de dwarsdoorsnede

05/10/2019
Cast Downton Abbey
🖋: 

dwars slijpt het virtuele fileermes en gaat langs de graat van boeken, films, series, games, muziek, theater, haarproducten en rubberen eendjes. Voor deze editie reizen we terug in de tijd, meer bepaald naar de herfst van 1927. Voor wie zijn geschiedenis niet kent: dat was het moment waarop de Crawleys en hun landhuis Downton Abbey een koninklijk bezoek verwachtten.

Waarschuwing! Voor de gevoelige lezers onder ons bij wie de rillingen over de rug lopen bij de gedachte aan mogelijke (onbedoelde, maar onvermijdelijke) spoilers, een beetje huiswerk: laat alles vallen (als je dit op je laptop aan het lezen bent, zet deze dan misschien toch maar best voorzichtig neer), ren, fiets, rij naar de dichtstbijzijnde bioscoop en gun jezelf het warme comfort van de Downton Abbey-film, vooraleer terug te keren naar dit artikel.

 

De wijze woorden ‘Downton Abbey will always be there to welcome you home’ voelden nog nooit zo waar als toen het zo kenmerkende intromuziekje door de luidsprekers in de cinemazaal schalde. Het voelde inderdaad als thuiskomen na zes seizoenen en de daaropvolgende afschuwelijke vier jaar zonder nieuw beeldmateriaal. Dit nostalgische gevoel werd alleen maar versterkt door de parallel tussen de openingsscène van de film en de allereerste beelden van de allereerste aflevering negen jaar geleden. In beide zien we namelijk dezelfde puffende stoomtrein door het Britse landschap rijden, begeleid door het o zo bekende deuntje.

 

what’s in a movie?

Voor de inwoners van Downton Abbey is de tijd trager voorbijgekropen dan voor de kijker: slechts anderhalf jaar is verstreken op het landgoed in de hierboven vermelde vier jaar van wachten voor de trouwe fans. Dezelfde personages, met alleen wat meer grijze haren of een kilootje meer of minder, wachten de toeschouwer op, zoals ze steeds hun eigen gasten in het huis verwelkom(d)en. Deze keer, anno 1927, kregen ze dan ook wel erg speciale logés: niemand minder dan koning George V en koningin Mary.

Je zou voor minder Heavens! of Blimey! uitroepen! Zelfs in een eeuw waarin koningsgezindheid geen vanzelfsprekendheid of bijzonder geapprecieerde eigenschap meer is, is het wel meteen duidelijk dat dit een Grote Gebeurtenis is voor alle inwoners van Yorkshire en haar nabije omgeving. Niet zomaar iedereen kan tenslotte zeggen dat hij een leverancier is voor de winkel waarin de kokkin van Downton Abbey haar inkopen komt doen voor het diner tijdens het royale bezoek! Je moet al een hart van steen hebben om niet besmet te raken door de enthousiasmemicrobe, of een Ierse republikein zijn natuurlijk.

Verschillende politieke ideeën terzijde, staat binnen de kortste keren heel Downton Abbey in rep en roer, zowel upstairs als downstairs. Telefoontjes worden gepleegd, zilver wordt (niet genoeg?!) opgepoetst, bedden opgemaakt, ramen gelapt, nieuwe technologische snufjes gerepareerd, een oude butler van onder het stof vandaan gehaald en een andere aan de kant geschoven. Alles verloopt zoals de voorbereidingen voor een koninklijk bezoek horen te verlopen, of toch niet? Daar verschijnt immers het hele hebben en houden van de koninklijke familie, dat zonder pardon onze zo bekende en geliefde personeelsleden aan de kant schuift. Een grotere vernedering kun je je als trouwe dienaar amper voorstellen! Ook upstairs borrelen er spanningen over een erfeniskwestie, verdwijnen er verscheidene hebbedingetjes mysterieus, wordt er een verkeerde jurk geleverd en een familielid geschaduwd.

 

behind the scenes

Los van het lot van de familieleden Crawley en hun bedienden, krijg je als toeschouwer ook een stukje geschiedenis over de Britse aristocratie in de eerste helft van de twintigste eeuw mee. Dit is niet enkel de verdienste van scenarist Julian Fellowes, de geestelijke vader van Downton Abbey, en regisseur van dienst, Michael Engler, die eerder al vier afleveringen van de serie voor zijn rekening nam. Net zoals bij de serie stond ook bij de film een legertje aan historici en specialisten klaar om een zekere historische correctheid te kunnen garanderen op het vlak van decor, muziek, tekst, kleding en lichaamstaal van de personages. Al deze elementen zagen we in de voorafgaande jaren al evolueren met het verstrijken van de tijd en de film trekt deze lijn mooi door.

Verschillende narratieve elementen uit de film zijn bovendien niet zomaar uit de lucht gegrepen om een goed verhaal te kunnen brengen, maar vinden daarentegen hun wortels in de geschiedenis. Zo zijn koninklijke bezoeken aan belangrijke kastelen en landgoeden meermaals terug te vinden in de Britse geschiedenisboeken. Een van de historische adviseurs van de film, Alastair Bruce, bezit zelf een familiegeschiedenis waarin in 1923 een royale visite van koning George V en koningin Mary neergeschreven staat. De archieven van zijn eigen familie dienden onder meer als inspiratiebron voor het verhaal in de film.

Ook nam de echte koningin Mary inderdaad vaak meerdere stafleden op haar reizen mee, al valt het te betwijfelen dat echt alle bedienden van het ontvangende landgoed zo respectloos aan de kant werden geschoven zoals we zien gebeuren op het grote scherm. Een beetje drama maakt alles immers toch net dat tikkeltje spannender! Ook de roddels over familiale problemen binnen de muren van het koninklijke paleis, de technologische vernieuwingen en de spanningen tussen Ierland en de koninklijke familie zijn geïnspireerd door waargebeurde feiten, vermengd met de nodige artistieke vrijheid.

 

the show must go on

Genoeg voeding dus voor twee uur kijkplezier! Intriges, misverstanden en dreigende wolken die in de serie verschillende afleveringen of zelfs seizoenen zouden overspannen, krijgen in de film wegens de begrijpelijke tijdslimiet minder ruimte om zich op een spannende, intrigerende manier te ontrollen. Met een talentvolle en uitgebreide cast als deze hoort ieder personage natuurlijk zijn spotlight te krijgen, met het enige nadeel dat een moordaanslag, een arrestatie, diefstal, erfenisintriges, zwangerschapsperikelen en nog zoveel meer elkaar op zo’n hoog tempo opvolgen dat het allemaal minder tijd krijgt dan het misschien zou verdienen.

