Eigen gelijk eerst
18/03/2007
🖋: 
Auteur extern
Thomas Vanhees en Kristof De Pooter

In een niet zo ver verleden werd uw huisblad geleid door de onverbrekelijke tandem Kristof De Pooter (hoofdredacteur) en Thomas Vanhees (redactiesecretaris). Ondertussen hebben deze twee heren het universitaire leven ingeruild voor de arbeidsmarkt, waar hun wegen zich scheidden. Kristof dook het harde zakenleven in, terwijl Thomas stage ging lopen bij een ngo gespecialiseerd in duurzame ontwikkeling. Vandaag brengt dwars ze opnieuw bij elkaar om te zwammen over de houdbaarheid van onze huidige vorm van economische en industriële ontwikkeling.

Ja

De economische ambiance wordt tot op heden uitsluitend gemeten aan de hand van het bruto binnenlands product. Niet geheel onterecht kan men zich afvragen of deze parameter wel de enige zaligmakende is. Waarom zou deze niet kunnen worden getoetst aan de vruchtbaarheid van de mannelijke populatie? Toegegeven: deze houdt evenmin rekening met de ongelijke verdeling. Tot zover de gedachte in de marge over de schaarse spermatozoïden die nog wel kunnen zwemmen. Ook de grote nieuwswaarde van de gestelde vraag is reeds enige tijd passé. De Club van Rome maakte in 1972 de kanttekening dat er eventueel grenzen aan de groei zouden kunnen zijn (het nieuwe leesteken dat ironie aangeeft is hier gepast). De hardhorigheid heeft ertoe geleid dat de dag waarop de economie in 2006 op wereldschaal over de ecologische schreef ging 9 oktober was, volgens de Ecological Debt Day-kalender. Eén vierde van het jaar gaan we in het rood, waarvan niets is terug te vinden in de boekhouding van de economische groei.

De economische wetenschap wordt beoefend vanuit het idee dat de mens die in het stuk figureert een rationele actor is, die perfect geïnformeerd is over wat er zich op de markt afspeelt. Afgezien van het feit of we al dan niet volledig geïnformeerd willen zijn, kunnen we het nu überhaupt niet zijn; en wel omdat niet alle informatie vertaald is in de prijs. Dit cruciale mankement heeft tot gevolg dat onze rationele consument op de gemondialiseerde markt niet die keuzes maakt die hij zou maken om zijn welzijn te optimaliseren (zowat het centrale idee van de humane wetenschap genaamd economie). Op groot scherm geprojecteerd zien we dan dat de wereldhandel – motor van de economische groei – zoals die vandaag georganiseerd is niet het gewenste effect heeft. Laat staan dat deze dan oneindig zou kunnen doorgaan zonder pijnlijke tegenreacties van mens en natuur. Voor de westerse contreien zal er vooral op gelet moeten worden dat de ietwat artificiële economische groei – die duurzame allures begint te krijgen – niet noodgedwongen eindigt in een decroissance soutenable. Als we geluk hebben moeten we zelfs niet kiezen en zoekt de markt voor ons wel naar een nieuw evenwicht.

 

Thomas Vanhees

 

Nee

Een ondertoon die de laatste jaren steeds actueler geworden is in politieke debatten en economische discours, is de angst voor de mondialisering. Zij is gevaarlijk, want niet beheersbaar en gedreven door het kapitalisme – bron van welvaart voor de enen maar niet voor allen. De marktwerking als maatschappijverstorend.

Het is interessant om vast te stellen hoe deze angst voor de mondialisering in eerste instantie een westers fenomeen is; ongetwijfeld vanuit een altruïstische reflex om te doen wat beter is voor zij die het minder goed hebben op onze wereld. Of misschien toch ook omdat een geglobaliseerde economie een globalisering van de levensstandaard impliceert? Omdat men niet wil dat wat aan de ene kant van de planeet gebeurt implicaties heeft aan de andere kant?

Deze angst is begrijpelijk maar gaat voorbij aan een aantal ondubbelzinnig positieve gevolgen van de geglobaliseerde markt die zo belangrijk zijn dat het quasi immoreel zou zijn er grenzen aan te stellen. Voor het overgrote merendeel van de wereldbevolking steeg de levensstandaard in de voorbije decennia sneller dan ooit tevoren. Precies dankzij de globale markt genieten honderden miljoenen mensen in bijvoorbeeld China en India vandaag van gezondheidszorg en voedselvoorziening op westers niveau.

Bovendien is de angst voor de mondialisering op een aantal vlakken onterecht omdat zij de opportuniteiten niet ziet, hoewel die zich steeds duidelijker manifesteren. Een stad als Brussel is vandaag meer dan ooit een kenniscentrum en thuisbasis voor regionale en globale hoofdzetels van bedrijven en politieke instellingen waarin vele jonge burgers zich kunnen engageren in interessante functies die enkele decennia terug ondenkbaar waren.

Het marktdefaitisme dat vanuit een angstreflex grenzen wil stellen aan de economische groei is conservatief. Natuurlijk moet er continu gewerkt worden aan kaders die rekening houden met sociale en omgevingsgerelateerde factoren, maar ook daarin moeten we streven naar méér, niet minder mondialisering.

 

Kristof De Pooter



editoriaal
18/03/2007
🖋: 
Auteur

Mocht het u ontgaan zijn: dwars heeft problemen ondervonden bij de verdeling van het vorige nummer. Blijkbaar waren enkele mensen niet opgezet met de publicatie van één van onze artikels. Niet alleen werden we getrakteerd op een stapel met azijn overgoten dwarsen voor de deur van ons redactielokaal, onze verdeelbakken werden bovendien op al de campussen systematisch leeggehaald zodat niemand ons blad nog kon lezen.

Al snel bleek dat de extreemrechtse Nationalistische Studentenvereniging (NSV) hiervoor verantwoordelijk was. Naar aanleiding van hun dertigjarig bestaan publiceerden wij namelijk een artikel waarin een overzicht gegeven werd van de niet zo frisse praktijken die de studentenclub op haar conto heeft.

 

Dat ze hier niet gelukkig mee zouden zijn, was te verwachten. Een dergelijke reactie is echter onaanvaardbaar. Voor een vereniging die het recht op vrije meningsuiting in hun beginselverklaring opgenomen heeft, is dit des te vreemder. Blijkbaar hebben ze niet genoeg vertrouwen in het oordeelsvermogen van onze lezers.

 

Opvallend is dat elke inhoudelijke reactie van de kant van het NSV uitblijft. Ondanks het feit dat we hen diets gemaakt hebben dat we open staan voor discussie en graag hun visie op het gewraakte artikel publiceren, blijft het wat dat betreft bijzonder stil. Ik wil er dan ook op wijzen dat niemand ook maar één enkele poging heeft ondernomen om de door ons weergegeven feiten te weerleggen.

