De klassieke point-and-click adventures vormen een genre dat zijn hoogtepunt ongeveer dertig jaar geleden beleefde. In die dagen behoorden ze zowat tot de top van wat spelmakers uit thuiscomputers konden puren. De rekenmonsters van vandaag kennen die beperkingen uiteraard niet meer. Daarom zetten de meeste gameontwikkelaars tegenwoordig vanzelfsprekend in op snelle actie en eindeloze variatie om verwende spelers geen moment rust – of nog erger, verveling – te geven. Tegenover al dat zot geweld lijkt het avonturengenre wat achterop te sukkelen met een vreemde combinatie van trage gameplay en puzzelwerk.
Met Stasis probeerde de Zuid-Afrikaanse spelontwikkelaar The Brotherhood Games het genre nieuw leven in te blazen door twee dingen toe te voegen die elkaar volstrekt tegenspreken: een uitermate duistere horrorsetting en een veilig, afstandelijk en isometrisch perspectief. Vreemd genoeg werkt dat wonderbaarlijk goed. Enerzijds heeft het avonturengenre nieuwsgierigheid als brandstof en is het van nature gericht op het ontdekken van steeds nieuwe zaken. Anderzijds geeft het afstandelijke isometrische perspectief onbewust de geruststellende boodschap mee dat er geen goedkope schrikeffecten zullen komen of actiescènes die snelle reflexen vragen. Dat laatste vermindert een bepaalde vorm van spanning bij het spelen, maar ontneemt paradoxaal genoeg ook de motivatie bij spelers om weg te kijken. Zo komt de nadruk volledig te liggen op onderzoeken en ontdekken in een uitermate duistere wereld. Daarbij kan de gruwel in Stasis meer gestaag opgebouwd worden en kan ze ook verdergaan waar andere games ophouden. Bovendien wordt ook het moment uitgesteld waarop spelers doorgaans voor zichzelf beslissen om mentaal afstand te nemen van het verhaal of zelfs te stoppen met spelen. Het resultaat is dat spelers de games van Stasis ervaren als een intense Voyage au bout de la nuit of Heart of Darkness, een reis waarbij steeds verder wordt afgedaald in duisternis, kwaad en godverlatenheid. Spec Ops: The Line staat sinds 2012 bekend als het thematische broertje van die games, maar voelt in vergelijking daarmee aan als een zondagswandeling in het park. De gruwel is gelijkaardig, maar de beleving verschilt sterk. Een soldaat met een machtig schietgeweer in een first-person shooter geeft toch een ander gevoel dan een zachtmoedige, mechanische teddybeer. Die laatste waggelt rond tussen schaduwen van monsters, met een bonnetje van de wasserette in de hand en twee gouden tanden die hij zopas uit de schedel van een halfvergaan lijk heeft gebroken.
In Stasis (en het gratis spel Cayne dat een jaar later verscheen) krijgt het kwaad nog een menselijk gezicht. In het derde deel daarentegen – Stasis: Bone Totem – blijken er monsters onder de oppervlakte te zitten die ouder en groter zijn dan de menselijke verbeelding. Lovecraft laat groeten. Maar de echte bron van alle kwaad in de wereld van Stasis is, net als in de echte wereld, het groot kapitaal. Zowat al het geld en de bijhorende macht in het zonnestelsel zijn in handen van een zekere meneer Cayne, niet toevallig een naamgenoot van de eerste mens in de geschiedenis die zijn broer de kop inbeukt. Als een Romeinse keizer bekleedt Cayne een quasi goddelijke macht in combinatie met een even ogenschijnlijk technologische onsterfelijkheid. Tegenover die geweldenaar staat een klein meisje dat luistert naar de naam ‘Hope’. Zij is al gestorven, maar de herinnering aan haar draagt haar ouders door de absolute duisternis. Het is een letterlijke verwijzing naar La petite fille Espérance (1911) van Charles Péguy waarin de hoop als een kind tussen geloof en liefde loopt. Zij lijkt door hen geleid te worden, maar in werkelijkheid is het de hoop die hen eigenlijk overeind houdt. Charles Péguy sterft overigens in de eerste dagen van dezelfde Eerste Wereldoorlog die Céline inspireerde tot zijn reis door de donkere nacht.