De vertaling van serie naar een bioscoopfilm gaat immers onvermijdelijk gepaard met het wegfilteren van te complexe zaken en karaktertrekken om in een tijdspanne van twee uur te ontrafelen. Aangezien scherpe opmerkingen en ruzies niet de kans krijgen te rijpen tot dramatische proporties, schiet het frivoliteitsgehalte de hoogte in, met meer ‘ach, wat zeg jij nou’-lachjes in plaats van spanningen die afleveringen lang aanslepen. Personages waar we al jaren een love interest voor wensen, krijgen die net als brave (en toch ook wat minder brave) kinderen rond de sinterklaastijd allemaal gul toebedeeld.

Verschillende filmrecensies trokken om die reden het aantal sterren voor deze film omlaag. De vraag is echter of al deze kleine puntjes van kritiek de overhand krijgen op het verlangen van trouwe fans naar meer Downton Abbey, een Edith die het geluk eens aan haar kant heeft, een Tom die opnieuw verliefd wordt, een zorgeloos dansende Thomas, een sassy Violet Crawley… Bij mij alvast niet! De personages die we als onze eigen familie zijn gaan beschouwen, zijn nog steeds uitermate herkenbaar en alles wat ik hen al seizoenen lang toewenste, zag ik op het grote scherm werkelijkheid worden.

 

Een warm weerzien met de familie Crawley en hun immer trouwe personeel, en passant een stukje geschiedenis meekrijgen, wat wil je nog meer? Prachtige beelden, filmische hoogstandjes, oorstrelende muziek? Downton Abbey the movie geeft het je allemaal!



kunst op de campus

27/09/2019
Chaque matin elle a tout oublié (© Amber Peeters | dwars)
🖋: 

Soms kan kunst bevreemdend werken. Meer dan eens kunnen we ons afvragen wat een kunstwerk nu eigenlijk is, wat het moet voorstellen en of het zelfs kunst is. Welk verhaal moeten we erin lezen? De campussen van UAntwerpen staan vol kunstwerken, maar of er veel studenten zijn die ze goed bekijken valt te betwijfelen. dwars vliegt er echter in en belooft je dat vijf minuten eerder opstaan om de pareltjes op de universiteit toch eens goed te bekijken, helemaal de moeite waard is.

Op de witte muur van het gebouw De Meerminne op de Stadscampus valt een zwart handschrift onmiddellijk op. Je kan er niet langs slenteren zonder het gezien te hebben, zelfs niet in alle studentikoze drukte. Chaque matin elle a tout oublié prijkt sinds 2016 in reuzenformaat aan de wand, dankzij de noeste arbeid van Lieven Segers. Segers is een Antwerpse kunstenaar die zich kordaat afkeert van de serieuze toon van de hedendaagse kunstwereld. Humor is een belangrijke component in zijn kunst, maar dat betekent niet dat zijn werken geen doordachte betekenis hebben. Op het eerste gezicht is zijn werk luchtig en humoristisch, maar na een tweede keer kijken merk je de diepere laag op, de soms donkere invalshoek. Zijn grafische stijl is uniek: in alles is Chaque matin elle a tout oublié duidelijk een werk van Segers.

Naast kunstenaar is Segers ook curator. Dit werk hoort bij een expositie die hij zelf samengesteld heeft, namelijk 11 Kunstenaars Tegen De Muur. Hierbij kregen elf Antwerpse kunstenaars elk een muur om hun eigen invulling aan te geven. Het resultaat was een artistiek antwoord op het stadsleven in Antwerpen. De muren zijn intussen leeggehaald: alleen deze is blijven staan, dankzij de beslissing van de Commissie Kunst op de Campus.

Het kunstwerk behelst een muurschildering op gebouw De Meerminne. Het handschrift is kinderlijk en typerend voor Segers. De letters zijn beverig, met de linkerhand opgeschreven door de rechtshandige Segers, en sommige letters zijn met zwart ingekleurd. Het is net een dagboekpagina die haast per ongeluk op de muur is beland. De boodschap staat er dan wel in het groot, het doet toch intiem aan. Ik wil bijna wegkijken, alsof ik het eigenlijk niet had mogen lezen – en toch, de paar woorden staan in mijn geheugen gegrift. Het vormt een groot contrast met de publiekelijke plaats. Zo veel studenten hebben les in gebouw M, zo veel mensen, Antwerpenaars en toeristen, komen voorbij, de tram zoeft voorbij op arbitraire momenten… Je kan er bijna niet naast kijken. Met dat contrast speelt Segers.

 

dagboek met een kwinkslag

De boodschap zelf, Chaque matin elle a tout oublié, klinkt de eerste keer dat je het leest, eenvoudig, maar het is de bedoeling dat je het op meerdere manieren kan lezen. In de eerste plaats is het een toespeling op de universiteit en stelt het zich de vraag hoeveel van de universitaire kennis we als maatschappij verloren laten gaan. Ja, de UAntwerpen fungeert als een instituut van kennis, maar veel van wat studenten hier leren, wordt niet meegenomen naar het leven van alledag. Is dat een probleem? Waar gaat het precies verloren? Waarom lijkt de universiteit op een geheel andere planeet te bestaan dan de rest van de maatschappij? Elle kan naar de maatschappij verwijzen: elke dag is ze de kennis van de universiteit alweer vergeten. Gediplomeerden hangen de afstudeertoga aan de haak en gaan met die plechtige handeling op in de mensenmassa die geen idee meer heeft wat ze zoal geleerd heeft in de aula’s.

Op de tweede plaats wordt het breder getrokken en gaat het over de wispelturigheid van de mens. De ochtend na een onenightstand kijk je de ander in de ogen en ben je de intimiteit van de vorige nacht vergeten. De ochtend na een echtelijke ruzie weerklinken de giftige woorden niet meer na in je oren. Je bedoelde het niet zo. Je bent alweer vergeten wat je gezegd had en ach, in het heetst van de strijd zeg je weleens dingen die anders aankomen dan je had gewild. Elke ochtend vergeten we de dag ervoor. Maar dat kunnen we ook optimistisch bekijken: elke dag een nieuwe start. En dat is exact zoals Segers het graag wil: zo’n simpele boodschap en toch duizenden manieren om haar te interpreteren.



20/09/2019
october power (© Lie Van Roeyen | dwars)
🖋: 
Auteur

Around September

I start to howl

My hands turn to claws

I don't walk, I slither

My eyes become slits

And I don't speak, I growl

 

My soul rises

Spirit intensifies

Strength magnified

And the innocent girl becomes innocent no more

 

I feel it in my bones

The changing of the seasons is here

 

And Halloween is near



Humans of UAntwerpen

20/09/2019
Laura Jansen (© Reinout Arents | dwars)
🖋: 
Auteur

Kunstenaar of topsporter, bejaarde of ondernemer, geen enkele soort ontspringt de dans. Je wordt op een dag wakker met de intense drang om je bij Universiteit Antwerpen in te schrijven. Het gevolg: zoveel vreemde vogels dat het uitzonderlijk wordt om normaal te zijn. Elke maand zetten wij een bijzondere student in de kijker.

