Geesten van het avondland

Interview met VRT-correspondent Rudi Vranckx
26/11/2006

Al vijftien jaar lang laveert Rudi Vranckx tussen vriend en vijand in verschillende conflicthaarden, ten dienste van de VRT-kijkers. Zijn ervaringen bundelde hij reeds eerder in Van het front geen nieuws. Herinneringen aan de oorlogen in het Midden-Oosten, dat enthousiast ontvangen werd. “Een voortreffelijk boek van een dappere journalist”, schreef De Standaard. Nu krijgt het boek een opvolger: in Geesten van het avondland. De roots van het moslimterrorisme volgt Vranckx het spoor van de terreur tussen Brussel en Bagdad.

Wanneer wist u dat u oorlogsjournalist wilde worden?

Rudi Vranckx Als kind droomde ik er al van, maar ik had nooit durven hopen dat het me zou lukken. Het beroep maar ook het onderwerp, oorlog, trok me aan. Tijdens mijn studies Geschiedenis verdiepte ik me in naoorlogse conflictbeheersing. Ik schreef ook al wel eens voor het studentenblad en daarna enkele korte stukjes voor Knack, maar dat stelde niet veel voor. Dat ik plots voor de toenmalige BRT kon gaan werken als journalist, nou ja, dat was een droom die in vervulling ging. Eigenlijk verbaast het me soms nog steeds dat dit het werk is dat ik wil doen, maar…

 

Het voelt als een roeping?

Vranckx Ja, zo lijkt het wel: als een handschoen die onmiddellijk past wanneer je hem voor het eerst aantrekt. Het moet niet noodzakelijk oorlogsjournalistiek zijn, maar als ik het dagelijks nieuws versloeg zou ik me nutteloos voelen. Ik wil het gevoel hebben de geschiedenis te beleven, de gebeurtenissen die het verschil maken… Dit is mijn manier om te proberen de wereld te begrijpen.

 

Oorlogsjournalistiek is altijd al een gevaarlijk beroep geweest. Uw allereerste televisiereportage was in Roemenië, net toen daar een VTM-journalist neergeschoten werd.

Vranckx Dat klopt, maar toch voelde ik me vroeger nooit echt bedreigd. Je kan altijd pech hebben en geraakt worden door een verdwaalde kogel, maar daar leer je nu eenmaal mee leven. Neem bijvoorbeeld de Palestijnse gebieden, daar heb ik me altijd behoorlijk veilig gevoeld. De mensen daar – zelfs de meest extreme fundamentalisten – beseffen dat de pers belangrijk voor hen is. Journalisten zijn hun spreekbuis en helpen hen hun boodschap over de Israëlische bezetting wereldwijd uit te dragen. Dat is helemaal anders dan de situatie in Afghanistan of Irak: als je daarheen gaat, speel je Russische roulette.

 

Kan u dit verschil verklaren?

Vranckx In Bagdad staat er een beloning van twee miljoen euro op het hoofd van elke buitenlander. Ook journalisten worden dus een legitiem doelwit. Ze worden gebruikt als pasmunt; denk maar aan de vele video’s van gekidnapte gijzelaars. De extremisten in Afghanistan en Irak zien de pers als een middel om terreur te zaaien, niet langer om hun stem te laten horen. Dat maakt ons werk erg moeilijk. Onmogelijk, eigenlijk.

 

Is dit dan het begin van het einde voor de onafhankelijke journalistiek?

Vranckx Tja, dat weet ik niet. Het is natuurlijk nooit eenvoudig om in een conflictzone te werken. De schurken die in het spel meespelen zijn van alle tijden. De huidige, levensgevaarlijke omstandigheden brengen de onafhankelijke journalistiek echter nog meer dan tevoren in het gedrang.

