijk een immense condoomautomaat ter grote van het gemiddelde Parijse HLM.

 

Met de ‘openhartige' discussie van eind september over actief pluralisme – gevoerd op ons aller UA webmail–- nog fris in het geheugen, begonnen de radertjes in mijn hoofd koortsachtig te draaien. Na een kortstondig bezoek aan het Sodom en Gomorra van de Wilrijkse buitencampussen bleken mijn initiële vermoedens onmiddellijk bewaarheid. De Universiteit Antwerpen mocht dan wel eengemaakt zijn, over de urinoirs van de stedelijke campus heersten nog steeds duistere schimmen uit het verleden. Ik moest echter absolute zekerheid hebben. Mijn speurtocht leidde me langs alle potten en pissijnen die de campus rijk is. Vastberadener dan ooit wijdde ik me aan mijn roeping, Sint Ignatius in hoogst eigen persoon zou me niet meer van mijn pad hebben kunnen afbrengen. Het occasionele gegil van opgeschrikte medestudentes evenmin. (Bij deze wil ik toch even mijn excuses aanbieden voor eventuele ongemakken, maar zien jullie nu meisjes? Het was niet voor mij, maar voor de journalistiek!)

 

Mijn speurtocht leidde me langs alle potten en pissijnen die de campus rijk is.

 

Op het studentensecretariaat aangekomen, bleek dat ik niet de eerste was die deze sanitaire lacune kwam aankaarten. Blijkbaar hadden ook de jongeren van de socialistische mutualiteit al de vraag gesteld of het misschien toch niet nuttig zou zijn om voorbehoedsmiddelen beschikbaar te maken op een plaats waar dagelijks honderden jongvolwassenen voorbijkomen. Er werd me verteld dat men toen gehoor had gegeven aan deze klacht en dat er zich ‘ergens' op de campus wel degelijk een aantal automaten bevonden. Men wist alleen even niet meer precies waar. Mocht ik toch nog twijfels hebben, werd me aangeraden contact op te nemen met dhr. Bruno De Loght, hoofd van studentgerichte diensten.

 

Het was duidelijk wat me te doen stond, al moet ik eerlijkheidshalve bekennen dat ik even aarzelde bij de gedachte aan deze ontmoeting. Voor iemand met Iranese roots is het nu eenmaal niet evident om met een bebaarde man te gaan spreken over de verspreiding van voorbehoedsmiddelen. Mijn argwaan bleek evenwel ongegrond. De Loght had de moeite gedaan even te informeren naar de reden van de weldegelijk nog steeds ontbrekende automaten. Blijkbaar was het enige argument dat men hem kon geven, het feit dat er toch winkels genoeg in de buurt van de campus waren. Hij beloofde orde op zaken te stellen en zou veiligheidshalve via de geijkte structuren te werk gaan. Op de sociale raad van 30 november zou de hele zaak een agendapunt worden en eventueel konden de studentenartsen ook nog een dossier opstellen. Zo had er voor gezorgd kunnen worden dat in de nabije toekomst, ook op de Stadscampus, niet enkel de exemplaren van uw geliefde studentenblad maar ook de ongewenste kinderen een schaars goed zouden worden. Dit was echter buiten de waard gerekend, uiteindelijk werd het voorstel weggestemd, niet door één of andere pauselijke gezant, maar door onze bloedeigen studentenvertegenwoordigers, die blijkbaar de noodzaak van voorbehoedsmiddelen op een universiteitscampus niet inzagen.



Moussemfestival en MuHKA brengen hedendaagse Marokkaanse kunst naar België
13/04/2007
🖋: 

Het Moussemfestival wil de onwetende Vlaming kennis laten maken met wat de moderne Marokkaanse cultuur zoal te bieden heeft. Dit jaar verruimt de organisatie ook haar eigen horizon en biedt naast muziek, film en literatuur een kijkje in de hedendaagse Marokkaanse beeldende kunst. Het MuHKA geeft dit festival twee maanden vrij spel in haar benedenverdiepingen. Het resultaat van deze samenwerking is een multiculturele mix van woord, beeld en muziek met Marokko als referentiepunt.

