Je zal het maar voorhebben: het ligt op het puntje van je tong en toch kan je er niet opkomen. Dat ene woord ontglipt je keer op keer. Dit jaar schiet dwars alle schlemielen in zulke navrante situaties onverdroten ter hulp. Maandelijks laten we ons licht schijnen op een woord waar de meest vreemde betekenis, de meest rocamboleske herkomst of de grappigste verhalen achter schuilgaan. Deze keer: bamzaaien.
Bamzaaien betekent zoveel als loten wie het gelag zal betalen. Wie de kortste lucifer trekt, mag als Chinese vrijwilliger het bij voorkeur Belgische bier betalen. De etymologische verklaring van het woord wijst nochtans in de richting van Japan, waar de keizerlijke heilwens banzai als inspiratie diende.
Misschien is de Jiddische verklaring meer plausibel. Bamzaaien zou ontleend zijn aan ‘baam zajen’ waarbij het eerste ‘bij de staart’ betekent. ‘Zajen’ is op zijn beurt een letterafkorting van het Hebreeuwse woord ‘zonef’, dat naast staart ook penis kan betekenen. Wie de kortste lucifer trekt bij het bamzaaien, hebben ze serieus bij z’n pietje.
Bamzaaien is weinig verbazingwekkend ook de naam van een caféspel waarbij je moet raden hoeveel lucifers iemand in zijn hand heeft. De verliezer trekt weer aan het kortste eind en moet het volgende rondje betalen. Een nobel tijdverdrijf dat met uitsterven bedreigd is als rokers eerder nen allumeur dan een ouderwets pakje stekskes bij zich dragen.
Na deze inleiding tot de logica en etymologica van het woord, rest ons slechts de finesses van de vervoeging in onze vingers te krijgen. ‘Ik zaai bam’ klinkt best leuk, maar roept eerder een landelijk tafereel op waarbij een boer in sappig West-Vlaams expliceert wat hij die lenteochtend op zijn veld staat te doen. ‘Ik bamzaai’ dan maar? En wat moeten we met het voltooid deelwoord? Een woord als dit kan niet anders dan de grenzen van de grammatica aftasten, toch? Hoe vaker je het uitspreekt, hoe gekker het wordt; bamzaaien, bamzaaien, zaai bam. De potsierlijke klank en klemtoon – bam! – staat helaas in schril contrast met de perfect regelmatige, doch ietwat teleurstellende vervoeging waarin jij bamzaait, wij bamzaaiden en zij hebben gebamzaaid.
Verzamel uw drinkebroers en haast je naar het dichtstbijzijnde café om de taalkundige eentonigheid te bestrijden met de vrolijke praktijk van het bamzaaien. Maar zorg dat je niet aan het kortste eind trekt. En neem lucifers mee.


Weggestoken achter een klimopmuur van een van die prachtige uniefgebouwen waar je nooit een voet binnenzet, gaapt een verbazingwekkend diepe, maar nu met boombladeren en spinrag gevulde waterput. Een gat dat leidt tot de diepste krochten van onze universiteit en tot nader order onontgonnen terrein lijkt te zijn – de enige informatie die de website van UAntwerpen over de put verschaft is dat hij ‘waarschijnlijk aangeeft waar zich vroeger de keuken bevond’. Listige prietpraat als je het mij vraagt, tactisch neergepend om de curiositeit van buitenstaanders te temperen. Wat schuilt werkelijk in dat gat? Een gangenstelsel dat leidt naar geheime kamers van de universiteit? Een schuilkelder die als laatste toevluchtsoord moet dienen als iemand de grote rode knop indrukt? Misschien het verloren paneel van het Lam Gods, de heilige graal (en moet ik me dan zorgen maken over een moordlustig konijn?) of de Bende van Nijvel? Zoveel vragen, zo weinig antwoorden. Tijd voor diepgaande onderzoeksjournalistiek.