 

Daarbij zijn er nog andere kwalijke evoluties. In Irak probeert de overheid de pers aan banden te leggen, net als vroeger, onder het regime van Saddam Hoessein. Ook het Amerikaanse leger tracht de journalisten te controleren, door hen bijna te dwingen mee te reizen met legereenheden. Het leger ziet er nauwlettend op toe met wie deze embedded reporters praten en wat ze publiceren. Andere journalisten durven dan weer de straat niet op: uit angst blijven ze in hun hotelkamer, wat natuurlijk ook geen zin heeft.

 

Dat laatste noemt Robert Fisk hotelroomjournalism. Is een andere werkwijze wel mogelijk in de huidige heksenketel?

Vranckx Je moet je natuurlijk aanpassen aan de omstandigheden. Lange tijd heb ik dat niet gedaan, omdat ik niet volledig besefte wat er aan de gang was. Ik wist het wel, maar ik kon niet geloven dat mij iets zou overkomen. Naïef en levensgevaarlijk, natuurlijk. Na een tijdje werd het echter duidelijk: als je ergens buiten de safety zone een interview ging doen, liep je soms een hele dag rond zonder ook maar één andere westerling te zien. Of als je in een restaurant aan het raam zat te eten, nam de restauranthouder je apart en zette je in een hoekje achterin waar niemand je kon zien, uit angst voor een aanslag.

 

Fisk heeft gelijk wanneer hij zegt dat het een muizenjournalistiek wordt. Snel en onopvallend ergens naartoe, wat dingetjes rapen en dan snel weer vertrekken. Nergens langer dan een half uur blijven, want als je dat wel doet, geef je hen de kans een kidnapteam op te roepen. Je moet voortdurend in beweging blijven, onvoorspelbaar handelen, niet altijd met dezelfde auto rijden, verschillende ingangen nemen… Hier zijn geen handboeken voor, ik ga slechts voort op ervaring en gezond verstand. En wat je in de film ziet, zeker?

 

Hier zijn geen handboeken voor. Ik ga slechts voort op ervaring en gezond verstand. En wat je in de film ziet, zeker?

 

Durft de bevolking nog met de pers te praten?

Vranckx Soms wel, soms niet. Veel hangt van de plaats af. In Iran durven de mensen bijna nooit meer vrijuit praten, omdat ze weten dat kritische stemmen problemen zullen krijgen. Je mag de mensen waar je mee spreekt natuurlijk niet nodeloos in gevaar brengen. Je moet rekening houden met represailles, hen dus niet onmiddellijk filmen en de informatie anoniem verwerken wanneer dit nodig is.

 

De visie van de Verenigde Staten en hun aanhangers is dat ze de terreur bestrijden en democratie brengen in het Midden-Oosten. Slagen zij hierin?

Vranckx Neen. In de meeste landen is er geen democratisering, en waar die er wel is, zijn fundamentalistische partijen de winnaars van de verkiezingen. Zij krijgen overal steeds meer aanhang. Door de recente oorlogen hebben zij een aureool gekregen in de ogen van vele moslims: ze zijn het verzet tegen de bezetting en tegen de inmenging van de V.S. en gelijkgezinde westerse naties.

 

Bush en Blair hebben een verkeerde politiek gevoerd. Irak en Afghanistan worden hoe langer hoe duidelijker 'failed states' waar extremisme het voor het zeggen heeft. Het Midden-Oosten staat in lichterlaaie.

 

Het aanpakken van het terrorisme heeft dus gefaald.

Vranckx De grootste fout in de War on Terror is de angst die deze aanpak veroorzaakt. Voor de Bush-administratie komt dit misschien goed uit, maar het speelt eveneens de extremisten in de kaart. Met uitspraken als “a crusade against terrorism” en “good versus evil” promoot Bush een verregaand zwart-wit, manicheïstisch wereldbeeld. Dat is net waar Osama bin Laden en consorten op rekenen: een verlammende angst die de mensen doet verzinken in een wereld van wij tegen zij, een totale radicalisering.