In het fictieve universum van Stasis krijgt Cayne quasi messiaanse kwaliteiten wanneer hij erin slaagt om zichzelf te reïncarneren in een nieuw lichaam. Het is een verlangen waar de multimiljardairs van deze wereld zich ook wel eens aan durven bezondigen en waar de huidige paus Leo XIV tijdens zijn catechese op 10 december 2025 terecht de wat retorische vraag doet stellen: “Kan de dood echt door wetenschap overwonnen worden en ons ook waarborgen geven dat een leven zonder dood ook een gelukkig leven is?” Samen met die paus zit werkelijk niemand te wachten op een ondode Elon Musk of godbetert een Trump die van knaloranje naar doodsbleek gaat.
In ieder geval is de hypothese in Stasis terecht dat het verlangen van machtige mensen om na hun dood blijvend hun stempel te drukken op de gehele mensheid uitermate dystopisch is. Helaas slaat het spel wel volledig de bal mis met de fictieve voorspelling dat de Katholieke Kerk in het jaar 2150 zichzelf verkoopt aan de Cayne Corporation om haar financiële schulden af te betalen. Vooreerst omdat het jaartal 2150 – net als elk jaartal – een verwijzing inhoudt naar het leven van Christus waarover paus Leo in dezelfde tekst stelt: “De verrijzenis van Christus openbaart ons dat de dood niet ingaat tegen het leven, maar er een deel van is, als overgang naar het eeuwige leven. Het Pasen van Jezus doet ons vooraf proeven, in deze tijd nog vol lijden en beproevingen, van de volheid van wat na de dood zal gebeuren.”
Ook relevant, maar oneindig veel minder belangrijk dan Christus zelf, is het feit dat het fundament van de Katholieke Kerk niet verbonden is met bezit of kapitaal, schulden, bankiers, wereldse macht of goederen. Hoewel falen binnen de Kerk consequent voorkomt, is het geen systemisch falen. Dat komt doordat God zelf in de geschiedenis is getreden en de apostelen en martelaren getuigenis hebben afgelegd van diens leven, lijden, sterven en opstanding. Sterker nog: het bloed van martelaren – beginnende met de apostelen en als een onophoudelijke stroom vloeiend door de tijd – is de eigenlijke goudstandaard van de Kerk. Dan Simmons zag dat bijvoorbeeld helder in wanneer hij in zijn Hyperion-cyclus (1989) een priester als personage opvoerde die het onmogelijk werd gemaakt om te sterven. Dat is tot op vandaag een van de meest tragische personages die er bestaat in de wereldliteratuur.
De fout die de makers van Stasis maken, is dat ze vergeten dat de Kerk geen schulden heeft en geen schulden kan hebben, omdat door Christus al de schulden van de mensheid reeds werden afgelost. Dat is de schat die de schamele armoede van een tech mogul, die zijn doodsangst technologisch sublimeert, in al haar naaktheid toont. Dat is ook de schat die een ongenadig licht werpt op de genante hoogmoed van een oranje president met een messiascomplex. Geen gelovige zou het ooit in het hoofd halen om aan dat soort geestelijke schooiers offers te brengen, al bezitten ze alle technologie, macht of aanzien van de wereld. Zonder Christus is dat allemaal waardeloos. Met Christus kunnen wij zonder angst weerstand bieden, sterven en opstaan.
Wanhoop is de naam van de groteske omkering van het evangelie die Stasis ons voorspiegelt: een wereld van Lovecraftiaanse godverlatenheid waarin zelfs de Kerk haar ziel verkoopt (hoe onrealistisch dat ook moge zijn). Het is een brutaal goed spel, maar uiteindelijk deinst het terug voor de afgrond. Het aarzelt om het verhaal tot het einde toe te vertellen: van de definitieve dood van het kleine meisje Hope, de instorting van geloof en een wereld zonder liefde waarin dat alles zich voltrekt. Er is met andere woorden altijd hoop en de man met de lantaarn die de dood van God komt verkondigen, zal altijd een dwaas blijken, ook al zijn diens volgelingen nu aan de macht.
- Login om te reageren