 

Wel hebben we vanuit verschillende hoeken kritiek gekregen op de strekking van het artikel, de titel en de opmaak (lees hierover meer in de lezersbrief van de overkoepelende studentenvereniging op pagina 7). Ik wil best toegeven dat we wat betreft de opmaak weinig aan de verbeelding hebben overgelaten maar het gebruikte icoontje is een NSV-embleem en ook het gotische lettertype is hen niet vreemd. De opinie van de redacteur schemert inderdaad door, maar deze keuze valt zeker te legitimeren (zie opnieuw p. 7). De redacteur in kwestie heeft zich terdege geïnformeerd en het gaat wel degelijk om een historisch correct artikel. Bovendien valt hem moeilijk te verwijten dat hij niet achter de extremistische idealen van het NSV staat: strafbare feiten behoren niet tot de acties van democratische verenigingen.

 

Het NSV is de laatste tijd erg aanwezig op en rond de Stadscampus en het leek ons bijgevolg opportuun iets over hen te schrijven. Dat ze na afloop van een betoging op 8 maart hun hand er niet voor omdraaiden het studentencafé Markies de Sade kort en klein te slaan, bewijst alleen maar dat ze het geweld niet schuwen. Is het dan niet de taak van een studentenblad om over hen te berichten?



Kunst op de campus
18/03/2007
🖋: 

Een universiteit heeft een zware taak: ze moet niet alleen elk jaar vakkundigen leveren, maar hen ook een visie meegeven. Kortom, op de universiteit leren we goede burgers te worden. Een goede burger is uiteraard aan een minimum cultureel onderlegd, en zodoende ontfermt de commissie ‘Kunst op de Campus’ zich over de Antwerpse studenten (en personeel) en hun interesse in kunst met de grote K.

De commissie ‘Kunst op de Campus’ wil naar eigen zeggen "voor de universitaire gemeenschap een venster op de kunst openen." Met dat doel organiseert ze tijdelijke tentoonstellingen en, onder de titel 'Café des Arts', lezingenreeksen voor studenten en personeel. Daarnaast is ze verantwoordelijk voor de aankoop en het beheer van de kunstwerken op de verschillende campussen. De collectie telt meer dan duizend werken van kunstenaars uit binnen- en buitenland, hoewel de nadruk toch gelegd wordt op ons nationaal erfgoed met kunstenaars als Nick Andrews, Fred Bervoets, Jean Bilquin, Jan Cox, Denmark, Sam Dillemans, Vic Gentils, Pol Mara, Panamarenko en Reinhoud. Een aantal van deze werken heeft de UA in bruikleen, een belangrijk deel van de collectie is echter aangekocht. Sommige werken werden zelfs speciaal voor de universiteit gemaakt, zoals ‘Zoek de zeven’ (G-gebouw, Campus Middelheim). Dit monumentale werk is een compositie van zeven boeken, die telkens een afbeelding van Pierre Alechinsky en een gedicht van Hugo Claus bevatten. Verder telt de collectie verschillende werken van Jan Vanriet die recent werden samengebracht in de R-blok op de Stadscampus. Mocht u zich al afgevraagd hebben wat dat gekke houten 'altaarachtige ding' aan lokaal R-014 wel moet voorstellen, dan wordt u nu uit uw lijden verlost: het is wel degelijk een kunstwerk, en wel van Remo Martini. Het nog ingepakte exemplaar is een gelijkaardig kunstwerk van Camiel Van Breedam. Beide assemblagekunstwerken wachten op een definitieve bestemming.

 

Een van de meest recente aanwinsten is een kunstwerk dat speciaal voor de inkomhal van de Meerminne (Stadscampus) werd ontworpen door Cittadellarte, een collectief onder artistieke leiding van Michelangelo Pistoletto. Cittadellarte, een neologisme gevormd uit de woorden cittadella en città dell’ arte, wil als een burcht bescherming bieden en een afgebakend platform creëren voor jonge kunstenaars die de dynamiek van de stad essentieel achten als startblok voor de kosmopolis. Voor Cittadellarte zijn kunst en kunstenaars in de eerste plaats een onderdeel van de maatschappelijke realiteit. Kunst moet volgens Pistoletto telkens weer de dialoog aangaan met de wereld en is dus in de eerste plaats een middel om te communiceren. Kunstwerken ontsluiten een ruimte waarin verschillende werelden elkaar ontmoeten en zo kan elk kunstwerk gezien worden als een uitnodiging – een uitnodiging om even te blijven staan en te verwijlen.

 

Het werk dat u kunt bekijken als u even horizontaal gaat liggen in de hal van de Meerminne heet ’Love Difference – 6 Mediterraneans’ en verbeeldt zes ‘mediterrane’ zeeën uit de wereld: de Baltische Zee, de Zwarte Zee, de Caribische Zee, de Golf van Mexico, de Zuid-Chinese Zee, de Rode Zee en de enige echte Middellandse Zee. Het idee dat er achter schuilt, is dat rondom deze zeeën verschillende tradities en plaatselijke culturen zijn ontstaan die heden ten dage een belangrijke plek innemen in onze ‘wereldcultuur’. De verschillen in opvoeding, cultuur, politiek en dergelijke maken het niet altijd gemakkelijk om vreedzaam samen te leven en leiden niet zelden tot extreme conflicten op het wereldtoneel. Pistoletto wil met zijn ‘Love Difference’ oproepen om van deze verschillen te leren houden. Onverdraagzaamheid wordt vervangen door liefde. Of: hoe kunst overduidelijk een politieke boodschap kan uitdragen.

 

In het verlengde van het plafondkunstwerk voor de Meerminne wordt door Kunst op de Campus en UA-Catering, opnieuw in samenwerking met Pistoletto, een nieuw project op poten gezet. We mogen het hier in primeur onthullen: de publicatie van een kookboek. Jawel, een kookboek dat pretendeert kunst te zijn. Uiteraard geen gewoon kookboek, maar een met een mening: de bedoeling is opnieuw om verschillende (eet)culturen samen te brengen in een harmonieus geheel. Het kookboek is in de eerste plaats een oproep aan studenten en personeel om deze te betrekken bij het thema van culturele diversiteit. Iedereen kan een ‘mediterraans’ recept inzenden met als voorwaarden dat het een eenvoudig recept is, bij voorkeur een eenpansgerecht, dat het gezond is én dat de ingrediënten op de lokale markten en in de supermarkten uit de omgeving te krijgen zijn. Het volgende academiejaar zal dit kookboek worden aangeboden aan de (eerstejaars)studenten, zodat ze zich reeds aan het begin van hun universitaire carrière als bewuste wereldburgers kunnen inzetten voor een lekker kotleven.



18/03/2007
🖋: 
Auteur

Volgepakte Lijn-bussen denderen over de Turnhoutsebaan richting stadsrand. Ze rijden weg van ‘t Scheld, weg van de veelvuldige werkzaamheden, richting rustigere oorden. Vlak voor een knik in deze aloude heirbaan ligt ‘De Roma’, een adembenemende zaal waar film, theater en muziek zich een weg naar de buitenwereld banen. Een zaal met een turbulente voorgeschiedenis bovendien: van ‘vous m’avez tous vu’ over ruige rocktempel tot verval. En wederopstanding: sinds winter 2002 slagen uit idealisme en volharding opgetrokken vrijwilligers immers in het onmogelijke. Van een schandvlek in het Borgerhoutse culturele leven evolueerde De Roma tot een ‘polyvalente zaal’ met een missie.

