Eigen gelijk eerst
20/09/2007
🖋: 
Auteur
Auteur extern
Marnix Beyen, Dave Sinardet en Geert Lambert

Bij de Vlaamse partijen klinkt het bijna eenstemmig dat de moeilijke regeringsvorming de schuld van de Franstaligen is. Het antwoord is dan ook eenvoudig: meer regionaliseren en minder België. Of toch niet? Enkele prominente academici verzamelden zich en onder de naam Paviagroep pleiten zij voor een kieskring die de gewesten overstijgt. In deze federale kieskring zouden 15 van de 150 zetels toegewezen worden: Vlamingen kunnen dan ook op Waalse politici stemmen en vice versa. Spirit-voorzitter Geert Lambert is het niet eens met het pleidooi van Marnix Beyen en Dave Sinardet, twee UA-academici die verbonden zijn aan de Paviagroep.

Pro

De federale kieskring, een eigentijds electoraal instrument

Het voorstel voor een federale kieskring, dat in februari 2007 werd gelanceerd door de Pavia-groep, wordt door tegenstanders gemakkelijk afgedaan als een weinig vruchtbare poging om terug te keren naar een unitair België. Daarbij verliezen zij, al dan niet bewust, uit het oog dat in de Belgische geschiedenis nooit zoiets als een federale kieskring heeft bestaan en dat de bedenkers van het voorstel allesbehalve verstokte belgicisten zijn.

Het idee om 15 zetels van de Kamer van Volksvertegenwoordigers voor te behouden voor afgevaardigden die zijn gekozen in een federale kieskring blikt niet nostalgisch achteruit. Het biedt integendeel een eigentijds antwoord op een probleem waarmee in wezen alle representatieve democratieën worstelen – het probleem, meer bepaald, hoe de fictie van de ‘volksvertegenwoordiging’ in een kiessysteem moet worden vertaald. Dat het 19de-eeuwse systeem, met kleine kiesomschrijvingen en dus sterk op hun lokale belangen gerichte vertegenwoordigers, niet aan het ideaal beantwoordde, werd al vroeg begrepen. Een tendens naar verruiming van de kiesomschrijvingen zette zich in, met het Nederlandse systeem van de ‘nationale kieskring’ als meest extreme manifestatie. Dat een dergelijk systeem ten nadele gaat van de nabijheid tussen de politicus en de kiezer, maken de recente ontwikkelingen in Nederland echter steeds meer duidelijk. Het voorstel van de Pavia-groep combineert de voordelen van beide systemen door aan elke kiezer twee stemmen voor de Kamer te geven: één om een vertegenwoordiger aan te duiden binnen een provinciale kieskring (of, tot nader order, in het arrondissement Leuven of Brussel-Halle-Vilvoorde) en één om een kandidaat te verkiezen die op de federale kieskring opkomt. Op die manier kan hij of zij zowel ‘lokale’ bekommernissen politiek laten meespelen als nationale preferenties te kennen geven. De partijen die zich presenteren op de provinciale en de federale lijsten kunnen dezelfde zijn, maar evengoed kunnen partijen voor de federale kieskring lijstverbindingen aangaan, al dan niet over de taalgrens heen. Op die manier kan zich ook voor materies die momenteel nog federaal zijn een reële democratische dynamiek ontwikkelen, los van alle lokale, regionale of communautaire belangen.

Is de combinatie van een lokale en een ‘nationale’ kieskring voor alle representatieve systemen heilzaam, dan geldt dit des te meer voor de complexe federale staat die België heet. In tegenstelling tot andere federale landen beschikt België sinds het einde van de jaren 1970 niet meer over nationale partijen. Het gevolg daarvan is een schrijnend democratisch tekort. De federale politieke instellingen worden immers bevolkt door politici die zich slechts tegenover één landsdeel hoeven te verantwoorden. Er is weinig verbeeldingskracht voor nodig om in te zien dat een dergelijke situatie communautair opbod in de hand werkt en een constructieve dialoog bemoeilijkt. Zij creëert een atmosfeer waarin problemen ‘onverwijld’ of ‘onvoorwaardelijk’ moeten worden opgelost of integendeel ‘onbespreekbaar’ zijn. Zelfs wie een verregaande staatshervorming nastreeft, is nochtans weinig gediend met dergelijke krachtwoorden. Dat hebben Yves Leterme en Bart De Wever de voorbije weken pijnlijk hard moeten vaststellen. Zowel voor wie de huidige federatie beter wil laten functioneren als voor wie haar verder op een democratische wijze wil uitkleden, biedt de federale kieskring mogelijkheden die in de huidige institutionele context ontbreken.

 

Marnix Beyen en Dave Sinardet zijn verbonden aan de Paviagroep en respectievelijk historicus en politicoloog aan de Universiteit Antwerpen.

 

Contra

Leuke denkoefening, maar niet realistisch

"Il y a en Belgique des Wallons et des Flamands. Il n'y a pas de Belges." De beruchte uitspraak van Jules Destrée is bijna honderd jaar oud en heeft nog niets aan actualiteitswaarde ingeboet. De federale verkiezingscampagne en de moeizame regeringsvorming illustreren het nog maar eens: we kennen elkaar niet, we begrijpen elkaar niet en er is meer onderling wantrouwen dan verbondenheid. Als je niet beter wist zou je denken dat de Vlaamse en Franstalige pers commentaarstukken schrijven over twee verschillende landen. De bekendste BV’s zijn over de taalgrens nobele onbekenden, terwijl Franstalige sterren als Cécile de France of Benoît Poelvoorde in Vlaanderen hetzelfde lot beschoren zijn.

Sinds de opsplitsing van de unitaire politieke partijen leven Vlamingen en Franstaligen ook politiek in twee verschillende landen. Er bestaan als het ware twee gescheiden democratieën die na de verkiezingen een gezamenlijke regering moeten vormen. Dat vergemakkelijkt de zaken er uiteraard niet op, maar het is nu eenmaal eigen aan een federatie met ruwweg twee gelijkwaardige delen. Denken dat je deze situatie rechttrekt met een leuke denkoefening als het voorstel van de Pavia-groep is om het zacht uit te drukken een tikkeltje naïef. Men kan de klok van enerzijds regionalisering en anderzijds Europese integratie niet meer terugdraaien.

Los daarvan is het voorstel ook hoogst onrealistisch. Een federale kieskring past in ons Belgische staatsbestel, dat is opgebouwd rond fragiele evenwichten, als een baksteen in een kaartenhuisje. Zo maken de paritaire samenstelling van de federale regering en de bijzondere meerderheden in het parlement het numerieke overwicht van de Vlamingen politiek ongedaan. In ruil is er een gegarandeerde vertegenwoordiging van de Vlamingen in Brussel. Het voorstel van een nationale kieskring zet dit alles op de helling. Het feit dat in het voorstel negen van de vijftien verkozenen Nederlandstalig moeten zijn, geeft trouwens al aan dat een nationale kieskring niet past in ons systeem.

Zolang het Paviavoorstel voor een federale kieskring niet gelijktijdig voorziet in de opheffing van de bovenvermelde grendels, draagt het niet bij tot een vermindering van de scheeftrekking van de democratie op Belgisch niveau. Het vergroot ze zelfs door de tweetalige kieskring B-H-V tot het hele Belgische grondgebied uit te breiden. Daarnaast voert zo’n kieskring een onhaalbare kiesdrempel in voor kleinere partijen.

De bedenkers van de federale kieskring beweren dat de gescheiden kieskringen afbreuk doen aan het democratisch gehalte van onze instellingen. Ik kan als Vlaming immers niet stemmen voor Elio Di Rupo of Michel Daerden. Maar is dat echt zo ondemocratisch? Ik kan me niet herinneren dat Freya Van den Bossche of Patrick Janssens op mijn stembrief stonden in Oostende. En toch zijn ze verkozen in het federale parlement. Is dat ondemocratisch? En zijn landen als het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, waar ook geen nationale kieskringen bestaan, dan geen democratieën?

En tot slot: stel dat Yves Leterme in een dergelijke prothese-kieskring verkozen raakt met achthonderdduizend Vlaamse stemmen en tien Franstalige, zou dat van hem een meer legitieme premier maken? Ik denk het niet.

 

Geert Lambert is voorzitter van Spirit



Steeds meer studenten leven van OCMW-steun
20/09/2007
🖋: 
Auteur

“Aantal studenten die van OCMW leven verdubbeld in drie jaar tijd” kopte De Morgen deze zomer. Het aantal Vlaamse studenten met een leefloon steeg van 714 in 2002 naar 1.375 in 2005. Socioloog Koen Hermans voegde er zelfs aan toe dat zij slechts het topje van de ijsberg zijn. Wanneer heeft een student recht op steun van het OCMW en welke gevolgen heeft dit voor zijn of haar studies en levenskwaliteit? Zijn we over de piek heen of blijft het aantal studenten met een leefloon groeien? dwars ging op onderzoek.