De stelling dat Taal- en letterkunde vol zit met alternatievelingen met wijde broeken is ondertussen een cliché geworden. Toch slaat Laura Janssens (22) zelfs in dit departement een andere toon aan dan de meesten. Ze studeert Theater-, film en literatuurwetenschap en Frans. Onder haar artiestennaam Laura Y (te lezen als 'why' nvdr.) componeerde ze vorig jaar een pianoalbum. Hoewel haar houding een ingetogen kabbelend beekje lijkt, blijkt ze een spraakwaterval zodra het over muziek gaat: “Ik speel piano sinds de lagere school en heb altijd al een voorliefde gehad voor filmmuziek. Ryuichi Sakamoto was een eerste inspiratiebron om zelf te beginnen componeren, maar in de pianoles moest ik vooral eindeloos Bach en Mozart naspelen." 

 

why not?

“Ik heb anderhalf jaar geleden een leraar jazzpiano gezocht om me muziektheorie aan te leren. Maar hij weigerde dit omdat hij bang was dat ik zo mijn authenticiteit zou verliezen. In plaats daarvan leerde hij me luisteren." Laura leerde zo niet alleen beter luisteren naar toonladders, maar ook naar zichzelf: "Ik ben mezelf serieuzer gaan nemen. Ik kreeg de opdracht om elke week een compositie te schrijven en voor ik het wist was er een album." 

Jupiter 26, Laura's debuutalbum, te vinden op iTunes, Bandcamp en Spotify. Daar kan je lezen dat Laura Y muziek maakt voor films die niet bestaan. Op de vraag of Theater, film- en literatuurwetenschap dan een persoonlijke keuze is, reageert ze gelaten. “Waarom zou ik iets studeren dat niet persoonlijk is? Mijn bachelorproef ging bijvoorbeeld over Joe Hisaishi, de componist van Studio Ghibli. Al ben ik, nu ik aan mijn master begin, wel blij dat ik salut kan zeggen tegen Frans.”

Laura laat zich in geen enkel hokje duwen. Ze blijft trouw aan haar artistieke trekjes en zoekt steeds eigen grenzen op. "Ik wil me niet vastleggen in een kader, maar de klassieke piano staat uiteindelijk het dichtst bij mij. Het voelt alsof ik dat eerst moet geperfectioneerd hebben vooraleer ik aan iets anders kan beginnen, maar ik wil me ook wagen aan dingen met jazz of zelfs hiphopelementen. Eigenlijk wil ik alle genres uitdagen." 

Nochtans is die drang naar hybriditeit geen voorliefde voor het experimentele. “Ik wil niet vernieuwend zijn, ik wil vooral authentiek zijn.” 



stammen, takken, achten en negens

19/09/2019
delibereren op hoog niveau (© Reinout Arents | dwars)
🖋: 
Auteur

Vorig jaar werd de beslissing genomen om nieuwe deliberatieregels vanaf september 2019 op te nemen in het Onderwijs- en examenreglement (OER). Vanaf dit jaar is er dus in elke faculteit een mogelijkheid om te delibereren. dwars doet de nieuwe regeling uit de doeken en vraagt afgestudeerd en notoir studentenvertegenwoordiger Jean-Marc Guessou om tekst, uitleg en mening.

De nieuwe, universiteitsbrede deliberatieregels zitten al een tijdje in de wachtkamer. Al in mei 2018 kwam er een nota van het rectorale team op de onderwijsraad omdat men de doorstroom van studenten wilde verbeteren. Een woord als 'doorstroom' betekent hier weinig anders dan dat er een wens bestaat dat meer studenten sneller een diploma halen. Het vergeven van kleine tekorten op enkele vakken was hierbij een te volgen strategie.

Jean-Marc: “Het dossier lijkt vorig jaar in een stroomversnelling te zijn geraakt, toen ik eigenlijk al studentenvertegenwoordiger af was. Hiervoor moet men naar mijn mening vooral de coördinator Onderwijs van de studentenraad, Angela Brinkman, bedanken. Maar er was al sprake van toen ik nog in de algemene vergadering zetelde.”

Door een basis aan deliberatieregels in het OER op te nemen en universiteitsbreed vast te leggen, gelden voor alle studenten dezelfde minimumregels en -kansen. Ook werden de regels meer in lijn gebracht met de regels aan de andere Vlaamse Universiteiten.

 

kloven tussen 8 en 10

De opzet van de nieuwe deliberatieregels is in principe eenvoudig: zit je in het afstudeerjaar van je bachelor, dan kan je je bachelordiploma krijgen, zelfs als je voor vakken tot maximum 12 studiepunten minstens een 8 hebt behaald én als je zelfs met die onvoldoendes aan een gewogen gemiddelde van 50% komt. Dit 'gewogen gemiddelde' betekent dat een vak van 6 studiepunten dubbel zo zwaar doorweegt in het berekenen van je gemiddelde dan een vak van 3 studiepunten. Zit je in je master, dan wordt het iets strenger: hier kan je ten laagste een 9 halen voor slechts één vak van maximum 6 studiepunten. Ook je gewogen gemiddelde gaat omhoog: in je master moet je 60% halen om in aanmerking te komen voor deliberatie.

Jean-Marc: “Ik vermoed dat er wellicht niet gesleuteld wordt aan de autonomie van de faculteiten, maar nu is er wel een kader waarbinnen deliberaties mogelijk zijn. Er zijn eigenlijk geen inherent nieuwe mechanismen in het aangepaste OER, maar door de nieuwe regelingen komen bepaalde zaken meer naar voren. Een van die mechanismen is dat studenten vaak de neiging hebben om het verschil tussen een 9 en een 10 als iets kleins te zien, terwijl dat net een grote sprong is voor professoren. Ook in deze regeling zal die sprong er blijven, maar gewoon op een ander interval komen te liggen."

Er komt met andere woorden een plafond aan de strengheid van deliberaties. De vraag stelt zich echter of de strengheid van zulke deliberaties niet gewoon verschoven wordt: waar op een faculteit die vroeger een full credit-systeem hanteerde, een professor iemand een 9 gaf bij wijze van 'veto', kan diezelfde professor nu gewoonweg een 7 geven. Een tweede mogelijk ongewenst effect kan zijn dat professoren die uit goodwill toch net die 10 hadden gegeven aan een student die op modeltraject zit, nu sneller een 9 zullen geven, omdat de optie van deliberatie toch aanwezig is. En die onvoldoende blijft zichtbaar op je diploma.

Jean-Marc: "Zodra je de gunst van deliberatie geniet, komt dit wel op je diploma te staan. Je hebt niet plots het credit behaald omdat men je jouw diploma overhandigt. De waarde van je diploma zakt dus wel degelijk. Een van de redenen waarom vele opleidingen aan onze universiteit voorheen het full credit-systeem hanteerden, was juist omdat zo de waarde van de uitgedeelde diploma's steeg."