1928. Van auto’s die rijden op kunstmeststof of Windows Vista is nog geen sprake, maar de opening van ‘Kinema Roma’ is wel reeds een feit. Als onderdeel van het gigantische imperium van filmmagnaat Georges Heylen vormt De Roma met zijn tweeduizend zitjes de grootste kinemazaal in de buitenwijken van het Hollywood aan de Schelde. De Roma, samen met zaal Rex de lievelingszaal van Baron Heylen, is een pleisterplaats voor de beau monde: netjes uitgedost en strak in het pak neemt de Antwerpse bourgeoisie plaats op het zelfdragende balkon – een waar architecturaal hoogstandje. Het rumoerige plebs vecht aan hun voeten om een plaats op de begane grond, terwijl dromerige filmbeelden als een levend tapijt over hun hoofden heen op het witte doek geprojecteerd worden.

 

Iggy Pop

Omwille van de grootte van de cinemazaal en de harde wetten van het kapitalisme, dient De Roma vanaf de jaren ’40 steeds meer variétévoorstellingen te organiseren. De plaatselijke harmonie, muziekkapellen of zelfs Mireille Mathieu: allen zijn graag geziene gasten. Ook Sophia Loren, Roger Moore en Claudia Cardinale – Wat een naam! Wat een vrouw! – laten zich het sprookjesachtige decor welgevallen. Terwijl het bioscoopbezoek achteruitgaat, weet Baron Heylen de neerwaartse spiraal te camoufleren door zijn enorme imperium aan cinemazalen. Dat de omvang van De Roma een troef kan zijn, wordt in de jaren ’70 volop uitgespeeld. De Roma transformeert van cinemapaleis tot dé Antwerpse rocktempel bij uitstek. Sterren als Lou Reed en Iggy Pop stelen de show. Iron Maiden en Queen staan erbij en kijken ernaar. Paul McCartney kwijnt al sippend aan een dubbele whiskey weg in de foyer. Evengoed wordt de dag na zulke memorabele concerten een brave matinee met Gaston en Leo georganiseerd. Toch gaat het niet goed met De Roma: in 1982 ziet zij zich dan ook genoodzaakt de deuren te sluiten. Het Technisch Instituut Borgerhout weet de prachtige infrastructuur op de kop te tikken en start met een megalomaan project: in plaats van de zaal te renoveren en haar studenten op die manier de kneepjes van het vak bij te brengen, vangen er werken aan die van de zaal een atelier voor vliegtuigbouw moeten maken. Donkere wolken pakken zich echter samen boven het Technisch Instituut van Borgerhout – met (rock)goden valt nu eenmaal niet te sollen – en de school houdt even later op te bestaan.

 

Het Havana-Syndroom

De problemen voor De Roma zijn dan echter nog niet voorbij. De zaal staat leeg; lekken, vocht en ongedierte doen hun werk; wormpjes krioelen kwistig in het vermolmde hout. Ene Maurice Debusser koopt het pand op, vastbesloten om er een garage van te maken, want ‘la voiture, c’est le futur, c’est maintenant!’. Hij trekt zich echter niet al te veel van de zaal aan. Wanneer eind jaren negentig enkele theatergezelschappen starten met het organiseren van voorstellingen in de kille ruïne, wordt de wederopstanding van cinema Roma – onbewust – op gang getrokken. Een van de aandachtige toeschouwers is Paul Schyvens, oprichter van Rataplan. Zoals de legende verhaalt, nagelt hij op het einde van een voorstelling, net als Maarten Luther eeuwen voor hem, een groot blad op het krakkemikkige podium met daarop de vraag wie De Roma mee uit haar as wil doen herrijzen. De reactie uit de buurt is enorm. Vanaf winter 2002 beginnen een vijftigtal vrijwilligers en een aantal firma’s volledig belangeloos puin te ruimen. Zo’n driehonderd ton puin wordt uit de toegetakelde Roma naar buiten gedragen. Hoewel de zaal nog niet volledig klaar is, worden er reeds enkele maanden later een aantal voorstellingen gegeven. Vrijwilliger nummer een, De Vic – zo genoemd omdat hij zich als eerste kwam inschrijven; tevens vroeger kwajongen met cinema Roma als speelterrein – spreekt over het zogenaamde Havana-syndroom: “De Roma kunt ge eigenlijk vergelijken met Havana, werkelijk een prachtige stad. Maar ook daar ziet ge dat ze geleden heeft. Bij De Roma is dat niet anders. Ik beschouw het juist als de charme van De Roma dat ge kunt zien dat ze oud is, dat ze een moeilijke geschiedenis heeft gehad. En wanneer er dan iemand vraagt zo van “Seg, wanneer gaat dat hier is terug schoon bezet en geschilderd worden?”, dan vertel ik over het Havana-syndroom.”

 

Borgerhout, mon amour

Ondertussen liepen de contacten tussen vzw De Roma en eigenaar Maurice Debusser niet van een leien dakje. Beide partijen vonden elkaar uiteindelijk in een constructie genaamd ‘erfpacht’: vzw De Roma mag gedurende 27 jaar naar hartelust werken uitvoeren in de zaal, zonder enige kans dat Maurice hen uit het gebouw zet. In die 27 jaar huurt de vzw de infrastructuur jaarlijks voor een vaste prijs. Wat er gebeurt na deze erfpachttermijn, daar hebben u, ik en de vaste medewerkers van De Roma het gissen naar. De laatste fasen van de renovatiewerken zijn ondertussen al bijna een jaar achter de rug. Met een vrijwilligersbestand van om en bij de driehonderd leden, de hulp van een aantal technische scholen uit de buurt en sociale tewerkstellingsprojecten vanuit de Stad, is De Roma erin geslaagd om van een stortplaats terug uit te groeien tot brenger van cultuur voor een breed, gediversifieerd publiek. Wat de zaal anders maakt dan pakweg de Arenbergschouwburg of de AB, is dat zij de buurt nadrukkelijk betrekt bij haar programmatie en op die manier cultuur tracht te hanteren als een hefboom voor buurtontwikkeling. Zo werkt De Roma samen met een aantal bevoorrechte partners als jeugdwelzijnswerk, jeugdbewegingen, dienstencentra en rusthuizen, waarvoor speciale avonden dan wel namiddagen georganiseerd worden. Ook tracht de zaal de moslimgemeenschap in haar werking te betrekken door met de vzw MOUSSEM bepaalde concerten aan te bieden of eens een Iraanse avond in elkaar te boksen. Door organisaties met een bepaalde achterban uit de buurt te betrekken bij de programmatie van haar activiteiten, weet De Roma mensen te mobiliseren, en laat zij verschillende culturen onder één dak en in een magnifiek kader met elkaar in contact komen. Geen makkelijke opdracht, maar De Roma slaagt er wonderwel in. Ze krijgt nu stilaan ook financiële erkenning van de Vlaamse Gemeenschap en de stad Antwerpen, wat na de financiële kater van de renovatiewerken geen overbodige luxe is. Onderhandelingen met de Vlaamse overheden over de financiële situatie van de zaal – en bijgevolg haar toekomst – zijn volop bezig. Door de unieke positie die De Roma in het culturele landschap inneemt, glipt ze momenteel immers tussen de mazen van het subsidienet door. Artiesten laten evenwel graag hun genegenheid voor De Roma blijken door enkele benefietconcerten te geven.