“De stijgende trend zet zich ook nu voort”, zegt Marianne De Canne, stafmedewerkster van het departement Maatschappelijke Integratie van het OCMW-Antwerpen. “In het eerste kwartaal van 2006 waren er 275 voltijdse studenten met een leefloon in Antwerpen. Begin 2007 waren dit er al 403.”

 

De oorzaken

“Blijkbaar zijn er meer en meer jongeren die de relatie met hun ouders verstoord zien”, vervolgt de OCMW-medewerkster, “maar vroeger wisten veel studenten nu eenmaal niet dat ze misschien recht hadden op een leefloon. Je mag de stijgende cijfers niet enkel negatief zien: het is mogelijk dat er meer probleemsituaties zijn, maar de bekendheid van leeflonen voor studenten is tevens sterk toegenomen. Deze bekendheid is natuurlijk een goede zaak voor studenten die de hulp echt nodig hebben. Het nadeel is dat jongeren vaak zonder grondige reden bij ons komen aankloppen: we moeten heel wat aanvragen weigeren.”

 

“Binnen gezinnen zijn er vaak generatieverschillen die leiden tot ‘normale’ conflicten. Het is niet de bedoeling dat jongeren na een ruzie meteen een leefloon komen aanvragen om alleen te gaan wonen", verduidelijkt De Canne. "Ouders zijn onderworpen aan de onderhoudsplicht, en de gewone gang van zaken is dan ook dat zij voor hun kinderen zorgen zolang die recht hebben op kindergeld. Het leefloon is slechts een laatste redmiddel."

 

De procedure

Als de situatie ernstig blijkt, onderneemt het OCMW verschillende stappen. “Het eerste wat we doen is de jongere aanmoedigen het toch met zijn of haar ouders uit te praten. Eventueel kunnen wij daarbij bemiddelen. Als blijkt dat de ouders niet willen betalen en dus aan de onderhoudsplicht verzuimen, zijn er twee mogelijkheden. De jongere kan besluiten zijn ouders voor de rechtbank te dagen, waar wij eventueel bij kunnen helpen. De rechtbank bepaalt dan het maandelijkse bedrag dat de ouders moeten afstaan. Jongeren zien het echter meestal niet zitten om hun ouders voor de rechter te slepen. Dan verstrekken wij een leefloon en proberen dit, of een deel ervan, terug te vorderen van de ouders. De grootte van dat deel is afhankelijk van de financiën van het gezin en wordt berekend op een schaal die voor heel België geldt. Als de ouders nog steeds weigeren te betalen zetten wij een gerechtelijke procedure van schuldvordering in werking", besluit De Canne.

 

Om recht te hebben op een leefloon moet de student sowieso voltijds studeren, nog geen ander hoger diploma verworven hebben en jonger zijn dan 25 bij aanvang van de studie. De Vlaamse Vereniging voor Studenten vindt deze voorwaarden onterecht. Nele Spaas van VVS licht toe: “De leeftijdskwalificatie strookt niet met het levenslang studeren dat de overheid promoot. En de verplichting tot voltijds studeren is inconsequent met het flexibiliseringsdecreet in het hoger onderwijs, waardoor deeltijdse studietrajecten gebuikelijker worden.”

 

De studiekeuze

De bedoeling van het leefloon voor studenten is dat de studie hun kansen op de arbeidsmarkt vergroot. OCMW’s geven daarom de voorkeur aan studierichtingen die onmiddellijk uitzicht op een job bieden: een keuze voor kunst of wijsbegeerte is niet evident voor een student die steun van het OCMW wil. De wet specificeert hier echter weinig, waardoor veel afhangt van de verschillende OCMW-centra. Volgens Marianne De Canne is dit niet zo’n probleem bij de Antwerpse OCMW’s: “We geven uiteraard de voorkeur aan een diploma dat uitzicht geeft op een snelle tewerkstelling, maar uiteindelijk is de keuze aan de student. We ondersteunen bijvoorbeeld ook meerdere studenten filosofie. We grijpen enkel in als de keuze van de jongere niet haalbaar blijkt: dit beoordelen we op basis van de examenresultaten of de voorgeschiedenis. We houden vervolgens nauwlettend de studieresultaten in het oog. Het OCMW probeert op te treden als een strenge maar rechtvaardige ouder.”

 

VVS stelt zich vragen bij deze methode: “Onderzoek toont aan dat discussie over de studiekeuze van de kinderen een van de belangrijkste oorzaken is waarom zij het ouderlijk huis verlaten en beroep doen op het OCMW. Als dan ook het OCMW zich gaat moeien met die studiekeuze, wat in vele OCMW-centra wel degelijk gebeurt, is de situatie van de student niet wezenlijk verbeterd. Verder zijn de OCMW-medewerkers in de eerste plaats maatschappelijke assistenten. In pedagogisch opzicht zijn zij niet altijd even goed geplaatst om zich over het academisch potentieel van jongeren uit te spreken, zowel bij de studiekeuze als bij het opvolgen van de resultaten. Toch gaan zij soms louter op basis van zijn of haar voorgeschiedenis oordelen over wat een jongere mag studeren.”

 

“De wet die de leeflonen voor studenten regelt is een zeer goed initiatief die een noodzakelijk sociaal vangnet biedt. Op veel punten is de wet echter te vaag en laat ze te veel interpretatievrijheid. Dit leidt ertoe dat veel in de onderhandelingen tussen OCMW en student bepaald wordt. Dat biedt weinig rechtszekerheid en zorgt voor inconsequenties en problemen”, besluit Spaas.

 

Vakantiewerk verplicht?

en ander gevolg voor studenten die een leefloon trekken van het Antwerpse OCMW is dat zij verplicht worden een maand vakantiewerk te doen. Marianne De Canne vindt dat een goede zaak: ”Zo leren de studenten dat ze er baat bij hebben zich in te spannen. Bovendien hebben ze dan minstens één maand een ietwat comfortabeler leven.” Ook deze regeling trekt Nele Spaas in twijfel: “Bij VVS vinden we dit een malafide praktijk. Verscheidene OCMW's betalen studenten slechts elf maanden per jaar en verplichten de leefloonstudent om een maand vakantiewerk te doen. In de wet staat echter dat de studenten ten zeerste aangemoedigd moeten worden om te gaan werken, maar dat er billijke redenen kunnen zijn die hem of haar hiervan verontschuldigen. Moeten studeren voor herexamens is zeker een geldige reden voor een vrijstelling van het vakantiewerk. Het is toch ronduit absurd dat het OCMW een student die moeilijkheden had tijdens het jaar verplicht om een maand als jobstudent te werken, waardoor deze student zich niet voldoende op zijn herexamens kan toeleggen? Als hij dan niet slaagt loopt hij de kans dat hij zijn OCMW-steun verliest, terwijl net het OCMW hier voor een deel schuld aan heeft.”

 

Dicht bij huis: de sitUAtie

“Aan de Universiteit Antwerpen zien we niet echt een groei van het aantal studenten met een leefloon”, stelt Annick Flour van het Studenten Informatie Punt (STIP). Haar collega An Van Hout vult aan: “Ieder jaar komen er een vijftal nieuwe gezichten aankloppen voor financiële steun. Een merkbare stijging is er niet. De studenten komen hun verhaal vertellen en dan zoeken we samen naar een oplossing. Wanneer het probleem ernstig is, sturen we hen door naar het OCMW. We zoeken op waar ze terecht kunnen en begeleiden hen hier eventueel bij. In de meeste gevallen krijgen ze dan ook een leefloon.”

 

“We zien waarschijnlijk maar een klein deel van de studenten met financiële problemen”, vertelt Flour. “Sommige studenten hadden al een leefloon voor ze naar de Universiteit Antwerpen kwamen, en andere zijn dan weer terughoudend om bij ons aan te kloppen. Ook bij de studenten die toch die stap zetten, merk je dat het hen vaak erg lastig valt over de situatie thuis te spreken.”

 

Drempelvrees?

“Ik ben door mijn moeder min of meer op straat gezet”, getuigt een anonieme UA-student, “en ik vind het moeilijk daar met anderen over te praten. Het is een lang en complex verhaal en het kan gemakkelijk verkeerd begrepen worden wanneer ik het vertel. Ik hoef geen medelijdende blikken. Dat is eigenlijk de voornaamste reden waarom ik tegen vrienden en kennissen liever zwijg over mijn leefloon: ik vind het niets om me over te schamen, maar iedere keer moet ik dan het verhaal erachter vertellen.

 

Om naar het OCMW te stappen voelde ik geen drempel: toen ik op straat stond, had ik geen andere keuze. Nu mijn kindergeld, studiebeurs en alimentatiegelden aangevuld worden door het leefloon, kan ik in mijn onderhoud voorzien. Zeker in het begin was het echter niet altijd aangenaam: mijn hele leven werd beheerst door geld. Bij alles wat ik deed of kocht moest ik me vragen stellen. Aan het einde van de maand wist ik na mijn inkopen in de Aldi iedere keer op voorhand hoeveel ik aan de kassa zou moeten betalen: ik had iedere cent al geteld. Nu heb ik het financieel wat beter.”