Uiteraard hebben studenten het recht om zich te verzetten tegen deze deliberatie en het vak wel opnieuw op te nemen, maar dit zullen ze schriftelijk kenbaar moeten maken aan de examencommissie binnen zeven kalenderdagen nadat ze gedelibereerd verklaard zijn. Het zal je namelijk maar overkomen dat je zonder dat je het wil, geslaagd wordt verklaard en je een diploma met verminderde waarde overhandigd wordt.

 

bomen in het oerwoud

Een ander belangrijk aspect van de deliberaties is dat ze enkel doorgaan wanneer je in aanmerking komt om je bachelor- of masterdiploma te halen. Er is dus geen deliberatie per jaar, wat aanvankelijk wel het eerste voorstel was. Gelukkig is de regeling niet uitsluitend toepasbaar op vakken van je afstudeerjaar.

Jean-Marc: “In de nieuwe OER is de vereiste om ieder vak opnieuw op te nemen wel geschrapt. Zo zou je tekort van een eerste- of tweedejaarsvak als een 8 of een 9 op SisA kunnen laten staan tot de eigenlijke deliberatie aan het einde van je bachelor. Een ander mechanisme, waarover ik het eerder had en dat al eens door studenten over het hoofd wordt gezien, treedt hier naar voren: het systeem van zwakke en strikte volgtijdelijkheid. Je kan uiteraard een vak waarvoor je moet slagen om een ander vak op te nemen niet met een 8 of een 9 laten liggen, want dan kan je dat tweede vak nooit opnemen.”

Zo brengt de op zich kleine verandering een hele reeks impliciete karakteristieken van elke opleiding met zich mee. Vakken met strikte volgtijdelijkheid kunnen omwille van hun aard niet gedelibereerd worden. Dit geldt evengoed voor je bachelor- en masterproeven of eventuele stages. Zo wordt de 'boom' van elke opleiding net dat tikkeltje scherper afgelijnd. Slagen voor de 'stamvakken' van elke opleiding blijft een absolute, noodzakelijke voorwaarde om een diploma te halen. Het is alleen voor de 'takvakken' dat je met een licht tekort gedelibereerd kan worden.

Jean-Marc:

“Er is beslist wat er als 'licht tekort' in aanmerking komt voor deliberatie, maar dat wil niet zeggen dat zwaardere tekorten niet worden gedelibereerd. Eigenlijk is er sinds jaar en dag ook een andere manier van delibereren die reeds in het OER stond en nog steeds van toepassing is. Als je kan bewijzen dat er op studie- of persoonlijk vlak bijzondere omstandigheden waren en je bovendien kan aantonen dat je alle globale opleidingsdoelstellingen, ook weleens kerncompetenties genoemd, bereikt hebt, kan de examencommissie alsnog je diploma uitreiken. Hierbij is de eerste voorwaarde relatief makkelijk aan te tonen, bij overlijden van naaste familie of een langdurige ziekte bijvoorbeeld, volstaan overlijdensaktes en doktersattesten. Ook een licht tekort kan als een bijzondere omstandigheid worden beschouwd dat in het licht van het hele studieloopbaan moeten bekeken. De vraag stelt zich eerder naar die kerncompetenties, begin maar eens te bewijzen dat je alle van die kerncompetenties van een opleiding hebt bereikt, als je gebuisd bent voor een opleidingsonderdeel die exact één van die kerncompetenties beoogt. Ik kan mij erin vergissen maar hoe de eind en kerncompetenties met elkaar verweven zijn is niet makkelijk terug te vinden, dat maakt de bewijslast hiervoor nog moeilijker. Men kan bij de toepassing van die deliberatiemogelijkheid ervoor kiezen om daar een kwantitatief minimumpercentage aan te verbinden."

Dat brengt ons bij de laatste verandering die in het OER aanwezig is, namelijk een verschuiving van het eindtotaal dat je nodig zult hebben om je diploma toegekend te krijgen met bepaalde graden. Vanaf academiejaar 2020-2021 zullen de gewogen gemiddelden voor een onderscheiding en grote onderscheiding hoger liggen: dit zal respectievelijk stijgen van 65 naar 68 procent en van 75 naar 77 procent. Voor de grootste onderscheiding blijft het eindtotaal een ambitieuze 85 procent.

 

Jean-Marc: “Studenten die de nieuwe deliberatieregels lezen, juichen uiteraard. Toch vind ik het een beetje dubbel. Ik zou het er lastig mee hebben als ik als werkgever een potentiële werknemer bij mij zou krijgen die op meerdere bachelorvakken een onvoldoende heeft gehaald. Je kan moeilijker staven of die kennis gevaloriseerd is. Aan de andere kant zijn examens slechts momentopnames. Voor studenten die in hun academische carrière maar enkele missers halen op het modeltraject bespaart deze maatregel wel een volledig studiejaar.”



het nieuwe erfpachthoofdstuk van UAntwerpen

19/09/2019
campus verbouwen zonder universiteitsgeld (© Rin Verstraeten | dwars)
🖋: 

Een nieuw hoofdpijndossier of een succesverhaal? Inmiddels is de commotie rond studentenhome Ten Prinsenhove al wat in het luchtledige opgelost, maar op Campus Drie Eiken is er een ander erfpachtdossier geopend. De koten op het Dokter Donnyplein hadden schimmel op de muren en een chronisch gebrek aan goede isolatie, terwijl de universiteit aangaf dat ze geen budget had om die problemen op te lossen. Door de groeiende studentenpopulatie gaf UAntwerpen de prioriteit aan investeringen in onderwijsfaciliteiten. Ondertussen werd het budget voor studentenhuisvesting teruggeschroefd en werden alleen de hoogstnodige onderhoudskosten betaald.

Omdat renovatie te duur bleek en sluiting geen optie was, heeft UAntwerpen besloten om de peda en andere delen van Campus Drie Eiken open te stellen voor erfpacht door externe partijen. Zij kunnen concrete plannen voor de gronden indienen op 21 oktober 2019. Erfpacht houdt een contract in van een bepaald aantal jaren waarbij de projectontwikkelaar de gepachte grond gedurende die tijd ten volle mag gebruiken zolang hij de voorwaarden van de erfpacht volgt. Na afloop van het contract komt de grond en alles wat erop staat weer in het bezit van de oorspronkelijke eigenaar, hier UAntwerpen. 