Het beeldend luik dat nog tot 20 mei loopt onder de mysterieuze naam ‘ZONDER TITEL' geeft je de kans om een kunstlandschap te verkennen dat weinig gekend is in onze contreien. Er worden werken getoond die inhoudelijk of vormelijk op een eigentijdse manier verwijzen naar Noord-Afrika. Op het festival kan je zien hoe de hedendaagse kunst zich daar ontwikkelt in een omgeving die er niet onmiddellijk voor open staat. Één van de deelnemende artiesten is Hicham Benohoud, wiens gedeeltelijk documentaire, gedeeltelijk geënsceneerde foto’s iets surrealistisch hebben. Zijn bekendste werk ‘La salle de classe’ - dat ook te zien is op de tentoonstelling - toont leerlingen in de meest absurde houdingen terwijl hun klasgenoten quasi ongestoord verder werken.

 

Van opleiding bent u geen kunstenaar maar leraar plastische opvoeding. Was dat een bewuste keuze?

Hicham Benohoud Ik heb voor die opleiding gekozen omdat het in Marokko niet evident is om kunst te studeren en nog minder om daarna van je werken te leven. De kunstwereld is bij ons niet zo gestructureerd of georganiseerd als in het Westen: in Frankrijk zijn er bijvoorbeeld vijfenzestig verschillende kunstacademies en bij ons slechts twee! Na vier jaar kunstopleiding ben je wel officieel kunstenaar, maar dat maakt het nog niet gemakkelijk om te exposeren of werk te verkopen.

 

Zat de fascinatie voor fotografie er wel altijd in?

Benohoud Niet echt, ik ben eerder uit praktische redenen begonnen met fotografie. In Europa is het soms al lastig om modellen te vinden, maar de mensen kennen er het concept kunstenaar tenminste. In de Arabische wereld zijn veel mensen nog nooit in een museum geweest. Door hun onwetendheid staan ze vaak niet open voor onbekenden die hen willen afbeelden. Toen ik begon als leraar kwam ik niet zoveel buiten en dus vond ik geen mensen om te portretteren. Om toch te kunnen oefenen ben ik toen foto’s beginnen nemen van mijn leerlingen. Daarna maakte ik schilderijen van deze foto’s; deze portretfoto’s zijn later geëvolueerd naar de foto’s zoals je ze nu in de tentoonstelling kan zien. Een ander probleem is dat fotografie in Marokko nog altijd niet als een aparte kunstvorm wordt beschouwd. Er zijn sowieso al niet veel musea of galerijen waar men hedendaagse kunst toont en de weinige die er zijn - in grote steden als Casablanca, Rabat of Marrakech - willen alleen schilderkunst tentoonstellen. Er is in heel Marokko één fotogalerij in Marrakech, maar daar zie je dan weer alleen Franse fotografen.

 

Toch zijn er hedendaagse Marokkaanse kunstenaars die wel internationale bekendheid verwierven. Hoe hebben zij dit dan gedaan?

Benohoud Wel, er is een kleine groep kunstenaars die geluk heeft gehad. Elk jaar organiseert Frankrijk een evenement rond een bepaald land en in 1999 was dit Marokko. Enkele kunstenaars die toen afstudeerden aan de academie werden aangesproken en kregen de kans om in verschillende Europese landen te exposeren. Zo verwierven ze naambekendheid en iedereen die nu naar Marokko komt, wil hun werk bekijken. Maar over degenen die voor of na hen zijn afgestudeerd zal je internationaal weinig horen. Wie niet de kans heeft om naar het buitenland te trekken om financiële of andere redenen, heeft het zeer moeilijk om door te breken. Mensen die interessante en vooruitstrevende dingen doen vinden hier gewoon geen publiek. Uiteindelijk worden ze verplicht ‘postkaartjeskunst’ te maken: kleurrijke tafereeltjes met Marokkaanse sfeerbeelden en gesluierde vrouwen. Daar is wel een markt voor.

 

En u dan?