 

Maar hoe komt het dan dat De Roma toch tegen relatief lage prijzen lekkere brokjes cultuur aan een breed publiek kan aanbieden? “Dat is het werk van onze vrijwilligers,” stelt Rob Gielen, verantwoordelijke pers en communicatie. “Hoewel we slechts een klein budget hebben, kan men in het geval van De Roma spreken van een enorm kapitaal aan vrijwilligers. Zij leiden het verloop van de voorstellingen in goede banen door de zaal klaar te zetten, pintjes te tappen en aan de inkom te staan. Of eten te serveren aan de artiesten, die dan blij zijn dat ze geen voorverpakte lasagna hoeven te eten. Dat typeert De Roma. Wij zijn geen voorverpakte lasagna, maar toch weten wij een publiek te bereiken dat anders misschien niet met cultuur in aanraking zou komen. En de wijze waarop we daar toch in slagen, daar ben ik het meest trots op.”



Met dank aan...
18/03/2007
🖋: 

Niet enkel het Antwerpse straatbeeld, maar ook onze universiteit lijkt soms een permanente bouwwerf. Er is altijd wel ergens een constructie of renovatie aan de gang. Als hoofd van de technische dienst heeft Mark Verbruggen de taak om de verschillende bouwprojecten op te volgen en de technische diensten op elkaar af te stemmen, gaande van infrastructuur over onthaal tot schoonmaak. Deze burgerlijk ingenieur-architect startte zijn loopbaan in 1985 aan onze universiteit. Sindsdien lijkt de universiteit niet meer op te zijn opgehouden met verbouwen. Momenteel worden de laatste puzzelstukjes gelegd voor de start van de Masteropleidingen in september. Deze zomer moet alles klaar zijn. Wat hem het meest is bijgebleven uit al de jaren dat hij hier reeds werkt, is de bouw van de Aula Rector Dhanis: het pronkstuk van de Stadscampus.

In totaal werken er tachtig personeelsleden op de technische dienst. De telefoon staat er dan ook geen minuut stil. Van de zoveelste overheadprojector die het niet meer doet tot het brandalarm: alle meldingen passeren de revue. Met professoren en studenten komt hij echter zelden in contact: "Soms bij een verhuis, maar eens die professoren op hun plaats zitten, hoor je ze niet meer!"



17/03/2007
🖋: 
Auteur

April is steevast de wisselvalligste maand van het jaar: het ene moment zit u te bronzeren met een trappist binnen handbereik, het volgende komt u verzopen aan op uw kot. Charmant, denkt u dan en gelijk heeft u. De stenen kunnen uit de grond vriezen terwijl de openluchtzwembaden al met water gevuld worden. Moet u nog wat aan uw bi-, tri- en quadricepsen werken vooraleer uw lijf de gewenste strakheid bereikt om door het water te glijden, dan stelt dwars alvast de perfecte doping voor:

***Op 21 april brengt een schare jonge muzikanten in de Arenbergschouwburg met Goddam hulde aan soullegende Nina Simone. ***Een ander muzikaal hoogtepunt van april is het Dissonant Festival, dat op de 13de en 14de plaatsvindt. TRIX, Petrol, de Skatehal en Hof Ter Lo bundelen hun krachten om onder andere Front 242, Terence Fixmer, DJ Hell, Peter Pan Speedrock en T. Raumschmiere op u los te laten tegen een aantrekkelijk prijsje. ***Wie het nog ruisender en krakender wil, wordt op 31 maart in Club Nord verwacht voor een Undercurrent-avond met herrieschoppers als Evil Fons en Duivvv. ***Voorts mogen op 5 april The Go Find en Bracken in TRIX opdraven en op 24 april is het daar de beurt aan Wolf Eyes en Coca Cola met God. ***Petrol haalt dan weer de rijzende sterren van Fixkes en The Tellers in huis op 30 april. ***In de Roma speelt op 19 april ’s lands kleinste zanger-pianist Sioen.

 

***Minder noisy maar zeker zo interessant: op 28 maart spelen Anja Van Dyck en Jef Smits Stravinsky’s Le Sacre du Printemps in CC Elzenveld. ***Op 20 april kan de klassiekliefhebber dan weer in het Kolveniershof naar kamermuziek van Rachmaninov en Smetana gaan luisteren. ***Muziekfanaten zonder cash kunnen op 28 en 29 april naar Festivalbleu, dat het kruim van de klassiek- en jazzscene samenbrengt in het Sint-Felixpakhuis. ***Er zijn natuurlijk ook haast elke dag gratis optredens in The Bottom Line, Buster, Crossroads en dies meer. ***Elke donderdag kan je voorts terecht in Kilimanjaro, om je booty te shaken op groovy livejazz.

 

***Theatervrienden kunnen heel de maand hun hart ophalen in het Toneelhuis, waar het nieuwe Een geschiedenis van de wereld in 10 ½ hoofdstuk draait. ***Datzelfde Toneelhuis haalt van 23 tot 26 NTGent in huis voor drie gastvoorstellingen. ***In HETPALEIS brengt De Tijd eind maart Elk wat wils. Iets van Shakespeare, terwijl de Queeste op 18 april Het Varken naar CCBE brengt. ***Wilrijkenaars kunnen in de Kern Perdido van tg Elektra bekijken op 28 en 29 april. ***Voor het betere Indiase theater: ren op 22 april naar het Zuiderpershuis, waar Rage Pune Highway speelt. Het Zuiderpershuis staat trouwens heel de maand in het teken van Palestina.

 

***Van 14 tot 22 april stelt het Ballet Van Vlaanderen drie balletten voor van de jonge choreografen Fonte, Dawson en Godani. ***In het CCBE kunnen studenten met een hart voor dans op 20 april genieten van Arco Renz' States.

 

***Meer visueel plezier vind je in de bovenzalen van het MuHKA, dat tot 15 april werk tentoonstelt van de jonge Belgische kunstenaressen Sophie Nys en Marie Julia Bollansée. ***In de Maes & Matthys Gallery laten Pol Matthé en Leon Vranken ondertussen hun ruimtelijke kunst zien. ***Extracity nodigt op haar beurt Natascha Sadr Haghighian, Judith Hopf, Deborah Schamoni, Ines Schaber en Stefan Pente uit voor een interdisciplinaire tentoonstelling

 

***Last but not least is er de Cultuurnacht op 31 maart in het Provinciehuis. Vanaf 19 uur mag je er gratis binnen.



Literair
16/03/2007
🖋: 

Navel. Laat dit woord van je tong glijden alsof je het nooit eerder uitgesproken hebt. Glissando! Wat een mooi woord – het klinkt haast een beetje Tsjechisch. (Pupek in het Tsjechisch, nombril en ombilic in het Frans, belly button of ook navel in het Engels, Nabel in het Duits en navel in het Zweeds.) Klinkt ook een beetje als 'nevel'. De enige plaats aan de buitenkant van ons lichaam die zo nauw verbonden is met de ingewanden. Het lijkt wel een knopje waarop men kan duwen om toegang tot onze binnenkant te verkrijgen. Een navel is iets esoterisch. We staren er allemaal wel eens naar: dit gevoelige bobbeltje/putje is namelijk het centrum van onze wereld.