Geen nieuwe formule voor de universiteit, die dezelfde tactiek bij Ten Prinsenhove had toegepast. Toen waren er onder studenten vooral bedenkingen bij de volledige vrijheid die exploitanten hadden bij het bepalen van de huurprijs. Zouden de koten na renovatie veel duurder worden dan nu? Aangezien die renovatie nog maar net is begonnen, kunnen we enkel afwachten of die vrees waarheid wordt.

de student hoog in het vaandel

Met de ervaring van Ten Prinsenhove in het achterhoofd heeft UAntwerpen in dit geval gekozen, in overleg met studenten, voor een minder vrij erfpachtcontract dan de private partijen toen kregen. Een belangrijke eis is dat toekomstige exploitanten 120 koten aan de marktprijs van 270 euro moeten aanbieden, als onderdeel van het contract. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan de wens van studenten om de betaalbaarheid van de kamers te waarborgen, met het oog op de financieel zwakkere studenten. 

Natuurlijk roept dat de vraag op wat dan de financiële prikkel is voor eventuele geïnteresseerden. Het studentenhome zelf telt immers maar 107 kamers, dus minder dan die vereiste 120 kamers. Daar zit nu juist de vrijheid voor de private partijen: ze hebben de mogelijkheid om meer koten bij te bouwen, waar ze de prijs wel van kunnen bepalen. Frédéric Desclee van de Stuvoraad ziet dat ook zeker gebeuren: “Die 120 koten zijn voor de makelaar zelf niet super interessant omdat die aan een hele lage prijs zijn, dus hij gaat er sowieso nog meer bijbouwen om toch iets meer winst te kunnen draaien.”

Verder mag de projectontwikkelaar de huidige functie van eventuele gebouwen op het stuk grond niet veranderen. Als er bijvoorbeeld 150 parkeerplaatsen worden aangeboden op het deel dat de erfpachter overneemt, dan moeten dat er 150 blijven. Daarnaast moeten deze parkeerplaatsen open blijven voor de universiteit en mogen ze niet door de derde partij geclaimd worden voor eigen gebruik. 

meer dan alleen koten

Het voorbeeld van parkeerplaatsen breekt ook meteen een belangrijk aspect van het nieuwe plan open. Niet alleen het perceel waar het studentenhome op staat, kan gepacht worden, er mogen voor meerdere delen van de campus plannen ingediend worden. Onder andere de zogenaamde openluchtaula, de vier parkings en gebouw G (waar de Komida is gevestigd) kunnen door eventuele geïnteresseerden in erfpacht genomen worden.

Door ook andere delen van de campus open te stellen voor erfpacht hoopt UAntwerpen nieuwe faciliteiten te kunnen aanbieden aan hun studenten. Op dit moment zijn veel faciliteiten er niet of te weinig. Peter De Meyer, woordvoerder van UAntwerpen, vat het kort samen: “In het studentenrestaurant bij gebouw G staan er dikwijls files door een gebrek aan capaciteit. De campus kan ook sportaccommodatie gebruiken en er is niet onmiddellijk een ontmoetingspunt op de campus.”  

De studenten gaven dan ook zelf aan dat er meer problemen waren dan koten alleen. De campus mist een echt hart: er is voor de studenten weinig te doen als de lessen voorbij zijn. "De campus zou baat hebben bij een studentencafé of misschien zelfs een klein winkeltje, zodat er overdag, maar zeker ook 's nachts, meer te doen is rond de campus", vertelt Frédéric Desclee. 

bijbouwen binnen de lijnen

De erfpachters zouden dus meer kunnen bouwen dan nieuwe studentenhomes alleen, mits ze de bestemming van de grond eerbiedigen. Een belangrijk detail is dus dat de huidige functie van een perceel behouden moet worden, maar dat een toekomstige projectontwikkelaar wel functies kan toevoegen. Stel dat een exploitant een parking in erfpacht neemt en de parkeerplaatsen behoudt, bijvoorbeeld ondergronds, maar er een sportfaciliteit bijbouwt, is dat toegestaan. Natuurlijk moeten de nieuwe gebouwen wel de oude functie behouden. “Het is niet de bedoeling om de campus te gaan verkavelen en dat er opeens eengezinswoningen komen. Winkelcentra zijn ook niet de bedoeling, want de grond is ingekleurd als grond voor openbaar nut”, zoals Peter De Meyer het verwoordt. Een zwembad zou nog wel kunnen.

Bijbouwen mag, maar dat niet alleen: toekomstige beheerders staat het ook vrij om de huidige gebouwen te slopen en te herbouwen als de huidige capaciteit behouden blijft. De Komida valt daar ook onder volgens Peter De Meyer: “We zijn niet getrouwd met gebouw G, om het op zijn Vlaams te zeggen. Architecturaal kan er wel iets aan verbeteren. Als een projectontwikkelaar dan met een goed voorstel komt waarbij hij zegt: ‘Ik ga op het gelijkvloers een restaurant voor een paar honderd mensen zetten dat uitgebaat blijft door Komida en de universiteit zelf, en op de eerste verdieping maak ik hier een leuke koffiebar met een loungehoek’, dat kan allemaal.” Interessant voor toekomstige partners is ook dat er een leeg grasveld verpacht kan worden, waar nog niets op is gebouwd, 

Ruimte voor financieel gewin is er dus zeker voor geïnteresseerde projectontwikkelaars. Zeker ook omdat ze die faciliteiten eventueel mogen verhuren aan externe partijen als de studenten er geen nood aan hebben. Peter De Meyer geeft hierbij het voorbeeld van een sporthal: “Als ze een sporthal overdag laten gebruiken door de studenten en die ‘s avonds willen verhuren aan sportclubs uit Wilrijk en Edegem en andere omliggende gemeenten, dan mag dat ook.”

een drievoudige handdruk

Kortom, met het nieuwe dossier probeert de universiteit zowel de eigen belangen, die van de student als die van toekomstige externe partners in het oog te houden. Ambitieus is het zeker om ook nieuwbouw van horeca of sportfaciliteiten op de campus toe te laten, maar met de gestelde voorwaarden zal UAntwerpen waarschijnlijk niet voor grote verrassingen komen te staan. De eis voor toekomstige externe partners om 120 koten onder de marktprijs aan te bieden is in ieder geval een positieve ontwikkeling sinds Ten Prinsenhove. Nu is het enkel nog afwachten wat er in de komende jaren effectief verwezenlijkt gaat worden.



over de betekenis van fictie, YouTube-instructievideo's en trainingsbroeken

18/09/2019
proffenprofiel: Kevin Absilis (© Amber Peeters | dwars)
🖋: 
Auteur

Het proffenprofiel toont professoren zoals je ze nog nooit zag: als mensen. dwars stelt de vragen die bij menig student al jaren door het hoofd spoken, maar die ze zelf niet durven stellen. Kevin Absillis heeft naast zijn werk als docent moderne Nederlandstalige letterkunde en algemene literatuurwetenschap al veel gepubliceerd, onder meer over Vlaamse auteurs als Hendrik Conscience en Hugo Claus. Toch is hij niet puur een “literatuurnerd” zoals hij het zelf zegt. Zijn interesse ligt breder. Aan ons de taak om deze onzichtbare kant aan het licht te brengen.