 

“Het OCMW-centrum is nogal slordig in het opvolgen van mijn studies”, vervolgt de student, “maar als ik niet slaag, zouden ze het wel opmerken. Ik denk echter dat ze het de eerste keer door de vingers zouden zien. Voorlopig hoef ik me er geen zorgen over te maken: mijn herexamens waren in orde.” “Studenten met een leefloon zijn vaak erg gemotiveerd”, verduidelijkt Marianne De Canne. “We hebben het onderzocht en wat blijkt: tot 80% van onze steuntrekkende studenten haalt zijn diploma! Dat is een prachtig cijfer.”



20/09/2007
🖋: 

Als je ouders voorstellen om nog een keer met “de familie” op reis te gaan, sla dat aanbod dan niet in de wind want wie weet beland jij ook wel met je moeder in Tokio. “Waar wil je naartoe?” betekent meestal een keuze tussen Frankrijk of Spanje, maar als je lang genoeg aandringt – en belooft alles zelf te zullen regelen – kan het gebeuren dat je plots op een 11 uur durende vlucht richting Narita zit, met naast je een zenuwachtige moeder die langzaam begint te beseffen waaraan ze begonnen is.

Eens aangekomen rijden de Friendly Airport Limousine bussen je tot aan je hotel via de Rainbow Bridge, een brug die over de Baai van Tokio hangt en de stad zelf vanuit de hoogte bereikt, zodat je tussen torenhoge constructies van glas en staal langzaam afdaalt tot het hart van de stad. Een echt geografisch ‘centrum’ is er echter niet: Tokio bestaat uit 23 wijken waarvan de een al wat hipper is dan de ander. Het middelpunt van de stad wordt bepaald door de massa (acht miljoen inwoners). Shinjuku en Shibuya zijn de wijken waar de meeste Japanners zich heen reppen om te winkelen, werken en ontspannen. De hoofdstations in beide wijken verschaffen toegang tot metro en trein. Op spitsuren zitten de trein- en metrostellen boordevol. Shinjuku Station verwerkt dagelijks ongeveer twee miljoen reizigers, wat twintig keer meer is dan de maximumcapaciteit van het vernieuwde station in Antwerpen.

 

De drukte is echter niet storend; Japanners zijn van nature rustige mensen. Op de metro doet de helft van de passagiers zelfs aan power napping. De drukte kan er echter wel toe leiden dat je hopeloos verloren loopt in de ondergrondse doolhoven. Het moeilijkst is dan ook niet het nemen van de metro of de trein naar een bepaalde bestemming, maar wel het vinden van de juiste uitgang. Bijna alle stations zijn via lange wandelgangen en roltrappen aangesloten op grote kantoorgebouwen en winkelcentra. De massa volgen is dan niet altijd zo verstandig, want als die wordt opgeslokt door een wolkenkrabber, en jij op een klein parkje uitkomt, is de kans groot dat je door één verkeerde uitgang op 4 kilometer van je oorspronkelijke bestemming terechtgekomen bent. Mensen bieden echter spontaan hulp aan als ze je zien turen in een kleine stadsgids. Zo kregen we na een al veel te lange zoektocht naar het Museum of Contemporary Art op de rand van Tokio – en na het vruchteloze aanklampen van een plaatselijke politieagent die niet kon kaartlezen – de hulp van een zakenman die eerst het museum opbelde en ons vervolgens op een taxi zette naar de juiste bestemming. Denk voortaan dus twee keer na vooraleer je de zoveelste Japanse toerist een willekeurige richting uitstuurt.

 

Een cliché dat ontkracht moet worden is dat Tokio een erg dure stad is. In een hotel in het centrum zal je geen fortuin moeten neertellen, al ligt het naast het Park Hyatt, de verblijfplaats van Bill en Scarlett in ‘Lost in Translation’. Tokio is op veel vlakken zelfs goedkoper dan Antwerpen. Voor eten, drinken, metrogebruik en toegang tot musea betaal je in de properste stad ter wereld minder dan thuis, en de service is veel beter. In elke winkel, van een designer store tot het kleinste supermarktje, word je door de werknemers – meestal opgetutte Japanse schonen - vriendelijk begroet met een irrashaimaseee ('welkom'). Wanneer je dan daadwerkelijk iets gekocht hebt, escorteren ze je vaak met je inkopen naar de deur om die daar te overhandigen en een diepe buiging te maken, immer gevolgd door arigato-gozaimasu ('hartelijk bedankt').

 

Tokio bestaat gelukkig niet alleen maar uit winkelcentra. De vele wolkenkrabbers worden geflankeerd door parken, die als groene eilandjes door de stad verspreid liggen. 's Avonds verandert Tokio dan weer in een neonparadijs. Een drankje in de New York Bar op de tweeënvijftigste verdieping van het Park Hyatt, of een avondje Shibuya terwijl er een tropische storm woedt zijn aanraders voor iedereen die wil baden in het achtergelaten aura van Scarlett Johansson. Voor de anderen is er ook nog altijd het pittoreske Tokyo Bay, waar je naast Sega’s virtual reality arcade ‘Joypolis’ ook een Disneyland, een strand en – uiteraard – een gigantisch winkelcomplex vindt. Genoeg te doen dus in Tokio, zeker als je er maar een week verblijft. Helaas heb je dan nog maar aan het topje van de ijsberg gelikt.



opinie
20/09/2007
🖋: 
Auteur extern
Frank Willaert

Onderwijsrendement. Ranking. Stakeholders. Output. Accountability. Marketing. Internationalisering. Het discours van en over de universiteit is vandaag doordrongen van managementjargon. Dat de universiteit meer en meer als een bedrijf wordt beschouwd, blijkt ook uit de vaak gehanteerde metafoor dat ‘onze hersenen onze enige grondstof zijn die op de meest efficiënte wijze moet worden geëxploiteerd’. Als onze hersenen grondstof zijn, dan is kennis een product, de onderzoeker een producent, de universiteit een onderneming, de student een klant en de maatschappij een vereniging van aandeelhouders.

De infiltratie van het managementdenken in het academische milieu heeft verregaande gevolgen, die niet allemaal even onschuldig zijn. Zo betekent ‘academische vrijheid’ voor veel onderzoekers dat ze zelf het onderwerp van hun onderzoek kunnen bepalen. Een bestuurder zal er echter veeleer op wijzen dat de universiteit haar financiële onafhankelijkheid maar zal kunnen handhaven in de mate dat academici inspelen op maatschappelijke noden. Noden die niet door de onderzoeker worden bepaald, maar door de ‘stakeholders van de universiteit’. Hierbij rijst de vraag hoe weids de speelruimte voor het universitaire onderzoek in de toekomst zal zijn. Een uitspraak van de Britse Minister van Onderwijs voorspelt alvast niet veel goeds: ‘I don’t mind there being some medievalists around for ornamental purposes, but there is no reason for the state to pay for them.’ Als deze opvatting ook elders onder beleidsmakers heerst, ziet het er beroerd uit voor iedereen die niet in staat is de ‘juiste’ maatschappelijke noden te detecteren: die worden allemaal mediëvisten.

 

Wat hierbij bijzonder opvalt is dat de universiteiten zelf weinig vragen stellen bij deze evolutie. Ik zie hiervoor – naast onze collectieve angst voor de grote Aziatische tijgers – twee verklaringen. De eerste is dat het nieuwe discours redelijk en vanzelfsprekend lijkt. Welke academicus zal ontkennen dat excellentie, accountability of internationalisering ook zijn waarden zijn? De bevreemding begint pas als blijkt dat deze ‘deugden’ ook meetbaar moeten zijn, en dat wat niet telbaar is, inderdaad niet ‘telt’. En de bevreemding wordt vervreemding wanneer de meetcriteria niet of maar gedeeltelijk sporen met wat de academicus zelf van belang acht. Is een helder geschreven en goed doordacht essay in een algemeen cultureel tijdschrift ‘van minder belang’ dan een stevig bevoetnoot A1-artikel? Zal de neerlandistiek toenemen in kwaliteit wanneer ze in het Engels publiceert? Vergelijkbare vragen kunnen over de kwaliteitsmeting in het onderwijs worden gesteld. Is de lesgever die zich nauwgezet aan zijn ‘studiewijzer’ houdt per definitie ‘beter’ dan wie inspeelt op de nieuwsgierigheid van studenten en daarbij zijn syllabus vergeet? Weegt de gedrevenheid van een docent op tegen een matig gebruik van PowerPoint? Is het aanleren van vaardigheden per definitie te prefereren boven het onderwijzen van kennis?