 

Er was ooit een brede meneer die meende dat de navel een overblijfsel was van hoe wij als mensen vroeger waren: heroïsche, sterke wezens die met hun bolvormigheid de perfectie naderden en met verenigde krachten – vier armen en vier benen (wat een suizende snelheid moet me dat geweest zijn) – elk gevaar moeiteloos konden trotseren. Zoals wel vaker voorkomt, sloeg die heroïek op een gegeven moment om in hoogmoed. En Hij zag dat het niet goed was. Hierop nam Hij z’n bliksem ter hand en kliefde ons in tweeën. Het bloed en flegma gutsten uit onze overgesneden aderen, waarop Hij het bevel gaf tot genezen. Onze huidjes werden mooi samengetrokken en als een geldbuidel werd ons velletje bijeen gebonden in een strop, ter hoogte van het midden. We waren genezen, maar de wonden heelden niet. Het verlangen naar onze wederhelft bleef als een helse zeurende fantoompijn achter, een pijn die in de aanblik van de Ander omsloeg in een sprankeltje hoop – hoop groot genoeg om de verliefdheid te voelen in je navel. Onze buik is het centrum waaruit elk verlangen ontspruit, als het spuiende gat van een walvis. Bij het zien van het lichaam van de ander scheurt je navel bijna open en dan denk je: ‘Hoe perfect zouden wij samen niet zijn? Wij tweeën, wij kunnen de wereld aan. Samen sterk! Als twee handen op één buik.’



UAlumni
16/03/2007
🖋: 
Auteur

“Hallo, ik ben Sabine Hagedoren en heb Scheikunde gestudeerd.” We schrijven 1997 en Sabine Hagedoren, op dat moment leerkracht, richt een sollicitatiebrief aan de VRT. Peggy De Meyer en Bob De Richter zetten een punt achter hun carrière als weerlui bij de openbare omroep en er komt een plaats vrij voor iemand met een wetenschappelijke opleiding. “Eigenlijk heb ik puur uit nieuwsgierigheid aan die selecties meegedaan,” zegt Sabine Hagedoren, “maar plots bleek ik zowaar geslaagd en mits wat extra studeren, mocht ik bij de VRT aan de slag, zonder ooit een camera van nabij te hebben gezien.” Van de UA naar de VRT – of: waar een opleiding Scheikunde aan onze universiteit je zoal brengen kan.

Ik neem aan dat u niet aan uw studies bent begonnen met een baan bij de VRT in het achterhoofd?

Sabine Hagedoren Het was zuivere interesse die me voor Scheikunde deed kiezen. In het middelbaar had ik met veel enthousiasme wetenschappen gestudeerd en ik wou in die richting verder gaan. In de richting Fysica leek het aandeel wiskunde me echter te groot. Biologie zou ook nog een optie zijn geweest, maar Scheikunde interesseerde me net iets meer. Ik hield er wel rekening mee dat licentiaten Scheikunde doorgaans in het onderwijs belandden. Als je in de privé-sector wou terechtkomen, moest je doctoreren. Men had ons dan ook van in het begin duidelijk gemaakt dat niemand zat te wachten op licentiaten: doctoreren was de boodschap.

 

Kreeg u zelf de mogelijkheid om te doctoreren?

Hagedoren Natuurlijk! Ik had daar zeker de gelegenheid toe, maar na vier jaar universiteit had ik er wel genoeg van en ben ik meteen in het onderwijs gestapt. Bij de aanvang van mijn studies besefte ik dat de kans groot was dat ik leerkracht zou worden en dat vond ik wel een aangenaam vooruitzicht. Nog eens vier jaar tussen universitaire muren zag ik niet zitten. Ik heb uiteindelijk zeven jaar voor de klas gestaan.

 

Studeerde u dan niet graag?

Hagedoren Jawel, zeker en vast, hoewel de kandidaturen en de licenties erg van elkaar verschilden. In de eerste twee jaar was je niet meer dan een nummer dat moest reproduceren wat de prof voorkauwde. We begonnen met zestig, maar dat aantal was naar het einde toe geslonken tot vijfentwintig. In een zodanig klein klasje werd je veel meer als volwaardig beschouwd en in plaats van papegaaienwerk te verrichten, mochten we in de licenties zelf onderzoek uitvoeren en meewerken aan projecten: oneindig veel interessanter.

 

Uw thesis kaderde ook in een dergelijk project?

Hagedoren Inderdaad. Mijn thesis maakte deel uit van een project dat op dat moment liep in milieuchemie, de richting waarin ik me specialiseerde, en handelde over euh… laser en microprobe massa-analyse van Amazone-aërosolen! (lacht uitbundig)

 

Hé?

Hagedoren Met een grote machine moet je dan de aërosolen (volgens Van Dale is aërosol het “totaal van in de atmosfeer zwevende vaste en vloeibare deeltjes", nvdr.) boven het Amazonewoud analyseren. Ik heb er toen echt van genoten om zelf die analyse te mogen uitvoeren en eigen opzoekingswerk te doen.

 

Bleef er tussen al dat onderzoek tijd over voor feestjes?

Hagedoren Absoluut! Als er iets te doen was in de Konijnenpijp of het Biokot waren wij altijd wel van de partij.

 

En de volgende morgen ook naar de les?

Hagedoren Ook dat ja! Ik moet zeggen dat mijn vrienden en ik redelijk ijverig waren: normaal gesproken zaten wij altijd in de les. Het was ook gewoon leuk om elkaar te zien op de campus. Na een tijdje vormden we een kliek en noemden we onszelf ‘de vrouwenclub’, hoewel er ook mannen bijzaten! (lacht) We gingen samen uit, maar konden ook bij elkaar terecht als we iets niet begrepen hadden in de les. Trouwens, om de twee maanden komen wij nog altijd met z’n allen samen om te koken en te kletsen. Eerst waren we nogal exclusief, maar nu mogen de wederhelften ook mee!

 

Bent u thuis blijven wonen tijdens uw studies?

Hagedoren Ja, ik zag daar wel de voordelen van in. Mijn eten werd me bij wijze van spreken onder de neus geschoven en mijn was werd gedaan. Heel handig.

 

Steunden uw ouders u in uw studiekeuze?