Wordt u literatuur nooit eens zat? Heeft u nog andere hobby’s buiten literatuur?

Ik kan ook in de literatuur stoom afblazen, ik vind niet noodzakelijk dat ik aan het werken ben als ik een roman lees. Ik ben echt geen nerd die zich alleen maar opsluit en zich omringt met literatuur: ik ben ook met andere vormen van cultuur bezig. Dat merk je wel in mijn colleges, we hebben het ook over films en theater. Netflix kijken is bijvoorbeeld iets wat ik vaak doe. Dat zal ik maar niet te veel adverteren, want dan lijkt het alsof ik te veel vrije tijd heb en die heb ik niet. Wat ik wel heb is een chronisch slaaptekort. Op dit moment ben ik aan het tweede seizoen van Mindhunter begonnen. Ik ben ook met muziek bezig.

Bent u het type persoon dat af en toe eens een aflevering kijkt of bent u iemand die een seizoen op een avond kijkt?

Een seizoen op een avond is te veel. Voor mijn vrouw en ik kinderen hadden, was dat misschien gelukt. Maar toen was er nog geen Netflix. Series kijken is bij ons een sociaal gebeuren. Boeken lezen doe je alleen, je bent zelden met twee hetzelfde boek aan het lezen. Het leuke aan die series is dat ze de ruimte creëren om het er samen over te hebben. Fictie helpt zo zin en betekenis te geven aan je eigen leven, je toetst als het ware wat je ziet af aan wat je zelf meemaakt. Dat is misschien wel de oerfunctie van fictie.

Heeft u een voorkeur voor bepaalde categorieën van series naast Mindhunter? Dat laatste is toch wel wat wetenschappelijk.

Ja, bij die serie denk je wel van: 'Oké, ik zie wel waarom een prof dat kijkt.' Maar ik volg ook hele commerciële reeksen. Ik heb echt alle seizoenen van Lost uitgekeken, met The Walking Dead ben ik dat ook van plan. Ik kijk wel graag horrorachtige dingen en apocalyptische of dystopische verhalen. Goede humor is helaas zeldzaam, maar The Kominsky Method en Dead to Me vond ik wel erg geestig. Als ik mijn hart als literatuurwetenschapper mag laten spreken: ik bewonder vooral grote reeksen als The Wire, Mad Men en Breaking Bad, hoewel ik die laatste toch te lang door vond gaan.

Ik keek vroeger als een echte student diepzinnige films uit de Europese of Aziatische markt omdat ik toch de echte meesterwerken wilde zien. Hoe moeilijker het te verstaan was, hoe authentieker je leeservaring, dacht ik toen. Ik weet nog dat er een periode was waarin ik Steven Spielberg afschreef als veel te commercieel. Nu ben ik een groot bewonderaar van Steven Spielberg, eigenlijk altijd al geweest, maar ik ben het toen gaan onderdrukken omdat dat niet meer in overeenstemming was met het smaakpalet dat ik mij moest aanmeten als student van volwaardige cultuur.

U had het eerder over muziek?

Ja, als kind speelde ik piano. Dat is misgelopen omdat ik een beetje afknapte op het schoolse van muziekacademies van toen. Toen moest je eerst een jaar theorie doen en noten leren lezen. Daar begon ik mee op achtjarige leeftijd. Ik was een enthousiast kind, ik bewoog veel en als ik dan ook nog moest stilzitten buiten school, knapte ik daar op af. Nadat ik mijn universitaire studies had afgerond, ben ik opnieuw met muziek begonnen. Ik ben met saxofoon begonnen. Gewoon thuis, ik sta nergens op het podium. Toen mijn eerste zoon geboren werd in 2011, ben ik ermee gestopt omdat ik weinig vrije tijd had en een sax in huis niet met baby's was te combineren.

Toch is dat nog altijd blijven knagen. Ik heb een jaar geleden uit medelijden een akoestische gitaar gekregen van mijn vrouw, daar ben ik dan op beginnen tokkelen. Tegenwoordig heb je natuurlijk ook YouTube, ik zou daar als kind zo van opgeleefd hebben! Je kunt jezelf zo veel aanleren, er zijn ongelofelijk goede instructievideo's. Maar ik neem daarnaast lessen. Sinds vorig jaar september zit mijn zoon op de muziekschool. Ik fiets altijd met hem mee daarnaartoe en moet dan wachten tot hij klaar is: aangezien heen en weer fietsen in de tussentijd het niet waard is, ben ik de muziekschool afgedwaald om te kijken wie daar op dat moment gitaarles aan het geven was, zodat ik de volgende keer mijn gitaar mee kon nemen en toch wat les kon krijgen.

Heeft u ook de ambitie om erbij te gaan zingen?

Ik weet niet of ik dat wil lekken in dit interview. Ik zing wel graag. Het grote voordeel van de gitaar is dat je jezelf kunt begeleiden. Dus ja, maar niet om op een podium te staan. Ik denk niet meteen dat ik het in de colleges ga inzetten, maar je weet nooit.

Om het toch maar over literatuur te hebben, uw oeuvre richt zich vooral op de Vlaamse zaak of Vlaamse schrijvers, hoe bent u bij dit thema gekomen?

Daar zit veel toeval in. Toen ik mijn licentiaatsverhandeling (de huidige masterscriptie) moest schrijven, was de traditie dat onderzoeksgroepen die met echt onderzoek bezig waren, hun onderzoek kwamen voorstellen. Dan kon je bij wijze van spreken à la carte een thema kiezen van zo’n onderzoeksgroep. Uiteindelijk heb ik dat gedaan, ik dacht: 'Ik wil iets leren waar ik niks van af weet en ik wil profiteren van de onderzoeksdynamiek die hier hangt'.

Heeft u ook favoriete schrijvers buiten Nederlandstalige auteurs?

Ja, natuurlijk. Ik lees ook wel andere dingen dan alleen Vlaamse- of Nederlandstalige auteurs. Ik volg nogal wat Angelsaksische auteurs, zoals Zadie Smith, Dave Eggers en Douglas Coupland. Vaak ook wel postkoloniale auteurs die schrijven over de geglobaliseerde maatschappij.

Had u voordat u op de universiteit zat ook al een sterke fascinatie voor literatuur?

Ja, zolang ik weet, las ik heel veel boeken en keek ik ook heel veel tv en films. Ik ben altijd verslingerd geweest aan verhalen. Dat hoefde zelfs geen literatuur of films te zijn: als ik bij de lessen geschiedenis een verteller voor de klas had, dan was ik altijd mee. Historische figuren werden voor mij dan personages. Als kind heb ik heel veel gelezen. Door sommige boeken kon ik echt ontroerd raken. Als ik het boek uit had, kreeg ik het gevoel dat ik op kamp was geweest en had ik heimwee naar de sfeer van het boek. Dan raakte ik zo ontregeld dat ik het direct opnieuw begon te lezen om maar terug in dezelfde sfeer te geraken.