Benohoud Ik verdiende genoeg om rond te komen als leraar. Ik kon in het Institut français de Marrakech exposeren en maakte verschillende reizen naar het buitenland om te zien wat er daar zoal leefde. Nadat ik de eerste prijs won op het fotografiefestival van Arles, stelde een bevriende fotograaf mij voor aan de directeur van zijn galerij. Deze had mijn werk gezien en zo kon ik exposeren in Parijs.

 

Zijn er dan geen Marokkaanse kunstenaars die zich verenigen om zo toch enige erkenning te krijgen?

Benohoud Ik begrijp ook niet goed waarom dat in Marokko niet gebeurt. Toen ik in 1998 naar Marseille vertrok, bemerkte ik daar verschillende kunstenaarscollectieven: mensen die dezelfde ideeën hadden, samenwerkten, technieken uitwisselden. Bij ons lukt dat niet, kunstenaars zijn huiverig om hun kennis en deskundigheid te delen. Het is spijtig dat men in Marokko niet op dezelfde manier over kunst kan praten als hier in het Westen.

 

Leg uit?

Benohoud De westerse wereld heeft een lange kunstontwikkeling achter de rug. Reeds sinds de oudheid worden mensen in het Westen overal geconfronteerd met beelden en schilderijen: kijk alleen al eens naar de iconen in kerken. De schilderkunst heeft een hele evolutie doorgemaakt om het punt te bereiken waar ze zich nu bevindt.

 

En dat is nog niet gebeurd in het Midden-Oosten?

Benohoud Er bestaan hier andere tradities. Je hebt bijvoorbeeld een eeuwenlange traditie in de handwerkkunst, meubel- en juweelontwerp of geometrische decoraties van tapijten. Deze ontwikkelden zich tot een zeer hoog peil en die producten worden nog steeds over de hele wereld geëxporteerd. De echte schilderkunst zie je hier echter pas vanaf de kolonisatie door Frankrijk. De eerste Marokkaanse schilders waren bedienden, chauffeurs en koks van Franse kolonisten. Ze zagen hun meesters bezig met nieuwe technieken en raakten gefascineerd. Die eerste schilderkunst is wat men ‘art naïve’ noemt. Later, vanaf de onafhankelijkheid van Marokko in 1956, werden de eerste studenten naar het buitenland gestuurd om kunst te studeren. Zij kwamen terug met ideeën uit het Europa van de jaren vijftig, waar onder andere de abstracte kunst begon op te komen. Als je hun schilderijen bekijkt, vind je deze ideeën gecombineerd met motieven uit hun eigen geschiedenis en cultuur. Al bij al blijft de schilderkunst een recent verschijnsel bij ons.

 

Dus het is niet zo vreemd dat er nog geen markt voor is?

Benohoud Dat is waar. Je ziet de jeugd wel steeds geïnteresseerder worden. De tijd van ontdekken moet nog beginnen.



Erasmuscolumn
13/04/2007
🖋: 
Auteur extern
Lieze en Lin

Liefste Lin,

Laten we een kort sfeerbeeld schetsen. Ik bevind me in mijn keukentje. Naar mijn mening smaakvol en gezellig, al zijn andere uitgangspunten – zoals die van mijn ouders – ook gepermitteerd. Zij kwamen op bezoek, zagen dat het goed was en gingen weer naar huis. Een thuis in een thuis, opnieuw naar huis. Maar dit terzijde, gun me een moment van journalistieke vrijheid…

 

Bea brengt op dit moment haar tijd door in de douche: ze epileert zich vol goede hoop, want vanavond drinkt ze koffie met João. Af en toe ontsnapt er een dolle kreet uit de badkamer - ik denk dat ze het als zingen zou omschrijven. Ook Franz Ferdinand viert zijn muzikaal talent bot op de achtergrond: This fire is out of control / We're gonna burn this city! Geen paniek Franz, zo’n vaart zal het nu ook weer niet lopen. Alessandro probeert in zijn kamer de decibels van Franz te bekampen met een indrukwekkende reggae-sound. Bob Marley schalt uit zijn iPod: Everything is gonna be alright! Keep up the good vibes, Bob. Een Griekse vloek verbreekt mijn concentratie. Mado zit op haar knieën in haar kamer, achterwerk fier in de lucht: "Where is my fucking lens?!" Ola Mado, don’t panic, stay cool!