Hagedoren Mijn vader is tot zijn achttiende naar school geweest, mijn moeder tot haar veertiende. Zij had heel graag verder gestudeerd, maar mocht niet. Mijn ouders deden dan ook al het mogelijke om me de gelegenheid te geven om naar de universiteit te gaan, als ik dat wilde. Ik denk dat dat ook de beste manier is om resultaat te bereiken. Toen ik les gaf, moest ik met lede ogen aanzien hoe sommige ouders hun kind in een bepaalde, door hen uitgestippelde richting duwden en zo andere talenten en interesses in de kiem smoorden. Kinderen moeten enigszins vrijgelaten worden wat hun studiekeuze betreft. Je kunt immers alleen maar goed zijn in iets als je het graag doet.

 

En dat was voor u geen probleem?

Hagedoren Examens gingen altijd wel gepaard met de nodige stress en ik heb ook twee keer een tweede zit gehad, maar ondanks dat heb ik me tijdens mijn studentenjaren ontzettend hard geamuseerd met mijn studies en, natuurlijk, met die vrouwenclub van ons!



Tom Pintens aan de tand gevoeld
16/03/2007
🖋: 
Auteur

Tom Pintens draait als gitarist en pianist al jaren mee in Zita Swoon. Ondertussen vond hij ook tijd voor zijn eigen groepen 2000 Monkeys en Flowers For Breakfast. Begin maart bracht hij zijn eerste echte soloplaat uit, waarop hij zowaar Nederlandse luisterliedjes zingt. Hij is net naar de tandarts geweest als hij in café Revista op het Zuid binnenwaait.

Wijsheidstand laten trekken?

Tom Pintens Nee, ik ben bezig met een heropwaardering van mijn gebit. Tien jaar ben ik niet naar de tandarts geweest, en vorig jaar moest ik zeven of acht keer en toen vond ik dat het wel mooi was geweest. Die tand van vandaag was er niet goed aan toe, er moet een kroon op. Eerst de zenuw eruit, dan een kroon passen, dan nog eens terugkomen om die te plaatsen. Ik moet altijd mijn best doen om niet te visualiseren wat die tandarts in mijn mond zit te doen met zijn boor. Maar het gaat prima met mij, hoor.

 

Hoe kan het ook anders als je net een plaat uit hebt?

Pintens Dat is waar, ik ben er heel blij mee. Voor mijn doen is het eens iets anders: ik heb minder geprobeerd de plaat op te vullen met alles dat ik maar kan bedenken. Het album is een stuk akoestischer en rustiger dan mijn vorige werk. Je kan nummers blijven volproppen en overproduceren, maar ik wou het heel simpel houden: eerst een reeks geluiden die ik op mijn computer gemaakt had, vervolgens één gitaar, één piano en één stem en dat is het.

 

Op de plaat is er toch wel meer te horen dan dat.

Pintens Je laat je inderdaad al eens gaan, en dan wordt een nummer toch weer iets anders. Voor je het weet ben je uren bezig met extra opnames, waarvan je het grootste deel toch weggooit. Op het einde heb ik weer wat teruggegrepen naar mijn oorspronkelijke plan, maar het is toch wat rijker geworden dan twee instrumenten en wat geprogrammeerde drums.

 

Hoe zou je je muziekstijl zelf omschrijven?

Pintens Volgens mij is mijn muziek niet te agressief, maar eerder verhalend. Ik hou wel van mooie arrangementen: je zal me niet snel een nummer zien maken met alleen maar een baslijn, een beat en wat zang. Ik zou het misschien wel proberen, maar later zou ik het toch verder inkleuren. Live speel ik in een trio, met op bas Mirko Banovic, die ook bij Arno speelt, en aan de drums Aarich Jespers van Zita Swoon. Aarichs drums neigen nogal naar subtiele percussie; hij is geen beenhouwer. Onze muziek is erg naakt, maar de teksten zijn daar goed genoeg voor. Het zijn niet mijn teksten, dus ik mag dat zeggen, hé. Mijn vriendin, Ellen Schoenaerts, heeft ze geschreven.

 

Had je die teksten eigenlijk eerst, of ben je vanuit de muziek vertrokken?

Pintens De muziek was er eerst. Ik had wel twee lijnen sluimerende tekst, maar veel meer muziek: een stuk of twintig ideetjes. Daaruit zijn dan een negental nummers ontstaan, sommige uit één idee, andere door een paar dingen te combineren. Door de muziek eerst te schrijven had Ellen meer houvast. Ik had de melodieën al ingezongen met tijdelijke teksten, (kijkt naar zijn pakje sigaretten en neuriet) "roken is dodelijk, fumer tue", van die dingen. En daar kon Ellen dan mee aan de slag.

 

Heb je je vriendin bij het schrijven richtlijnen gegeven of heb je haar helemaal vrij gelaten?

Pintens Ze heeft carte blanche gekregen, alleen heb ik bij een of twee nummers een stukje tekst geleverd of gesuggereerd dat we het over iets anders moesten hebben. Soms heb je een gevoel bij een lied, en past daar een bepaald onderwerp niet goed bij. En af en toe heb ik eens een naam veranderd, maar alleen kleine dingen.

 

Voelt de plaat voor jou dan aan als iets van jezelf, of meer als iets van je vriendin?

Pintens Het is echt iets van ons. Uw lief staat ook vrij dicht bij u, in het beste geval. Bij mij is dat toch zo. Maar de woorden zijn van haar, en vaak weet ik ook vanwaar die komen. De pikante details ga ik je niet onthullen, maar er zitten gronden van waarheden in, vermengd met een heel pak fictie.

 

Was het niet raar om in het Nederlands te zingen?

Pintens Ja, ik ben daar in 2005 mee begonnen en het heeft echt een tijd geduurd voor ik me wat op mijn gemak voelde. Eén nummer, ‘Al Die Tijd’, had ik bijvoorbeeld al langer in mijn hoofd, maar aan het tempo dat ik die song heb geschreven had het nog tot 2015 geduurd voor de plaat uit kon komen.

 

Bij dat nummer lijk je je ook nog wat in te houden, terwijl je verder in de plaat zekerder zingt.

Pintens Ik heb het dan ook als eerste opgenomen, dus de zanglijn is nog vrij braaf. ‘Camping Kobalt’ heeft bijvoorbeeld een veel minder evidente melodie, dat is uitdagender voor mij. Het wordt wel geen meezinger, vrees ik. Ellen zag het eerst ook niet goed zitten om op die melodie een tekst te schrijven.

 

En dan nog over een camping.

Pintens Voila! Het had makkelijker gekund, maar ik vond het ook leuk om haar die uitdaging te geven om te zien hoe ze zich daar vanaf zou maken. Een bruikbare tekst schrijven is behoorlijk moeilijk. In het Nederlands letten de mensen daar ook meer op. Ik zit weliswaar geen grote waarheden te verkondigen, maar ik wil de mensen toch entertainen. Vandaar dat het soms eerder verhaaltjes dan liedteksten zijn. De muziek kleurt die dan in en bepaalt ook mee de sfeer van de teksten.

 

Enkele maanden geleden gonsde het in muziekmiddens over de geldproblemen van Zita Swoon, hoe zit het daar ondertussen mee?