 

De tweede reden voor de infiltratie van het manageriale in het academische vertoog ligt in de aard van sommige onderzoeksdisciplines. Enerzijds zijn er de toegepaste wetenschappen, waar de maatschappelijke relevantie en rendabiliteit vanzelfsprekend lijken, ook al is de relatie tussen onderzoeker en opdrachtgever soms problematisch, bijvoorbeeld bij de openbaarmaking van onderzoeksresultaten. Anderzijds zijn er de ‘meetbare wetenschappen’ die hun gegevens statistisch verwerken, cumulatief van aard zijn (elke nieuwe uitvinding of ontdekking vormt de basis voor een volgende wetenschappelijke ontwikkeling) en zich hoofdzakelijk in het Engels manifesteren. Wanneer er gepraat wordt over de universiteit in de kennismaatschappij (vooral dan in termen van ‘toponderzoek’, ‘onderzoeksgroepen’, ‘impactfactoren’…) gaat het bijna alleen over dit onderzoek. Overigens neemt ook hier de druk toe om het onderzoek marktgerichter te maken, omdat dit ‘de enige weg naar de kenniseconomie’ zou zijn. De geesteswetenschappen lenen zich veel minder tot het denken in ‘meetbare termen’. Zij vormen nu eenmaal een uiterst moeilijk terrein voor de bibliometrie, en hebben het dan ook lastig om in het orkest van de kenniseconomie hun partij mee te blazen.

 

Het feit dat de financiering van de universiteit in toenemende mate van de tweede – en van de derde en van de vierde – geldstroom afhankelijk is, verhoogt bovendien de druk op de professoren om hun onderzoeksterrein in projecten te verkavelen die door liefst zoveel mogelijk tijdelijke medewerkers met vaak een precair statuut worden uitgevoerd. Uiteraard behoort het tot de taak van iedere gevestigde onderzoeker dat hij regelmatig probeert projectgeld binnen te halen om jonge onderzoekers kansen te geven en de voortgang en vernieuwing van zijn discipline mogelijk te maken. Men kan zich echter ook afvragen of onderzoekers die voortdurend bezig zijn met het verzamelen van projectgelden, nog veel tijd en innerlijke rust vinden om creatief en geconcentreerd met hun vak bezig te zijn. En hoe aantrekkelijk een baan aan de universiteit op termijn zal blijven voor talentrijke jongeren, die van het leven toch meer mogen verwachten dan een eindeloze wedloop in een tunnel.

 

Is er een alternatief voor al dit management- en meetbaarheidsdenken? De ideeën van de Canadese literatuurwetenschapper Bill Readings in The University in Ruins (1996) kunnen inspiratie bieden. Readings betoogt dat de ‘University of Culture’ met haar ideaal van Bildung door wetenschappelijk onderzoek verdrongen is door de ‘University of Excellence’. Wát onderzocht of onderwezen is van minder belang dan dat dit op ‘excellente’ wijze gebeurt, en de excellentie wordt gemeten met kwantitatieve indicatoren (output, projectgelden, studierendement, rankings et cet.). Daarbij worden cruciale vragen (excellence to whom?) en inhoudelijke discussies zoveel mogelijk gemeden. Het alternatief van Readings is de ‘University of Thought’, een aantrekkelijk concept, omdat ‘denken’ de kerntaak hoort te zijn van wie aan de universiteit werkzaam is en omdat ‘denken’ per definitie een ‘denken over’ is, en bijgevolg altijd inhoud heeft.

 

Hoe kunnen we de idee van een denkende universiteit nu wortel doen schieten? Enkele voorstellen. Wanneer we ervan uitgaan dat de universiteit de verantwoordelijkheid heeft om te reflecteren over álle vragen die de samenleving beroeren, dan impliceert dit dat de deelname van academici aan het maatschappelijke debat meer aanmoediging verdient dan nu het geval is. Dit engagement kan diverse vormen aannemen, van optredens in de media over het houden van lezingen of het redigeren van opiniërende artikelen tot en met het schrijven van boeken die niet alleen voor vakgenoten leesbaar zijn. De universiteit zou ook haar verwevenheid met de maatschappij sterker kunnen maken, bijvoorbeeld door trajecten uit te werken voor afgestudeerden die in het beroepsleven staan en een proefschrift willen schrijven, of door goede leerkrachten actiever te betrekken bij propedeuses of bij het scouten van talentrijke scholieren die om sociale of culturele redenen de stap naar de universiteit niet wagen te zetten.

 

Tegelijk zou de universiteit voor haar eigen professoren een klimaat voor dialoog kunnen creëren over de verschillende wetenschapsgebieden heen. Men zou kunnen denken aan een paar jaarlijks roulerende leerstoelen die bekleed worden door uitmuntende hoogleraren uit een andere faculteit. Wie zo’n tijdelijke leerstoel bekleedt, vult dan niet de hoofden van gevorderde studenten met kennis uit zijn vakgebied, maar laat hen aan de hand van zijn eigen onderzoek zien hoe er in zijn discipline wordt gewerkt, wat de vragen zijn, de methodes, de mogelijkheden en de beperkingen.

 

Een andere mogelijkheid om de interdisciplinaire dialoog te bevorderen is een honours-programma voor gevorderde studenten uit alle richtingen, zoals nu al aan de meeste Nederlandse universiteiten gebeurt. Ik heb zelf het genoegen gehad om nu al drie jaar aan zo’n programma van de Radboud Universiteit Nijmegen mee te werken, en steeds weer valt het me op hoe de discussie, naar aanleiding van een heel concrete casus uit mijn onderzoek, leidt tot fundamentele vragen over de premissen van mijn eigen wetenschappelijke bedrijvigheid.

 

Wat het onderwijs betreft, liever dan de kwaliteit ervan te willen kwantificeren met eindeloze formulieren die alleen peilen naar de efficiëntie waarmee de studenten hun leerstof hebben vergaard, zou men door een paar degelijke gesprekken met enkele studenten of – wellicht beter nog – afgestudeerden kunnen nagaan hoe de kwaliteit van ons onderwijs ervoor staat. Misschien blijkt hier wel uit dat bevlogenheid, eruditie en originaliteit het onderwijsproces meer ten goede komen en diepere sporen nalaten dan het respect voor een paar onderwijskundige criteria gemeten op een schaal van 1 tot 5.

 

Dergelijke voorstellen – er zijn er vele andere te bedenken – lijken misschien naïef, kostbaar, moeilijk realiseerbaar, te weinig meetbaar en derhalve te subjectief, ze zouden onze eigen reflectie over onderwijs en onderzoek, de dialoog tussen de wetenschapsgebieden en de gedachtevorming over wat de universiteit voor de samenleving kan betekenen, zeker ten goede komen. Kortom, ze zouden ertoe bijdragen dat de universiteit weer meer weg heeft van een agora dan van een markt, en dat ze zich – zoals een Leuvense collega het onlangs welsprekend formuleerde – niet ten dienste stelt van een idolate cultus van de kennis, maar van een authentieke kenniscultuur.

 

Frank Willaert, mediëvist, Universiteit Antwerpen

 

 

Deze bijdrage is een ingekorte en bewerkte versie van een discussiestuk geschreven op verzoek van het Centrum Pieter Gillis van de Universiteit Antwerpen. De volledige tekst verschijnt in het eerstvolgende nummer van het tijdschrift Streven.



Met dank aan
20/09/2007
🖋: 

Hilde Didden en Chantal Bogaerts werken op de inschrijvingsdienst van de UA, waar het op dit moment drukke tijden zijn. In de voormiddag ontvangen ze samen met hun collega’s nieuwe en oude studenten die zich willen (her)inschrijven op onze universiteit. In juli zijn dat er een 40-tal per dag, in augustus en september zijn het er nog een stuk meer. 's Namiddags worden alle gegevens van de studenten verwerkt. “Deze periode is gewoonlijk erg stresserend, maar dit jaar is het extra druk”, vertellen ze. In februari verhuisde de inschrijvingsdienst naar een nieuw adres en dat vergt natuurlijk wat aanpassing. Er is ook een nieuw computerprogramma om de gegevens in te dienen en de verschillende secretariaten werden intern geherstructureerd. Daarenboven is het aantal inschrijvingen in vergelijking met vorig jaar gestegen: op dit moment is er een stijging van 10 tot 15% bij de generatiestudenten. Ondanks deze drukte (ongeveer 12 000 inschrijvingen) en de ongeduldigheid van sommige mensen blijven beide dames steeds goedgeluimd.



Op weg naar een daadwerkelijk actief pluralistische universiteit?
23/05/2007
🖋: 
Auteur

Politieke en levensbeschouwelijke studentenverenigingen aan de UGent kunnen terecht bij het Politiek-Filosofisch Konvent (PFK). In Leuven vinden zij onderdak bij LOKO, de Leuvense Overkoepelende Kring-Organisatie. Aan de Universiteit Antwerpen blijven zulke studentenclubs echter in de kou staan: is dat niet nogal inconsequent voor een universiteit die de slogan ‘actief pluralisme’ zo hoog in het vaandel draagt?