Ik zat toen ik klein was bij een jeugdbeweging waar de leiding heel veel werk maakte van haar kampen. Ik ging toen ik zes was twee weken mee op kamp. Het thema was Koning van Katoren van Jan Terlouw. De leiding had iemand gevraagd om gedurende dat hele kamp in de huid te kruipen van het hoofdpersonage van die jeugdroman. En wij moesten hem dan elke dag helpen met het vervullen van aartsmoeilijke proeven. Ik wist ergens wel dat het niet echt was, maar het heeft toch een onverwoestbare indruk op mij gemaakt. Toen dat kamp voorbij was, was ik totaal de kluts kwijt. Ik zat zo hard in dat kamp dat ik gewoon nooit meer wilde dat het eindigde. Later ben ik onmiddellijk dat boek gaan halen, maar dat kreeg ik niet mee, want ik was er nog te jong voor. Ik moest dus terug naar huis om mijn vader te halen die dan moest zeggen dat het op zijn kaart kon. Zo paternalistisch was de bibliotheek toen nog.

Om als afsluiting een vaak terugkomende proffenprofiel-vraag te stellen, heeft u ook een guilty pleasure?

Mijn pleasures zijn eigenlijk nooit echt guilty, je moet trots zijn op het plezier, ook al strookt dat niet met de reputatie die je probeert te handhaven in de publieke ruimte of als prof, dus het is niet dat ik mij voor iets wil schamen. Maar om toch iets te noemen: als ik thuiskom, is het eerste wat er gebeurt dat ik al mijn kantoorkledij uitschiet en de meest comfy trainingsbroek aantrek. Ik wil de meest losse, aangename en prikkelvrije kledij aan hebben in huis en daarmee nestel ik mij dan op de bank. Of wil je echt een guilty pleasure? Karaoke! En ik hoef niet eens zat te zijn om eraan te beginnen.



de levensgenieter

17/09/2019
zoektocht naar het verloren geluk (© Amber Peeters | dwars)
🖋: 

In het tijdperk waar het ‘moeten’ regeert, is het in onze maatschappij een absolute must om je gelukkig te voelen. Tegelijkertijd raakt om ons heen de een na de ander verzeild in depressie, angststoornis of zelfisolatie. Voor hetzelfde aantal klachten is er een even groot aanbod aan remedies. Zijn we met ons allen gewoonweg vergeten hoe gelukkig te zijn met wie we zijn, wat we hebben en wat we doen? Of ligt het probleem ergens anders? Is er nog hoop voor ons? De Levensgenieter springt voor jullie in de bres en gaat op zoek naar een beter leven. Geluksvogeltjes.

2018 was voor mij het beste jaar van mijn leven. Mijn relatie zat goed, mijn vriendschappen bijna nog beter en mijn diploma was binnen handbereik. Ik stond te popelen om de wereld te ontdekken en daarna zou ik Antwerpen veroveren om aan een nieuwe studie te beginnen. En toen stond plots 2019 voor de deur. Onheilspellend achtergrondmuziekje alsjeblieft, want voor ik het wist verdwenen mijn gelukscomponenten een voor een. Mijn tijd in Antwerpen stak grauw af tegen mijn zonnige herinneringen. Wat een springplank naar een prachtige toekomst had moeten zijn, bleek niet eens een opstapje. Mijn bed kwam ik sommige dagen niet uit. Op een zondagochtend temde ik in bad mijn fikse kater – zoals men doet – en vroeg ik me af: "Kan ik ooit nog zo gelukkig worden? En zo niet, kan ik op zijn minst nog een beetje van het leven genieten?"

Later ontdekte ik dat er ontelbaar veel raadsheren waren op mijn zoektocht naar geluk. Tijdschriften vertelden me dat ik aan de yoga en mindfulness moest. Nee, nee, bezwoer de reclamefolder me, je hebt een Live, Love, Laugh-plakkaat op de muur nodig. Mama droeg me op om een beetje meer van mezelf te houden en papa beweerde dat de sleutel zich verborg op de bodem van mijn stoffige sportschoenen. Heus. "Een halfuurtje per dag zou al veel verschil maken", drukte hij me goedbedoeld op het hart, niet wetende dat dat hart niet veel druk meer kon verdragen.

de formule

In mijn ervaring maakt zo'n formule zijn beloftes niet waar. Mogelijk ligt daar het probleem: het idee van een formule waarmee je alle problemen oplost. Eigenlijk is het leven een simpel rekensommetje, toch?

In de zestiende eeuw begon in Europa de wetenschappelijke revolutie. Deze periode oefent nog altijd invloed uit op hoe wij ons leven leiden via de moderne wetenschap. Zo onderscheidt de westerse maatschappij zich sterk van andere culturen door ziel en zaligheid constant in de weegschaal te leggen. Wat niet te meten valt, heeft voor ons geen reële waarde. Meten is weten. Het is dan ook niet vreemd dat er vanaf die periode alles wat gekoloniseerde volkeren dierbaar was, systematisch werd vernietigd. Cultuur en geschiedenis kun je niet meten. Kunst en liefde ook niet. Het is best mogelijk dat wij onszelf dit geweld ook hebben aangedaan door geen rekening te houden met alles wat ons leven mooier maakt. Van wat er verloren ging, kunnen we alleen nog maar fantaseren.

Gewapend met kasboeken en registratieformulieren vielen onze voorvaderen veelal minder geletterde samenlevingen binnen, klaar om alles kapot te schrijven. Oerwouden en bossen maakten plaats voor netjes uitgerekende akkervelden en plantages. Inheemse kinderen werden aan lessenaars geïndoctrineerd, ouders werden slaven van de maatschappij van het meten, dankzij belastingstelsels of meer gewelddadige methodes. Haast ironisch is het dat deze onderwerping verantwoord werd door nauwkeurig meetwerk. De frenologie stelde dat men aan de vorm van een schedel kon zien hoe ontwikkeld iemand was. Wonder boven wonder wezen de bevindingen uit dat de hersenpan van de witte man het absolute toppunt was van de morele ontwikkeling. Hoera, reden om over alle andere schedels te heersen!

Het is interessant om te zien dat je deze houding van meten als basis van wijsheid nog steeds terugziet in onze huidige internationale betrekkingen. De frenologie wordt al lang niet meer serieus genomen, maar we blijven wel meten hoe superieur we zijn.

we betalen wel voor, maar investeren niet in geluk

De westerse verslaving aan meten zien we terug in hoe we naar ontwikkeling kijken. De Human Development Index van de Verenigde Naties is daar een goed voorbeeld van. Op het eerste zicht heeft hij een nobel doel: hij kijkt naar economische groei, maar ook naar de mensen zelf. Dit wordt vertaald naar de drie pijlers van bruto nationaal inkomen, levensverwachting en scholingsgraad. Alleen: geluk kan je niet zien op een schaal van arme sukkelaar tot huisje, tuintje, diplomaatje. Dit puntje van kritiek bestaat al langer dan deze dwars: in 1979 ontwikkelde de koning van Bhutan de Happiness Index. Bruto nationaal inkomen is out, psychisch welzijn is in. Want geluk, daar hangt geen prijskaartje aan.