Pintens Weet je, optreden in het buitenland kost bakken vol geld: je moet een tourbus inhuren, een chauffeur, roadies… Op tournee gaan brengt eigenlijk niets op, het is gewoon een leuke maar dure uitstap. Dan is het natuurlijk tof dat je subsidies krijgt, maar ik vind het niet meer dan normaal dat dat op een bepaald moment ophoudt. Ik vind dat de overheid moet investeren in goede groepen, maar dat mag geen tien jaar duren. Daarvoor zijn er veel te veel andere leuke bands die ook steun verdienen. Zelf kan ik leven van de muziek, maar dat komt ook omdat ik voor andere groepen opnames en producties verzorg en al eens een soundtrack maak bij toneelstukken en films.

 

Wat brengt de toekomst voor Tom Pintens?

Pintens Volgende week vertrekken we met Zita Swoon voor drie weken naar het Oostblok. Ik ben nog nooit in het Oostblok geweest, dus dat wordt een soort van… vakantie! In april ga ik met mijn eigen groep optreden en eind maart komt de nieuwe Zita-cd uit. We spelen opnieuw in de nogal akoestische opstelling van de Band in a Box-tournee, maar het zijn wel allemaal nieuwe nummers. Er zitten er weer wat meer Franse tussen, denk ik. Allez, dat weet ik wel zeker: ik was er bij.



Dichter Charles Ducal krijgt eerste Herman de Coninckprijs
16/03/2007
🖋: 

Varkens, modder en de borsten van Lolo Ferrari: als poëzie u nu nog koud laat weten we het ook niet meer. Haar onderwerpen lijken misschien platvloers, de dichtbundel In inkt gewassen van Charles Ducal is dat allerminst en werd bekroond met de Herman de Coninckprijs. “Voor mijn ego hoeft die prijs niet,” stelde de gewonnen dichter achteraf, maar voor ons was het wel een goede aanleiding om met hem te praten over de poëzie als marktproduct, of als moe geworden én woeste taal.

De bekroning heeft allicht voor veel media-aandacht gezorgd. Hoe staat u tegenover journalisten die, gelokt door de gewichtige geur van zo’n prijs en door bladvulling, plots over poëzie willen schrijven? Komt elke vorm van persaandacht literatuur ten goede?

Charles Ducal Het is niet de bekroonde bundel die de meeste aandacht kreeg, maar de publieksprijs. Vooral op tv was dat opvallend. Hoewel de Herman de Coninckprijs stof vooraf was voor De Zevende Dag, Canvas als co-organisator op de affiche stond en de prijs ook speciaal ter sprake kwam op Gedichtendag, hebben de kijkers noch titel, noch auteur van de bekroonde bundel kunnen vernemen. Dat geeft aan waar de belangstelling ligt: bij de spel-en-spektakelwaarde, bij de publieke betrokkenheid. Men vraagt zich niet af hoe men de poëzie bij een groot publiek kan brengen, wél hoe men haar kan gebruiken voor een media-evenement. Daarvoor is een publieksprijs veel beter dan een door een vakjury bekroonde bundel, zeker als de auteur daarvan zich niet meteen media-gewillig opstelt. Anderzijds heeft de vermelding op radio en in de krant mijn bundel natuurlijk meer bekendheid gegeven. Er was meteen een herdruk en dat is leuk. Ik ben voorstander van alle mogelijke initiatieven om poëzie te populariseren op voorwaarde dat de popularisering in dienst van de poëzie staat en niet omgekeerd. We moeten ook niet doen alsof media-aandacht poëzie aantrekkelijk zou kunnen maken op een ander dan oppervlakkig niveau. Voor velen heeft poëzie nu eenmaal geen of weinig belang in het leven.

 

Uit de verzen “het vlees met het woord aan te raken, de lust om te zetten in geld” spreekt een kritiek op de consumptiemaatschappij. Een prijsuitreiking kadert mooi binnen die cultuurindustrie. U was niet aanwezig op de uitreiking en herleidde de prijs tot een overbodige geldsom: “uw meubels waren toch al betaald”. Is dat een vorm van kritiek op de commercie rond literatuur?

Ducal Ik vind een prijs toch wel iets anders dan commercie. Het is een bekroning door een vakjury en in die zin een blijk van waardering. Ik wil wel even stellen dat ik heel blij ben met die prijs. Ook van de daaraan verbonden geldsom ben ik niet vies. Dat zinnetje over die meubels kwam er gewoon uit omdat ik duidelijk wou maken dat ik het juryrapport voor mezelf belangrijker vond dan de chèque. Dat literatuur ook een vorm van commercie is, is in onze maatschappij onvermijdelijk. Het product moet een gezicht hebben, liefst een mediageniek gezicht. Ik begrijp dus wel dat ik, om als dichter publiek bestaansrecht te hebben, uitnodigingen voor interviews, manifestaties en allerlei randevenementen best niet afsla. Maar ik doe het niet graag. Het enige publieke optreden dat me echt ligt, is dat in kleine kring. Ik zou liever hebben dat mijn boekje aandacht en lezers vond zonder mij.

 

Eerder dan het vermogen van dichters te bevestigen, stelt In inkt gewassen de vraag of een gedicht opgewassen is tegen de werkelijkheid en niet steeds vervalt in ijdele schoonschrijverij. Taal wordt geassocieerd met “moegeworden metaal” en een “woeste en ledige afgrond”. Als dichten toch zo’n muffe bezigheid is, waarom schrijft u dan?

Ducal Ik schrijf omdat ik me op die manier vorm geef, mijn identiteit bepaal. Het is net als politiek of relationeel engagement een manier om niet zomaar het opgelegde métro-boulot-dodo te ondergaan. Schrijven wordt een muffe bezigheid als het de invulling is van niet meer dan de vraag naar succes, naar publieke aandacht. Of als het neerkomt op de romantische dwaasheid dat je poëzie belangrijker is dan de hele wereld. Ik zie schrijven vooral als een voortdurende vraagstelling. Wie bepaalt wie ik ben? Wat is voedsel voor mijn poëzie en wat vergif? Hoe verhoudt mijn poëzie zich tot de wereld? Kan ik over die wereld iets zeggen? Je zet ook twee beelden naast elkaar die ik tegenover elkaar zou stellen: het beeld van de woeste en ledige afgrond is het tegenovergestelde van het moe geworden metaal. Je moet dubbend en schrijvend net alle evidenties weer afbouwen om telkens opnieuw van nul te vertrekken. Dat klinkt misschien hoogdravend maar ik beleef het werkelijk zo. Je zit voor het scherm, zonder idee van de uitkomst. Gedichten volgen elkaar niet op zoals de stapstenen van een roman. Zelfs al zit een thema heel dwingend in je hoofd, dan nog schrijf je nooit ‘verder’. Je begint altijd opnieuw. Tot op het moment dat er iets 'uitkomt' is dichten daarom heel sterk het ervaren van een leegte.