 

De War on Terror is voor fundamentalisten de kaarsvlam waar alle motten naartoe gelokt worden, het zwarte gat waarin alles verdwijnt. Blair zegt dat er sowieso terroristen zouden zijn, Bush zegt dat het er nu minder zijn. Vergeet dat. Het gevaar is oneindig veel groter geworden.

 

Is er een verschil tussen het hedendaagse terrorisme en dat van vroeger?

Vranckx Als je het terrorisme doorheen de geschiedenis bekijkt, zie je een aantal verschuivingen. De terreur ten tijde van bijvoorbeeld de Olympische Spelen in München was eerder politiek geïnspireerd, terwijl het nu vaker religieus van aard is. Je ziet vandaag ook andere interpretaties van de jihad opduiken. Enerzijds heb je imams die de jihad toestaan, maar enkel als er een broedervolk in de Arabische wereld getroffen wordt. Zij zijn het er niet mee eens dat de jihad naar het Westen gebracht wordt en er hier aanslagen gepleegd worden. Anderzijds heb je mensen als Osama bin Laden en Ayman al–Zawahiri, die op dat vlak veel radicaler zijn. Hun terrorisme is wereldwijd en ze willen vooral de vijand híér treffen. In dat opzicht is bin Laden eigenlijk een spiegelbeeld van Bush. Beiden willen de oorlog exporteren: de ene naar Europa en de andere naar Irak.

 

Zijn er ook praktische verschillen?

Vranckx De manier waarop de hedendaagse groeperingen rekruteren en werken is complexer geworden. Het valt mij op hoe goed Al-Qaida de wapens van de globalisering en de moderne technologie gebruikt. Ze pleiten wel voor een terugkeer naar een samenleving zoals die ten tijde van de profeet, maar ondertussen benutten ze de meest moderne communicatie- en transportmiddelen ten volle. Ze misbruiken gsm’s, laptops en de ‘democratie’ van het internet om contacten te leggen en hun ideeën te verspreiden. Kijk maar eens naar het eerste handboek van Al-Qaida om aanslagen te plegen. Dat verscheen al in de jaren ’90, maar er gebeurde weinig mee omdat slechts enkelen het konden inkijken. Ondertussen kan iedereen zonder veel moeite op het internet leren hoe je een bom moet maken. Dat veroorzaakt een exponentiële groei van het probleem.

 

Als je naar Afghanistan of Irak gaat, speel je Russische roulette.

 

Je ziet steeds meer Europese jongeren die zich aangetrokken voelen tot het fundamentalisme. Wat is precies de aantrekkingskracht van Al-Qaida en iemand als Osama bin Laden?

Vranckx Het wordt wel eens vergeleken met Che Guevara in de jaren ‘70. Voor veel jongeren, die normaal niet geneigd zouden zijn tot islamitisch extremisme, is Osama bin Laden vandaag een symbool geworden. Hij staat, net als Che Guevara vroeger, voor verzet: verzet tegen onderdrukking, mislukking en vernedering. Kwetsbare jongeren die in hun eigen leven geconfronteerd worden met discriminatie en sociale achterstand voelen zich hiertoe aangetrokken. Voor hen is er geen onderscheid tussen hun eigen situatie en die in het Midden-Oosten. Ze zien bin Laden als iemand die een alternatief biedt, die toont dat het anders kan.

 

Het gevaarlijke aan heel die toestand is dat bin Laden en al-Zawahiri deze macht aanwenden om een heel perverse interpretatie van de Koran te promoten. Zij brengen een cultus van de dood in de islam. In hun ogen moet je bijna sterven om iets te bereiken. Deze verwrongen interpretatie staat eigenlijk volledig los van hun doelen, die op zich nog begrijpelijk zijn. Veel mensen in het Midden-Oosten voelen wat Amerika doet immers aan als een nieuwe kruistocht tegen de islam.