Zonder meten, geen weten en geen wetenschap. Maar rekensommen kunnen ons niet vertellen hoe wij als maatschappij gelukkig moeten zijn. Ons bruto nationaal inkomen zit goed, maar het is een groot gemis dat geluk toch een beetje als te abstract om van belang wordt gezien. We zijn niet altijd zo gelukkig als we zouden willen, al hebben we nog zo veel. Maar in al die rijkdom hebben we nog geen formule voor geluk gevonden. Niet erg, misschien. Echt geluk is onmeetbaar.



de betweter

15/09/2019
oversteekknoppen: opium voor het volk? (© Lie Van Roeyen | dwars)
🖋: 

Het is niet omdat je veel onnozele weetjes kent, dat je een betweter bent. Dat bewijst een van onze redacteurs elke maand door een waanzinnig interessant, ongelofelijk boeiend of verbluffend spannend feit te delen.

Julius Caesar wist het volk te paaien met brood en spelen, de stadsontwikkelaars van tegenwoordig houden de 21ste-eeuwse zwakke weggebruiker zoet met oversteekknoppen en geruststellingssignalen. Ze weten maar al te goed dat de mens een onrustig beestje is dat graag de touwtjes in handen heeft. Om van punt A naar punt B te geraken neemt hij naast benzineslurpende voertuigen ook weleens de fiets of de alom bekende benenwagen. Om het heen en weer gewriemel van rijdende, fietsende en wandelende mensen ietwat in goede banen te leiden, bedachten enkele gewiekste ingenieurs stoplichten. Rood betekent stoppen, groen betekent doorgaan. Oranje is dan weer voor sommigen lichtrood, voor anderen donkergroen.

Wanneer een kleur echter bewegingsvrijheid bepaalt, krijgt de mens nogal eens de neiging te gaan rebelleren tegen zo veel controleverlies. Nerveus tikkend met de voet, armen gekruist en diep zuchtend staart hij naar het stoplicht. Terwijl de stroom van auto’s aan hem voorbij raast, krijgt hij in zijn ooghoek een knop in de gaten. Met één simpele druk kan hij koning auto doen stoppen. Gretig graait de wijsvinger richting de stopknop die de zwakke weggebruiker de controle geeft over het verkeer. Tevreden kruist hij opnieuw de armen en springt het licht even later op groen. Triomfantelijk flaneert of fietst de mens dwars voorbij de ronkende auto’s die als briesende stieren achter poortjes staan te wachten tot hun licht weer op groen springt.

Maar wordt het ook effectief sneller groen door op zo’n knop te drukken? Het is een van ’s werelds grootste mysteries. Het antwoord: soms zorgen zulke knoppen ervoor dat het licht op rood springt, maar meestal niet. Het is vooral de controle-illusie die ervoor zorgt dat fietsers of voetgangers niet het heft in eigen handen gaan nemen en roekeloos de baan beginnen oversteken. Ook het lichtje dat gaat branden wanneer je ‘oproep is opgenomen’ of het aftelklokje dat je meer en meer in steden ziet opduiken, behoren allemaal tot de middelen om totale anarchie aan oversteekplaatsen te vermijden. Ach, Vadertje Staat doet ook maar zijn best om het hier allemaal in goede banen te leiden. En zeg nu zelf, het voelt toch telkens even machtig wanneer het licht op groen springt een tel nadat je op dat knopje hebt gedrukt, niet? Homines quod volunt credunt, zou Julius Caesar zeggen.



het laatste woord

15/09/2019
fingerspitzengefühl (© Amber Peeters | dwars)
🖋: 

Je zal het maar voorhebben: het ligt op het puntje van je tong en toch kan je er niet opkomen. Dat ene woord ontglipt je keer op keer. Of een woord dat je altijd uit een andere taal gebruikt, zonder überhaupt te bedenken of het ook in onze taal bestaat. Ook dit jaar schiet dwars alle schlemielen in zulke navrante situaties weer te hulp. Maandelijks laten we ons licht schijnen op een vreemd woord, eentje waar de grappigste verhalen achter schuilgaan, een onvertaalbaar woord met een lading van betekenis of uitdrukking waarvan de herkomst al tijden niet meer duidelijk is. Deze editie het begrip ‘fingerspitzengefühl’.

De wroeging in het gezicht waarmee wij, Belgen, sommige Duitse woorden zeggen – met het woord Schmetterling begrijp je onmiddellijk wat ik bedoel – staat lijnrecht tegenover het dagelijkse gebruik van het woord fingerspitzengefühl. De schijnbare finesse die je wil aantonen door het woord te gebruiken, hoor je bij de uitspraak duidelijk terug. Het woord werd ooit verkozen tot het mooiste Duitse woord in onze taal. Het won met een duidelijke voorsprong op 'überhaupt'.

Het woord wijst altijd op een bepaalde behendigheid, een onmiskenbaar fijne manier van handelen. Of het nu een voetballer is die een bal precies in de rechterbovenhoek van het doel trapt, of een hulpverlener die een angstig kind op zijn gemak kan stellen; het is de tact, de precisie en de verfijndheid die in de derde dimensie van dit woord schuilgaat.

Fingerspitzengefühl is dan ook een staat van intuïtie waarmee iemand erin slaagt om een delicate situatie juist in te schatten en daar ook naar handelt. Die bewuste staat is, zonder het Duitse woord te noemen, beschreven door de Japanner en Boeddhist Daisetsu Teitaro Suzuki in een boek over zwaardkunst. Gekaderd binnen Japanse zentheorieën en het boeddhisme gaat het om een werkelijk meester te worden van een kunst. De technische kennis alleen is niet voldoende, men moet de techniek overstijgen zodat de kunst een 'kunst zonder kunst' wordt die uit het onderbewuste groeit.

Het Duitse leenwoord verliest heel wat van zijn praal indien we het zouden vertalen. Ons vingertoppengevoel of het Engelse finger tips feeling kan niet in de kleinste nabijheid het uitspraakplezier van het origineel evenaren. Dat Belgen en Nederlanders het woord zo graag gebruiken, is te verklaren door de aanwezigheid van veel medeklinkers die tegen de tanden of tegen de lippen moeten worden uitgesproken. Dat blijken de favorieten van moedertaalsprekers van het Nederlands. Probeer het vooral zelfs eens over je lippen te laten vloeien, moest dat tijdens het lezen nog niet zijn gebeurd.