 

In dit zottenkot word ik verondersteld iets diepzinnigs en diepgaands op papier te zetten en na te denken over mijn erasmusbestaan, maar veel verder dan een ietwat debiele grijns kom ik niet. Het is vakantie en we zijn schoon en jong. Laten we pakken wat er te pakken valt en profiteren van wat er te profiteren valt. Hier is het alles-van-de-verniet! Met een dolle week Madrid, buren in de bomen, sangria met rietjes en emoties die alle kanten uit springen om tenslotte de pan uit te swingen als gevolg.

 

De oneindige verscheidenheid van dit leventje blijft me verbazen. Telkens als je denkt dat je het nu allemaal wel hebt gehad, steekt er iets nieuws de kop op. Het zit ‘m in de kleine dingen: een vloeiende Portugese conversatie, een vers ontdekt cafeetje, een nieuwe nationaliteit om aan het rijtje toe te voegen.

 

Om het met Diego’s woorden te zeggen: "A vide é uma festa, porque é uma festa".

 

Geniet ervan, meid!

 

Lieze

 


 

Lieve Lieze,

 

Heb je nog wilde avonturen beleefd? Ik had je graag overbluft met een sterker verhaal. Ik dacht me eventueel te wagen aan een stierengevecht in de arena achter de hoek: typisch Spaans en een echte uitdaging. Maar misschien is het toch veiliger het gewoon te houden op wat ik hier de voorbije weken heb uitgespookt.

 

Ik heb een bezoekje gebracht aan la capital van Spanje. Drie dagen heeft het geregend. Mijn impressie is daardoor wel erg vertekend. Madrid is groot en erg beperkt qua sightseeing. Op cultureel vlak heeft het dan weer wel veel te bieden: schitterende musea. In mijn ogen is Valencia toch een gezelligere stad. Het voelde dan ook aan als thuiskomen toen ik met de bus Valencia binnenreed langs een oase van groen in de drooggelegde Turia-rivier en het zonnetje prettig voelde prikkelen op m’n gezicht.

 

Twee dagen later stond er al een volgend reisje op het programma met twee vrienden: het noorden van Spanje. Na een vermoeiende rit op de nachtbus kwamen we aan in Bilbao en San Sebastián: erg leuke stadjes. De architectuur van het Guggenheim-museum in Bilbao was erg indrukwekkend.

 

Spanje staat bekend voor zijn zakkenrollers. Tassendieven zijn in Valencia uiterst bedrijvig en alomtegenwoordig. Op een avond in een café voor ik naar een discoteca ging werd mijn handtas vanonder de tafel gejat. Op het consulaat wisten ze me te vertellen dat dit dagelijkse kost is: een magere troost. Een kleine week later is het lelijke, oude zadel van mijn fiets gestolen. Puur om de kick van het stelen allicht, want dat was zelfs geen euro meer waard.

 

Op straat vragen voorbijgangers me dikwijls de weg. Zie ik er dan toch al wat Spaanser uit of gedraag ik me Spaans? Het flatteert me erg, maar ik moet hen telkens teleurstellen door te zeggen dat ik het niet weet.

 

Abrazo en tot later,

 

Lin



Eigen gelijk eerst
13/04/2007
🖋: 
Auteur
Auteur extern
Kris Van Dijck en Jef Verschueren

Vlaams minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke merkte onlangs op dat een ondoordachte keuze voor meertalig onderwijs tot 'zerotaligheid' zou kunnen leiden. Dit raakte een gevoelige snaar bij heel wat politici en academici: voor- noch tegenstanders lieten zich onberoerd in het debat. dwars zocht N-VA-fractievoorzitter Kris Van Dijck op, die meent dat meertalig onderwijs geen goed idee is. Jef Verschueren, decaan van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte, is het hier echter niet mee eens.