 

U citeert in uw boek ook de Marokkaanse politicoloog, Mohammed Darif: “Het is niet het Midden-Oosten dat terroristen naar Europa stuurt maar juist omgekeerd.” Bent u het met hem eens?

Vranckx Dat hij het zo waarneemt, heeft me alleszins tot denken aangezet. Ik weet dat je in Irak ook veel jihad hebt, maar de meeste strijders in die gebieden komen uit de omringende landen. Die gaan dáár vechten en zullen meestal niet naar Europa verhuizen. Als we daarentegen kijken naar de netwerken die hier de laatste jaren opgerold zijn, dan zien we dat de leden vaak uit het Westen zelf kwamen. Vaak denkt men dat het nog is zoals in de jaren ’80. Toen zijn er veel mensen, die in het Midden-Oosten gevangen gezeten hadden of verdreven werden, naar Europa gekomen. Tegenwoordig zie je net het omgekeerde: jongeren die vanuit Europa vertrekken en ginds radicaliseren.

 

Ook uit België?

Vranckx Je ziet hier onder de jongeren dezelfde frustraties als in de andere Europese landen. Er is de laatste jaren veel veranderd ten goede, maar van geslaagde integratie kan je nog niet spreken. België zou dus een plek kunnen zijn waar jonge extremisten gerekruteerd worden. Toch moeten we niet overdrijven: wij hebben het voordeel dat we niet rechtstreeks betrokken zijn bij het conflict in Irak. De aantrekkingskracht van het Midden-Oosten is daardoor iets minder groot.

 

Uw boek is een zoektocht naar de oorsprong en de oorzaken van het terrorisme vandaag. Hebt u ook oplossingen gevonden?

Vranckx In elk geval heb ik ontdekt dat er niet één zaligmakende oplossing bestaat. Het is een complex probleem waar op verschillende niveaus aan gewerkt moet worden. Als er al een verandering mogelijk is, zal die zeker ook van binnen de moslimgemeenschap zelf moeten komen. Verschillende imams proberen al aan te tonen dat Al-Qaida een verkeerde interpretatie van de Koran verspreidt. Het lastige is dat de meest radicale moslims vaak niet meer vatbaar zijn voor dit soort initiatieven: ze verwijten imams die aanslagen veroordelen dat het collaborateurs zijn. Toch is het de belangrijkste manier om de toevoer van nieuwe rekruten te verminderen. Ik denk dat we verder ook iets moeten doen aan de brandhaard van het extremisme: de oorlogen die maar al te vaak gebruikt worden als excuus om aanslagen te plegen. Tenslotte moeten we proberen de frustraties, die in het Westen bij velen in de moslimgemeenschap leven, weg te nemen. Dat alleen al is natuurlijk een immense opdracht.

 

Tegen die oorlogen die u vernoemt wordt er schijnbaar weinig ondernomen door het grote publiek. Draaien de vredesbewegingen op een laag pitje?

Vranckx Zulke organisaties hebben steeds te kampen met ups-and-downs: die bewegingen komen plots op en zakken dan weer even snel weg. Toch is er misschien ook wel een evolutie op langere termijn. In de jaren ’80 waren er die enorme vredesbetogingen, dat heb ik nog meegemaakt. In 2003 had je ook miljoenen mensen op straat bij het uitbreken van de Irak-oorlog. Maar als er nu nog betoogd wordt, deze zomer tijdens het conflict in Libanon bijvoorbeeld, dan is dat in het beste geval een paar honderd man. Jammer genoeg, want de wereld is gebaat bij sterke vredesbewegingen.

 

Ook onder de studenten leeft het niet echt.

Vranckx Daar zit iets in, vrees ik. In mijn studententijd stoorde ik me ook aan de laksheid van mijn medestudenten. Ik weet wel dat ik, nu ik zelf wat ouder ben, de dingen anders bekijk, maar als student moet je je nog engageren. Dan móét je idealist zijn!