Bij de studentenverenigingen met een politieke of levensbeschouwelijke interesse broeide de onrust al een tijdje. Liebran (zie kader) ging als eerste in het verweer. “De overkoepelende studentenvereniging van onze universiteit, VUAS, weigert zich met politiek bezig te houden,” zegt woordvoerder Lode De Waele (Ba3 TEW). Mervin Portier – de vorige VUAS-woordvoerder – zei inderdaad dat VUAS geen politieke clubs kan of mag aanvaarden. De huidige woordvoerder Koen Peeters gaat nog een stap verder: “Als een studentenclub die onder VUAS valt een politiek standpunt inneemt, is dat eigenlijk indoctrinatie,” meent hij. De Waele is het hier niet mee eens en vervolgt: “De statuten van VUAS stellen dat de vereniging zich ertoe verbindt aan álle aspecten van het UA-studentenleven aandacht te besteden. Het politieke aspect negeren ze echter.”

 

Dynamische koepel of nutteloze praatbarak?

Aan het begin van dit academiejaar ging Liebran over tot actie. De studentenvereniging ging op bezoek bij het Politiek-Filosofisch Konvent (PFK) in Gent en overlegde daar met voorzitster Caroline Huys. “Het PFK brengt de studentenverenigingen dichter bij elkaar én dichter bij de student,” zegt De Waele, “daarom kan zo’n koepelvereniging ook aan de Universiteit Antwerpen niet ontbreken.” Liebran polste bij de andere politiek of levensbeschouwelijk georiënteerde studentenclubs in Antwerpen, en al gauw werd duidelijk dat zij niet de enige waren die niet gelukkig waren met de huidige situatie.

 

De interesse van andere verenigingen bleek ook op de eerste open vergadering aan het begin van dit semester. “Een officieel forum voor de politieke en filosofische studentenclubs is een absolute noodzaak,” zegt Nicolas Bas van het Liberaal Vlaams Studentenverbond (LVSV). “Momenteel zijn deze verenigingen onvoldoende bekend bij studenten. Promotiecampagnes zijn te duur voor de afzonderlijke clubs, daarom kan samenwerking een oplossing bieden.” De Waele vult aan: “Daarin zouden we de verenigingen inderdaad kunnen ondersteunen. Een aparte webstek op de UA-site, een snellere procedure voor het reserveren van aula’s wanneer je een debat of lezing organiseert, een plakpaal voor de verschillende verenigingen, een vast vergaderlokaal… Het zijn kleine dingen, maar ze zouden de clubs zeker ten goede komen. De Antwerpse tegenhanger van het PFK-Gent moet een koepel worden die de verenigingen kan helpen zonder ze een wil op te leggen. Zo kunnen we het debat en het engagement aan de Universiteit Antwerpen ongetwijfeld stimuleren.”

 

Cultuurimperialisme

Bij de meeste verenigingen was het enthousiasme groot en dát er een Antwerps PFK moest komen, stond voor hen buiten kijf. Hoe dit er precies moest uitzien, was echter een andere zaak. Een werkgroep met daarin Animo Stuant, LVSV en initiatiefnemer Liebran werd opgericht om de statuten uit te werken. Een heikel punt daarbij was het al dan niet opnemen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in de statuten. LVSV en de Nationalistische Studentenvereniging (NSV) waren hier immers radicaal tegen. NSV noemde het opleggen van dit verdrag ‘cultuurimperialisme’. LVSV was dan weer bezorgd om de vrijheid van meningsuiting. Dat laatste werd opgelost door in de statuten te specifiëren dat het enkel belangrijk was niet tegen het EVRM te handelen: meningen in strijd met het EVRM mogen nog wel verkondigd worden. Deze toevoeging overtuigde ook NSV. “Onze opvatting inzake het EVRM blijft echter onveranderd,” zegt NSV-praeses Jeroen Serpieters, “maar door deze toevoeging kunnen we wel toetreden.”

 

Niet iedereen bleek hier gelukkig mee. “Gezien de geschiedenis van NSV hadden we hen er liever niet bij gehad. In het Gentse PFK wordt NSV ook uitgesloten, en terecht,” reageerde een lid van een andere deelnemende vereniging die anoniem wenste te blijven. Nicolas Bas van LVSV sust: “Het gedrag van NSV de afgelopen tijd was inderdaad niet alles. Als hier verandering in komt, zie ik echter geen probleem. Iedere ideologie – ook die van NSV – is een meerwaarde voor het debat.”

 

Spectrum

Lode De Waele van Liebran werd inmiddels als interimvoorzitter van het Antwerpse PFK aangeduid. Ook over een naam was er eensgezindheid: het forum zal door het leven gaan als ‘Spectrum’. De deelnemende verenigingen zullen geregeld bij elkaar komen om hun agenda’s op elkaar af te stemmen en te overleggen: op deze manier hopen ze dichter bij de studenten en bij elkaar te komen. Ook denken ze zo sterker te staan tegenover de universiteit. “Subsidies zouden ook mooi meegenomen zijn, maar ze zijn geen noodzaak,” zegt De Waele, “de bedoeling van Spectrum is niet dat het een geldkoe wordt voor de deelnemende verenigingen.”

 

“Heel wat professoren steunen ons initiatief,” vervolgt De Waele, “dus we hebben goede hoop op een erkenning door de universiteit. Momenteel is die er echter nog niet, maar binnenkort komt er een overleg met de rector. Wanneer hij zijn fiat geeft, is het slechts kwestie de praktische kant af te handelen. De Universiteit Antwerpen claimt in de pers actief pluralistisch te zijn, dus moet ze dat nu ook maar eens bewijzen.” Nicolas Bas treedt hem bij: “Wanneer de universiteit weigert Spectrum te erkennen, zullen we zeker en vast stappen ondernemen. Ik hoop echter op een positief en constructief gesprek met de universitaire overheid.”

 

In Leuven en Gent krijgen de respectievelijke studentenbladen Veto en Schamper toegang tot alle vergaderingen van de politiek-filosofische koepels. Spectrum gunt dwars ditzelfde recht echter niet. Gezien het actief pluralistische hoerageroep is het eigenaardig dat uitgerekend Spectrum deze beslissing neemt: hoe valt hun initiatief te rijmen met het uitsluiten van een kritische stem? Toch één minpunt aan het pluralistische feestgedruis.

 

Liebran?

Liebran is een studentenvereniging die zich tot doel stelt het actief pluralisme te promoten. De vereniging werd in 2005 opgericht. “Er heerste geen debatcultuur bij de studenten,” zegt Liebran-woordvoerder en Spectrum-interimvoorzitter Lode De Waele (zie foto), “daarom wilden we de maatschappijkritiek en discussie aanzwengelen. We merken wel dat het erg moeilijk is om studenten te engageren, maar hopen dat we hierin toch een rol kunnen spelen."

 

De deelnemende organisaties

Aktief Linkse Studenten (ALS), Animo Stuant – Socialistische Antwerps Studentenverbond, Christendemocratische Studenten (CDS), Communisten Actief (Comac), Ecologische Studenten, Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond (KVHV), Liberaal Vlaams Studentenverbond (LVSV), Liebran, Nationalistische Studentenvereniging (NSV). Ook het Academisch Forum en Amnesty Jongeren Antwerpen (AJA) hebben hun interesse uitgedrukt. Hun eventuele toetreding zal pas volgend jaar besproken worden.

 

Volgende academici betuigden ter persoonlijke titel hun morele steun aan het initiatief van de oprichting van Spectrum:

Ludo Abicht, Maurice Adams, Jaak Billiet (KULeuven), Frank Bostyn, Peter Bursens, Luc Braeckmans, Bea Cantillon, Martin Decancq, Christ’l Delandtsheer, Bruno Deloght, Helma De Smedt, Carl Devos (UGent), Erik Henderickx, Ria Janvier, Patrick Loobuyck, Hendrik Opdebeeck, Matthias Storme, Frederik Swennen, Johan Taels, Fernand Tanghe, Peter Thijssen, Christine Van Broeckhoven, Dirk Van Dyck, Guy Vanheeswijck, Jan Velaers, Alain Verschoren, Jan Vranken, Walter Weyns.



vrije tribune

14/05/2007
🖋: 
Auteur extern

Joachim Ganseman


Ook dit jaar zijn er, voor het zoveelste jaar op rij, te weinig kandidaten om alle beschikbare posities in de studentenvertegenwoordiging op te vullen. Het probleem is het meest acuut aan de buitencampussen: sommige onderwijscommissies in de de faculteit Wetenschappen kijken al raar op als ze 1 student in hun midden zien opduiken, laat staan het aantal dat er eigenlijk zou moeten zitten. De faculteit FBD had afgelopen jaar eigenlijk geen enkele verkozen vertegenwoordiger voor de studentenraad van de UA. Voor deze plaats is achteraf iemand aangesproken, die dat gelukkig nog wou doen. Maar ook de stadscampus blijft niet gespaard: in de faculteitsraad Rechten (toch net dié faculteit waarvan je verwacht dat er genoeg mensen zitten die in de rechten van de student geïnteresseerd zijn) had men de grootste moeite om de beschikbare plaatsen op te vullen.