 

In het gedicht “Revolutie” houdt een knaap een opstandig krantje de hoogte in, terwijl een shoppende mensenkudde er blind voor is. “Het heeft iets wanhopigs, maar toch, het is een begin”, schrijft u – ironisch? – in het slotvers. Kan de dichter zich daadwerkelijk in het publieke debat mengen?

Ducal Ik bedoelde dat einde niet ironisch. Ik ben geen kortzichtige fatalist die gelooft dat de mentale verdoving van de massa door politiek en media voor eeuwig is. De Franse filosoof Badiou definieert onze tijd als een periode van restauratie na de mislukte pogingen een andere maatschappij te scheppen. Ik geloof met hem dat die restauratie vanzelf weer leidt tot rebellie, verzet en projecten om de maatschappij rechtvaardiger te maken. Het vers dat u aanhaalt is dus wel degelijk een politieke uitspraak, net zoals uw interpretatie ervan als ironie een politieke uitspraak is. Of er een plaats is voor de dichter in dat debat? Er is in dat debat plaats voor iedereen, vind ik. Wie denkt dat het met de maatschappij zo niet verder kan, staat voor de keuze zich alleen met zijn eigen besognes bezig te houden of zijn overtuiging op één of andere manier publiek te uiten. Een andere vraag is hoe je dat als dichter best doet.

 

Ja, want poëzie wordt na eeuwen van geëngageerd getob dan toch vooral als autonoom beschouwd. Maar kan poëzie door haar ongevaarlijk voorkomen – ze heeft immers een gering publiek - niet juist wél onbeperkt het maatschappelijke debat aanzwengelen?

Ducal Als ik wil dat Vlaanderen weet wat ik over Irak of de hoofddoekenkwestie vind, schrijf ik een opinie. Maar op dat terrein heb ik natuurlijk geen macht. Ik moet me immers plooien naar de ideologische grenzen van de massamedia en verlies dus voor een deel mijn vrijheid om te schrijven wat ik werkelijk denk. Want, tactisch als ik ben, wil ik mijn stuk in de krant. Sommige onderwerpen mag je ook vergeten. Over Saddam of Mao op een andere manier schrijven dan wat vandaag bon ton is, hoe genuanceerd je dat ook doet, is op een aantal gezaghebbende redacties de kortste weg naar de prullenmand. In mijn gedichten schrijf ik daarentegen wat ik wil. In die zin kan poëzie een heel eigen plaats innemen in het maatschappelijk debat. Je moet gedichten niet gebruiken als megafoon, want het publiek is inderdaad verwaarloosbaar. Je kan er echter wel op een heel eigen manier vragen mee stellen; niet op het niveau van dit of dat concreet dossier, maar op een persoonlijker en dieper vlak. Dat is uiteindelijk wat Brecht heeft gedaan. Zijn gedichten zitten vol concrete verwijzingen maar komen vaak neer op een fundamentele vraag. De poëtische taal kan nu eenmaal een beeldspraak of formulering ontwikkelen die veel dieper gaat dan de journalistieke taal. Ik denk dat een gedicht soms grondiger aan het denken zet dan het lezen van de krant.

 

Heeft de lectuur van Brecht invloed gehad op uw schrijven?

Ducal De laatste cyclus zou ik nooit geschreven hebben als ik Brecht niet gelezen had.

 

En andere dichters?

Ducal In een paar gedichten uit de eerste cyclus heb ik een soort autonomie van beeld en klank nagestreefd naar het voorbeeld van sommige gedichten uit de Nagelaten Verzen van Van Ostaijen. En ongetwijfeld zal de lectuur van nog andere dichters me beïnvloed hebben, maar dan onbewust.

 

Gevraagd naar de verklaring van de titel In inkt gewassen, legt u uit dat u gedachten in een inktbad wil wassen zodat ze er mooier en interessanter uitkomen. Wat houdt dat wassen precies in?

Ducal Wat je in het bad stopt is een mengelmoes van vrije associaties, herinneringen, fantasieën, invallen... kortom: alles wat door je hoofd gaat bij het turen naar het scherm. Wat uit de inkt komt is zijn toevalligheid kwijt, zijn banaliteit, zijn anekdotisch of strikt persoonlijk karakter. Tenminste, als het lukt.

 

U bent leraar Nederlands in het vijfde jaar ASO. Hoe laat u uw leerlingen kennismaken met poëzie? Deelt u de mening “het doet er niet toe wát ze lezen, áls ze maar lezen”?

Ducal Ik lees niet alleen moderne poëzie maar behandel ook de hoogtepunten van de Nederlandse poëzie in een chronologisch overzicht en doe dat sterk analyserend. Soms gaat het twee of drie lessen over één gedicht. Ik wil dat de leerling geen vage leesindruk overhoudt maar ziet wat er staat en hoe het er staat. Ik doe mijn best de leerling te laten zien waarom een goed gedicht een goed gedicht is. Dat heeft namelijk meer te maken met taalorganisatie en visie dan louter met smaak. Ik ben helemaal niet gelukkig met de huidige trend in het onderwijs om alles toe te spitsen op vaardigheden. Ik zie vaardigheden als nuttige paarden die een kar moeten trekken. Wat op die kar ligt is van belang: de inhoud. Ik blijf dus zweren bij een canon, hoe rekbaar en dynamisch dat begrip ook is.

 

Heeft literatuur baat bij leesbevorderende betutteling, laagdrempeligheid en initiatieven-die-het-gedicht-van-Joke-Van-Leeuwen-door-de-supermarkt-doen-galmen?

Ducal Wel bij laagdrempeligheid, niet bij betutteling en zeker niet bij Carrefourtoestanden. Ik ben leraar Nederlands, misschien vind ik het daarom belangrijk rekening te houden met de drempel. Dwaas is wel als je op die drempel blijft staan, zoals poëzie-onderwijs met alleen erg toegankelijke gedichten dat doet omdat anders ‘het plezier’ wordt gedood. Dat is onzin. Als het op een verstandige manier gebeurt, leidt analyse tot inzicht in de complexiteit van poëzie en gaat er een rijke wereld open. Waarom zou je poëzie-lezen niet kunnen ‘leren’? Ik vind analyse ook nodig om in te gaan tegen het idee dat je interpretatieruimte onbegrensd is. In feite komt dat neer op de gedachte dat er evengoed wat anders had kunnen staan. Analyse leert dat er in een goed gedicht net dit staat omdat dit er moet staan. Je kan dus niet zomaar in het wilde weg beginnen associëren, je leest best eerst heel aandachtig en precies wat er staat.

 

Vroeger besprak u gedichten van beginnende, wroetende schrijvers. Fronst u niet de wenkbrauwen bij die wildgroei aan penprobeersels?

Ducal Een wildgroei heb ik niet te verwerken gekregen. Ik ben er mee gestopt wegens gebrek aan inzendingen. Meestal waren de gedichten stuntelig of pathetisch maar er zat soms wel iets interessants bij. En ook voor het mislukte heb ik toch altijd veel respect gehad. Ik vond het sowieso al fantastisch dat mensen zoiets wilden proberen. Ik heb zelf genoeg dwaze probeersels geproduceerd, dus waarom zou ík de wenkbrauwen fronsen?