Contra

Meer talen in het onderwijs: ja! Voor de N-VA blijft een zeer goede Nederlandse taalvaardigheid het eerste streefdoel. Het onderzoek van Jan Adé (2000) toonde op pijnlijke wijze aan dat het bijzonder slecht gesteld is met de taalbeheersing van het Nederlands, ook bij studenten van wie Nederlands de moedertaal is! De vraag naar scholieren en studenten met een betere beheersing van het Nederlands klinkt steeds luider.

De discussie over het meertalig onderwijs heeft ook een belangrijk sociaal aspect. Kiezen voor meertalig onderwijs is kiezen voor duaal onderwijs. Het zullen immers in eerste instantie ouders zijn die hun kinderen een ideale omkadering kunnen geven die zullen kiezen voor meertalig onderwijs. Voor sociaal zwakkeren, kinderen met leerproblemen… zal meertalig onderwijs een extra drempel zijn. Hetzelfde voor allochtonen die naast het Nederlands meteen met een bijkomende vreemde taal zullen worden geconfronteerd. Bovendien druist meertalig onderwijs volledig in tegen het gevoerde beleid in de Rand, dat zich juist richt op Nederlandse taalversterking.

De slinkende voorsprong van Vlaanderen op het vlak van talenonderwijs moet men ook niet overdrijven. Vlaanderen scoort op Europees vlak nog steeds zeer hoog inzake meertaligheid. Het is zelfs een van de weinige indicatoren uit het Pact van Vilvoorde die we zeker zullen realiseren tegen 2010. Meertaligheid is een absolute noodzaak in een groeiend Europa waarin interne mobiliteit steeds meer nadruk zal krijgen, daaraan twijfelt niemand. Werken aan meertaligheid moet dan ook een van de kerntaken van het onderwijs blijven. De N-VA gelooft in meer talen in het onderwijs om dit te bereiken, maar niet in meertalig onderwijs. De N-VA is immers niet bereid om de resultaten van de jarenlange strijd voor een democratisch onderwijs op de helling te zetten.

 

Kris Van Dijck, N-VA-fractievoorzitter in het Vlaams parlement

 

Pro

Er is niets mis met eentalig onderwijs. Op voorwaarde dat het ten dienste staat van een eentalige maatschappij.

Aan die voorwaarde voldoet Brussel niet. Tweetalig onderwijs lijkt dus aangewezen, waarbij een tweede taal voorwerp én medium vormt voor een deel van het curriculum. Er is mij geen studie bekend die aantoont dat deze benadering nadelig zou zijn voor de leerlingen. De beheersing van beide instructietalen gaat erop vooruit en de eindcompetenties zijn niet alleen nuttig voor de toekomstige manager of ambtenaar, maar ook voor de loodgieter en de fabrieksarbeider.

Ook Vlaanderen in zijn geheel voldoet niet aan de voorwaarde. In één op zes gezinnen wordt een andere taal dan het Nederlands of naast het Nederlands gesproken, in stedelijke omgevingen nog meer. Ook daar zou een vorm van tweetalig onderwijs voor doelgroepen met een voldoende kritische massa nuttig zijn. Buitenlandse voorbeelden tonen aan dat actieve meerderheidssteun voor het taalbehoud van minderheden de sociale cohesie versterkt, terwijl het op geen enkele wijze belemmerend is voor de verwerving van de dominante taal van de omgeving.

Het begrip ‘zerotaligheid’ dat minister Vandenbroucke onlangs lanceerde in een pleidooi tegen tweetalig onderwijs in Brussel kan alleen een politieke agenda dienen. Met begrippen in dienst van een politieke agenda is niets mis, als die agenda verstandig is. De minister houdt een warm pleidooi voor meertaligheid, maar alleen als elitaire constructie bovenop een fundament dat de ontmanteling van reeds bestaande meertaligheid vooronderstelt. Is het verstandig om op deze wijze de illusie van het eentalige Vlaanderen als uitgangspunt te blijven gebruiken?

 

Jef Verschueren, decaan van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte aan de Universiteit Antwerpen