Op de buitencampussen werd in 2006 geen verkiezing georganiseerd, om de eenvoudige reden dat er veel meer plaatsen waren dan kandidaten, en elke kandidaat automatisch verkozen was. Deze situatie is erg gevaarlijk: studentenvertegenwoordiging is wettelijk vastgelegd in het “participatiedecreet”. Om een geldige vertegenwoordiging te hebben moéten er verkiezingen georganiseerd worden, en moet 10% van alle studenten zijn stem hebben uitgebracht. Ik heb de exacte cijfers niet, maar ik denk niet dat ik overdrijf als ik zeg dat dat aantal uitgebrachte stemmen in 2006 eerder bij 2% lag. Volgens de wet heeft de UA momenteel het volste recht om de studentenvertegenwoordiging vrijwel overal af te schaffen. Kleine kans dat ze dat zou doen, ze wil haar gezicht immers niet verliezen, maar het blijft een onnodig risico.

 

Mijns inziens heeft een over het algemeen constructieve houding aan beide zijden dit jaar geleid tot veel positieve resultaten. Deze resultaten van de studentenvertegenwoordiging zijn jammer genoeg weinig bekend, en daar ligt waarschijnlijk een eerste grote oorzaak van het nijpend tekort aan nieuwe kandidaten voor de vertegenwoordiging. Niemand weet wat we nu eigenlijk uitsteken. Nochtans worden van elke vergadering steeds verslagen gepubliceerd, die ingekeken kunnen worden door iedereen. Heel specifiek voor de studentenraad, zijn deze, samen met nog veel meer info, beschikbaar via Blackboard, waar alle studenten gemakkelijk toegang toe hebben.

 

Alle verwezenlijkingen zijn moeilijk samen te vatten. Het meeste werk van studentenvertegenwoordigers resulteert immers niet in beslissingen die gemakkelijk te afficheren zijn zodat iedereen kan zien wat er gebeurt. De meeste tijd kruipt in onderhandelingen over allerlei zaken, rechten en plichten, reglementen en procedures. Er wordt soms lang gepraat over het belang van een bepaalde zin of een bepaald woord in een tekst. Het aanpassen van een zin in een reglement is niet iets waar je veel furore rond kan maken, opdat iedereen toch maar zou weten dat het belang van de studenten weer gevrijwaard is. Zulke zaken gebeuren gewoon continu achter de schermen. Die zekere vorm van discretie is ook een voordeel: het creëert een groter vertrouwen als niet alles continu aan de grote klok gehangen wordt, en met een groter vertrouwen krijg je uiteindelijk meer gedaan.

 

Een tweede probleem waar de studentenvertegenwoordiging mee kampt, naast bekendheid, is erkenning bij de studenten zelf. In tegenstelling tot wie in een praesidium stapt, kreeg ik nooit een lintje omgegord waardoor ik kon rekenen op een zeker aanzien en respect (en vele activiteiten met korting, maar dat terzijde). Dit is zeker geen zielig pleidooi voor een lint, integendeel, ik wil er helemaal geen: vertegenwoordiging moet los staan van het clubleven en moet haar onafhankelijkheid behouden. Maar de balans is wel uit evenwicht, er moet iets aan gedaan worden.

 

Mijn functie als studentenvertegenwoordiger schijnt soms zelfs negatief af te stralen op mijn imago. Azijnpissers heb je natuurlijk overal en ik kan zeker tegen een stootje, maar al te vaak merk ik bij mensen toch een zekere minachting voor studentenvertegenwoordiging. Wie een probleem heeft weet mij snel te vinden, maar voor het overige ben ik blijkbaar “die vuile politieker”. Het aantal uren dat ik erin steek, daar is niemand zich van bewust. Vergaderingen en onderhandelingen worden niet aan de valven geafficheerd of op publieke kalenders gezet, gebeuren veelal discreet achter gesloten deuren, en het vele mailen, typen, documenten opstellen, initiatieven uitwerken, ... gebeurt gewoon aan mijn bureau.

 

Studentenvertegenwoordiging wordt nog door teveel mensen geminimaliseerd, geridiculiseerd, ondergewaardeerd, en dit geheel onterecht. Gelukkig zijn er, ondanks deze keerzijde van de medaille, nog mensen die idealistisch en gemotiveerd genoeg zijn om het voor hun medestudenten op te nemen in een bestuursorgaan van de UA. Het zijn er enkel niet genoeg, we kunnen met moeite alles draaiende houden. Maar ergens is dat wel begrijpelijk: hoeveel mensen zouden er nog in een praesidium willen stappen als daar geen lint en de bijhorende voordelen mee gepaard zouden gaan? Enkel de lasten, nauwelijks lusten? Dan moet het al stevig jeuken.

 

Nochtans ben ik ervan overtuigd dat die jeuk er is. De grote respons op de enquêtes die de studentenraad dit jaar heeft gehouden, wijst er op dat veel studenten zich wel degelijk aantrekken wat er gebeurt aan de universiteit, Dat bewustzijn is al een eerste, belangrijke stap. Nu komt het erop aan om een uitgesproken mening niet anoniem op een forum te moeten lezen, maar effectief op een bestuursvergadering te horen. Maar de kritische student stelt zich niet graag kandidaat: het lijkt niet leuk, het lijkt niet interessant. Niets is minder waar.

 

Je maakt het als studentenvertegenwoordiger natuurlijk zelf zo leuk als je wilt: na een vergadering met de hele bende nog een pint gaan pakken, een frietje eten, en op de dichtstbijzijnde TD even je kop laten zien, is perfect mogelijk. Op het vlak van plezier is er dus geen probleem: iedereen die af en toe eens zijn zintuigen wil aanscherpen in een gezellig debat of een interessante discussie, en een glas meedrinkt achteraf, komt in aanmerking. En dit is uiteindelijk een universiteit, dus wie hier is dat niet?

 

Volk trekken en het de inspanning waard maken, daar is nog werk aan. In tegenstelling tot elke andere Vlaamse universiteit, heeft de studentenvertegenwoordiging hier geen budget. Zo is het moeilijk om zelfs iets eenvoudigs te doen, zoals flyers drukken: dat moet allemaal eerst uit eigen zak komen. Eens een vat geven is al helemaal onmogelijk, want probeer dat maar eens als geldige onkost in te dienen bij de UA. Zo komen we natuurlijk nooit in de gratie, en zo wordt nieuwe mensen aantrekken moeilijk. Ik sta machteloos, en heb geen idee van wat er moet gebeuren om de vertegenwoordiging op gang te krijgen zoals het zou moeten. Alle suggesties zijn welkom.

 

Uiteindelijk moeten we het hebben van de studenten zelf. Misschien dat er dan toch een soort van mentaliteitswijziging nodig zal zijn. Aan de buitencampussen van de UA, waar ik dagelijks ronddool, heerst allesbehalve een debatcultuur. Veel verenigingen gaan de serieuzere onderwerpen maar al te vaak uit de weg. Liever de elfendertigste cantus dan eens een open gespreksavond met een onderwerp zoals, ik zeg maar iets, de toekomst of inhoud van je eigen studierichting. Da's immers niet interessant, toch? Debatten worden niet of nauwelijks nog georganiseerd, de meeste praesidia kennen al 20 jaar geen functie “politiek” meer, en zelfs de functie “cultuur” lijkt met uitsterven bedreigd.

 

Er is nauwelijks een draagvlak voor ernstiger discussies. Nochtans ben ik van mening dat net wetenschappers een zekere plaats dienen in te nemen in het maatschappelijk debat, om de inhoud ervan toch enigszins met een wetenschappelijke bril te duiden voor de buitenwereld. Een lichtpuntje aan de horizon is alvast dat onder andere prof. dr. Christine Van Broeckhoven, wetenschapster in hart en nieren, haar eerste stappen in de politiek zet. Ik hoop dat dit het begin van een kentering is, en dat het ook de studenten in wetenschappelijke richtingen inspireert om toch eens verder te kijken dan hun neus lang is. Een blik op de buitenwereld is zeker even interessant, en wordt net verrijkt door de wetenschappelijke achtergrond waarmee je ze kan duiden.

 

Tijd dus voor wat actie, niet alleen in de wetenschappelijke richtingen maar aan heel de UA. We zijn hier niet voor niks in Antwerpen, economisch hart van België, centrum van ondernemingszin. Bij mij in de familie zeggen ze graag: “uw schoenveters knopen zich niet vanzelf”. Het is nodig dat iedereen beseft dat, bijvoorbeeld, het onderwijs- en examenreglement niet zomaar uit de lucht komt vallen. De laatste 2 jaar heb ik de ontwikkeling van dat document van dichtbij mee gevolgd. Tientallen uren onderhandelen, wikken en wegen zijn daar in gekropen dit jaar, om bijvoorbeeld de deliberaties voldoende te vrijwaren, het fraudereglement de verduidelijken, te zorgen dat studenten nog beter op tijd hun examenroosters krijgen,... Allemaal punten en komma's, die tesamen éen groot maken.

 

Mee rond de tafel zitten voor onderhandelingen aan zo'n belangrijk document is een erg interessante en leerrijke ervaring. Het is diplomatie en strategie op het scherpst van de snee. Een minimale verschuiving van een bepaalde lijn kan al snel zorgen dat 50 studenten aan de andere kant ervan belanden, en kan dus op 50 levens een enorme impact hebben. Verschillende faculteiten hebben andere standpunten, en er zijn niet alleen meningsverschillen tussen faculteit en student maar ook tussen faculteiten onderling. Hoe bereik je in zo'n situatie een aanvaardbaar compromis? Het is over eieren lopen, en altijd spannend.

 

De kennis en vaardigheden die je door zo'n zaken kan opdoen leer je waarschijnlijk nergens in je opleiding, en zijn erg waardevol. Niet alleen in een latere carrière, maar ook nu al tijdens een studieloopbaan op de universiteit. De UA is een bedrijf van bijna 3500 werknemers en bijna 10000 studenten. Als je daarin je stem kan laten horen en jezelf kan doen meetellen, dan bouw je alleszins heel wat ervaring op voordat je in het beroepsleven stapt.

 

Ongetwijfeld zijn er zelfs nu, na de verkiezingen voor studentenvertegenwoordiging, nog plaatsen niet ingevuld. Wie het ziet zitten zich ook in te zetten voor zijn medestudenten langs een andere weg dan een praesidium, kan hiervoor gerust contact opnemen met Unifac of ASK-Stuwer. Zij zullen je met plezier zeggen waar je nog terecht kunt. De studentenraad kan je eventueel ook contacteren: dit jaar werden er verschillende externe mensen aangetrokken om delegaties in te vullen waarvoor studentenraadsleden zelf geen tijd meer hadden, en dat experiment is zeer goed geslaagd en maakt veel kans om verdergezet te worden.

 

Liefst zag ik dat natuurlijk helemaal niet gebeuren, en alles via verkiezingen opgevuld worden, zoals het bedoeld is. De UA is de meest vooruitstrevende universiteit in het land wat inspraak betreft, er zijn honderden posities beschikbaar voor studenten. Maar het is ondertussen al een trieste traditie: wij zijn ook de enige universiteit van het land waar de studentenvertegenwoordiging met de beste wil van de wereld niet ingevuld raakt zoals het hoort. Nergens is de onverschilligheid of het wantrouwen zo groot als hier. Voor de toekomst van deze universiteit, stad en land, hoop ik toch dat dat geen gewoonte wordt. Joachim Ganseman 2e lic. Informatica Deze tekst is een persoonlijk initiatief is en verkondigt geenszins een mening van de studentenraad in haar geheel, of van enig ander orgaan waar ik in zetel.

 

 

Joachim Ganseman,

2e lic. Informatica



Hoog bezoek aan de Universiteit Antwerpen
14/05/2007
🖋: 

Op 26 april ontving professor John F. Nash (Nobelprijswinnaar Economie 1994) een eredoctoraat van onze faculteit TEW voor zijn werk op het gebied van speltheorie. Om het gebeuren nog wat meer luister bij te zetten werd een dag later een symposium georganiseerd, waar naast Nash ook nog professor Harold Kuhn (mede-doctoraatsstudent van Nash aan Princeton en winnaar Von Neumannprijs 1980) en professor Reinhard Selten (mede-Nobelprijswinnaar Economie 1994) als eregast aanwezig waren. Na het symposium kreeg uw dienaar de gelegenheid om te bewijzen dat hij niet enkel op café de interessante kan uithangen. Aan u om te oordelen of het hem enigszins gelukt is...

Wiskundigen reppen al eens over de schoonheid die in hun vakgebied verborgen ligt. Hebben jullie deze schoonheid ook in jullie werk over de speltheorie teruggevonden?

Harold Kuhn Tegenwoordig hou ik me niet meer bezig met speltheorie. Ik ben een wiskundige en geen toegepast of experimenteel ingestelde persoon. Ik denk dat de wiskundige vooruitgang in speltheorie beperkt is geworden: er zijn geen grote vraagstukken meer die op een oplossing wachten, dus heb ik er geen interesse meer voor.

John Forbes Nash Jr Volgens mij bestaat er bij wiskundige theorieën een wisselwerking tussen de concepten van schoonheid en bruikbaarheid. Het nut van een theorie mag nooit onderschat worden. Neem bijvoorbeeld de Laatste Stelling van Fermat (Als n een geheel getal is met een absolute waarde groter dan 2, dan bestaan er geen oplossingen voor Xn + Yn = Zn, nvdr.). Dit werd gezien als een bijzonder mooi vraagstuk, maar zonder onmiddellijk nut. Toch hebben wiskundigen meer dan driehonderd jaar lang geprobeerd om die stelling te bewijzen. Tijdens het zoeken naar het bewijs werden echter nieuwe technieken ontdekt, die wel nuttige toepassingen kennen.

 

Van een gebrek aan nuttige toepassingen is bij jullie werk alleszins geen sprake geweest. Speltheorie wordt vandaag in de meest uiteenlopende takken van de humane wetenschappen gebruikt om competitieve situaties te analyseren. Zijn er toepassingen waar u zelf door verrast bent?

Nash Ik kon vijftig jaar geleden niet voorzien wat er nuttig zou zijn en wat niet, maar de grondleggers Von Neumann en Morgenstern hadden wel degelijk een grote visie over het gebruik van speltheorie in de economie. Ze hebben hun pionierswerk dan ook niet voor niets ‘The Theory of Games and Economic Behaviour’ genoemd.

Kuhn Ik heb vanmorgen een deel van mijn toespraak moeten schrappen door tijdsgebrek. In dat gedeelte wou ik het hebben over de mate waarin de toepassing van speltheorie succesvol is gebleken. Er bestaan drie objectieven bij het gebruik van speltheorie: ten eerste een descriptieve doelstelling, de mogelijkheid om een probleem op een accurate manier te omschrijven. Vervolgens een prescriptief doel, mensen adviseren wat de beste strategie is bij het spelen van een bepaald spel en ten derde het voorspellen van hoe mensen zich werkelijk zullen gedragen in spelsituaties. In mijn ogen is speltheorie zeer succesvol in het omschrijven van bepaalde vraagstukken, maar vertoont de theorie gebreken bij het voorschrijven en zeker bij het voorspellen van werkelijk menselijk gedrag in deze situaties.

 

Mr. Nash, in het autobiografische essay dat u voor het Nobelprijscomité schreef, heeft u het over het afwijzen van politiek-georiënteerd denken als een verspilling van intellectuele inspanning. Ironisch genoeg heeft speltheorie ook een weerslag gehad op politiek vlak. Denkt u niet dat de politiek net nood heeft aan de intellectuele inspanning van grote geesten?

Nash Zoals u weet, heb ik net een tijd met psychologische problemen achter de rug. Ik beschouwde mezelf als een heel belangrijk persoon, die enkel in het geheim naar waarde werd geschat. In die toestand liet ik mij ook met enkele politieke problemen in. Naarmate ik weer beter werd, begon ik in te zien dat de politieke ideeën in mijn hoofd waanzinnig waren. Om afstand te nemen van mijn waanbeelden en weer rationeel te kunnen denken, heb ik besloten om niet meer bij politieke kwesties te blijven stilstaan.

 

Over wiskundigen wordt doorgaans beweerd dat ze het productiefste zijn voor hun dertigste, daarna zouden vooral verder bouwen op eerder geleverd werk. Jullie zijn echter nog steeds op zoek naar nieuwe onderzoeksdomeinen: geraken jullie nooit ontmoedigd door dit idee?

Nash Ik heb daar al over nagedacht, ja. Statistisch gezien is die uitspraak zeker waar, maar er spelen ook andere factoren mee. Wiskundigen gaan door verschillende stadia: meestal is het inderdaad zo dat ze hun toppunt bereiken wanneer ze hun doctoraat halen of net daarna. Met het verstrijken van de jaren worden ze dan gevestigde namen, maar krijgen ze ook steeds meer administratief werk. Het is bijgevolg heel natuurlijk dat het onderzoek daar onder lijdt. Misschien ligt het dus ook deels aan de manier waarop de universiteit georganiseerd is.

Kuhn Ik heb een zoon die ook wiskundige is en hij durft me wel eens te vragen hoe het voelt om vijftig jaar lang bergaf te gaan (lacht). John heeft het accuraat verwoord: wanneer je jong bent, heb je een intensiteit en een daadkracht die nu eenmaal afneemt bij het ouder worden. Er komen inderdaad ook meer administratieve zaken je werk binnengeslopen, je krijgt meer oog voor je familie, enzovoort. Maar als je dan alsnog iets nieuws ontdekt, zelfs al ben je tachtig, voel je nog steeds die adrenalinestoot door je lichaam gaan.

 

Welke onderzoeksdomeinen behandelen jullie nu?

Kuhn Ik heb me opnieuw toegelegd op de Hongaarse methode – een probleem waar ik vijftig jaar geleden al mee bezig was. Ik heb nieuwe dingen kunnen ontdekken die ik eerder niet had gezien, wat een ongelooflijk gevoel geeft.

Reinhard Selten Ik concentreer me nu vooral op bounded rationality. Het huidige dominante economische denken is gebaseerd op overdreven veronderstellingen over de cognitieve vaardigheden van de mens. Er wordt voortgebouwd op het theoretisch model van de altijd perfect rationeel handelende homo economicus. Heel lang werd aangenomen dat dit model de realiteit dicht genoeg benaderde. Dit is echter niet het geval. Uit experimenteel onderzoek is namelijk gebleken dat gewone, maar ook heel intelligente mensen niet gekenmerkt worden door rationeel gedrag. Er wordt zelfs systematisch afgeweken van dat rationeel gedrag. We moeten de gevolgen daarvan voor de economische theorie en ook de speltheorie erkennen en verder onderzoeken. Momenteel is nog maar een minderheid van economen hiermee bezig, maar ons aantal neemt toe en volgens mij wordt dit de theorie van de toekomst. Ik hoop dus binnen dit onderzoeksdomein nog een aantal resultaten te boeken.



Eigen gelijk eerst
13/05/2007
🖋: 
Auteur extern
Cathy Berx en Nele Spaas

In het nieuwe financieringsdecreet voor het hoger onderwijs van minister Vandenbroucke – dat naar alle waarschijnlijkheid in de loop van volgend academiejaar goedgekeurd zal worden – is sprake van het invoeren van een leerkrediet. Dit betekent dat inschrijvingen voor een student die voor meer dan 140 studiepunten niet geslaagd is, niet langer gefinancierd zullen worden door de overheid. Als de student toch nog verder wil studeren zal hij of zij dubbel inschrijvingsgeld moeten betalen. Het idee werd in het Vlaams Parlement geïntroduceerd door Cathy Berx (CD&V). Zij verdedigt het in deze laatste 'Eigen gelijk eerst' dan ook tegen Nele Spaas van de Vlaamse Vereniging van Studenten (VVS) die het leerkrediet niet ziet zitten.

PRO

Tussen 6 en 18 jaar geldt in Vlaanderen (en België) de leerplicht. Voor de 18-plussers willen we een leerrecht van bijvoorbeeld 140 studiepunten. De gemeenschap investeert zeer terecht heel veel middelen in hoger onderwijs. Het inschrijvingsgeld is in Vlaanderen – in vergelijking tot de rest van OESO-landen – relatief laag. Van de jongeren (of al wat ouderen) die beroep doen op dat onderwijs moet worden verwacht dat ze heel veel inspanningen doen om ook effectief te slagen. Een verhaal van kansen geven én kansen grijpen! Studenten die zich inschrijven met het oog op het behalen van credits en slagen voor de examens en/of practica, bouwen extra leerrechten op, voldoende voor de masters en eventueel voor een BaNaBa of MaNaMa. De studiepunten verworven in het eerste jaar tellen dubbel. Wie inschrijft maar zakt, verliest leerkrediet. Het is geenszins de bedoeling om de student een potje te pesten. Door uit te gaan van een voldoende hoog doch realistisch startaantal aan leerrechten, is het systeem allerminst hardvochtig. Als het leerrecht van een student is uitgeput kan hij zich – met toestemming van hogeschool of universiteit – nog wel opnieuw inschrijven, maar dan wel tegen een hoger inschrijvingsgeld. Immers, voor de hogeschool of universiteit is deze student niet langer financierbaar. Zo verschuift de financiële verantwoordelijkheid van de gemeenschap – die reeds veel investeerde – naar de student.

Het komt mooi tegemoet aan de captatio waarmee wijlen professor Deleeck zijn eerste les over de welvaartsstaat opende: de 18-jarigen die na het middelbaar meteen gaan werken, betalen sociale zekerheid en belastingen – niet alleen om jullie kindergeld, maar ook om jullie studies te betalen. Daardoor verkleint – in verhouding tot de werkende leeftijdsgenoten – jullie kans op werkloosheid en verhoogt de kans op een goede job met een hoog loon. Opdat dit Mattheus-effect maatschappelijk te verantwoorden blijft, is het aanscherpen van de verantwoordelijkheid van de student, zeker nu het creditsysteem een risico van studieduurverlenging inhoudt, mijns inziens meer dan verantwoord.

 

Cathy Berx,
CD&V, commissaris Onderwijs in het Vlaams parlement

 

 

CONTRA

Het leerkrediet komt er op vraag van bepaalde instellingen die de veronderstelde financiële nadelen van outputfinanciering willen doorschuiven naar de student. Een student die een steekje teveel heeft laten vallen en zijn rugzakje met studiepunten heeft uitgeput, krijgt voortaan de rekening gepresenteerd. Als hij dan toch nog de toestemming krijgt om voort te studeren, betaalt hij dubbel studiegeld. Dat leerkrediet is een drastische inperking van het huidige recht op inschrijving. Nu bestaat er een recht op bissen. Pas een derde inschrijving voor eenzelfde opleidingsonderdeel kan worden geweigerd. Wanneer een student in de toekomst door zijn studierantsoen zit, kan zijn inschrijving ook al worden geweigerd als hij vakken voor het eerst opneemt.

Een startkrediet van 140 studiepunten is voor het gros van de studenten misschien niet problematisch, maar door sociaal vertekende slaagkansen stelt het wel een probleem voor een aantal groepen dat minder vlot doorstroomt. Terwijl de overheid de mond vol heeft van een tweede democratiseringsgolf, bedreigt het studierantsoen vooral kansengroepen die vandaag al ondervertegenwoordigd zijn in het hoger onderwijs. Ook op een andere manier kampt het voorstel met een sociaal onrechtvaardig Mattheus-effect: de financiële straf in de vorm van dubbel studiegeld treft enkel de studenten uit minder gegoede milieus.

Bovendien dreigt het leerkrediet ook haar doel voorbij te schieten. De combinatie met een outputfinanciering in de hogere jaren zal zowel instellingen als studenten ertoe aanzetten minder ambitieus te zijn in de samenstelling van hun studiepakket. Studietrajecten zullen zo langer worden uitgesponnen, met alle maatschappelijke kosten van dien. VVS stelt daarom voor het leerkrediet niet in te voeren in de hogere jaren, maar instellingen volop gebruik te laten maken van de bindende studievoortgangsmaatregelen die ze tegenover falende studenten kunnen nemen. In plaats van financiële straffen kunnen deze pedagogische maatregelen worden afgestemd op het individuele probleem van de student in kwestie, zodat er sneller ingegrepen en doelmatiger bijgestuurd kan worden.

 

Nele Spaas,

stafmedewerkster Vlaamse Vereniging van Studenten



editoriaal
13/05/2007
🖋: 
Auteur

Zoals het een studentenblad betaamt, rapporteerde dwars het afgelopen jaar geregeld over het wel en wee van het huidig hoger onderwijs. Onder andere de BaMa-hervormingen, de flexibilisering, outputfinanciering en creditsystemen passeerden de revue.

Onderwijs is een Vlaamse bevoegdheid en dus geen topic in de komende federale verkiezingen. Toch konden we het niet laten om in een kort interview onder meer te peilen naar de mening van zeven politiek actieve studenten over het hoger onderwijs. Een goede opleiding vinden ze allemaal van primordiaal belang. En hoewel de concrete invulling die ze eraan geven uiteraard verschilt, vinden ze dat het beleid op vlak van onderwijs beter kan. Opvallend is dat zelfs animo (de jongerenafdeling van de SP.A) niet achter hun eigen minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke staat.

 

Van outputfinanciering over zijn enge visie op gelijke kansen naar termen als zerotaligheid; de ideeën die Vandenbroucke lanceerde en de maatregelen die hij doorvoerde kunnen ook bij dwars op weinig sympathie rekenen. Toen de minister zich nog over Sociale Zaken ontfermde, getuigde hij alleszins van veel meer inzicht en durf. Het ideaalbeeld van de student annex cliënt die zijn opleiding bij elkaar 'shopt' is alleszins niet het onze.

 

Dit blad stelde dan ook geregeld kritische vragen bij het concrete effect van al die vernieuwingen op de werkvloer en hekelde onder andere de verhoogde administratieve last voor zowel het administratieve als het academische personeel. Ook de rat race waarin academici onder andere dankzij de huidige financieringsmodellen als kennismachines verzeild dreigen te raken, moet door een studentenblad als het onze belicht worden. Het staat als een paal boven water dat we ook volgend academiejaar niet zullen nalaten dit te doen.