Een zeeman die dichten kan

Interview met stadsdichter Peter Holvoet-Hanssen
06/02/2010
🖋: 

Het zal de meesten door de examenstress, de feestjes of de skireisjes waarschijnlijk ontgaan zijn, maar op 28 januari was het in Vlaanderen en Nederland Gedichtendag. Voor de Stad Antwerpen was dit de ideale gelegenheid om haar nieuwe stadsdichter naar voren te schuiven en deze officieel te huldigen. De komende twee jaar zal dit eervolle ambt vervuld worden door niemand minder dan Peter Holvoet-Hanssen. Wie? Dat dacht dwars ook en dus trotseerden we de sneeuw, voor een goed en gezellig gesprek met deze dichter.

Drie winterjassen, een kapiteinskostuum waar een keyboard onder vandaan wordt getoverd en een koffer vol rekwisieten. Meneer Holvoet-Hanssen, u ziet eruit als een drukbezet man.

Peter Holvoet-Hanssen Ja, ik kom net uit Het Paleis, waar ik kinderen heb verteld dat ik sneeuw kan maken (het sneeuwt inderdaad, nvdr.), ondertussen werk ik ook aan een nieuwe roman, ‘Finbar en Louise’, en dan natuurlijk nog die stadsgedichten …

 

U werd gevraagd om stadsdichter te worden. Op uw website staat echter dat u helemaal geen voorstander bent van dit concept. Waarom besloot u toch op de aanbieding in te gaan?

Holvoet-Hanssen Het klopt inderdaad dat men mij heeft gevraagd om de nieuwe stadsdichter van Antwerpen te worden. Ik zie het stadsdichterschap eigenlijk gewoon als een titel die immens veel mogelijkheden creëert en die deuren opengooit die anders gesloten bleven. Ik werk al lange tijd aan enkele projecten rond Antwerpen, en die hebben ineens een veel grotere kans van slagen. Daarom besloot ik dit aanbod aan te nemen, niet omdat ik zelf de komende twee jaar in de belangstelling wil staan. Toch denk ik dat het concept ‘stadsdichter’ zeker succesvol kan zijn. Iedere dichter heeft zijn twee ambtsjaren steeds op zijn eigen manier ingevuld, zo zal ik dat ook doen.

 

Hoe dan?

Holvoet-Hanssen Antwerpenaren zeuren graag en ze zijn niet snel tevreden, dit maakt het stadsdichterschap tot een grote uitdaging. Mijn eerste jaar wordt het havenjaar, mijn voornaamste doel is dan ook om de haven open te stellen voor het grote publiek. Vreemd genoeg bleven deze ongeveer twintig vierkante kilometers door de inwoners van Antwerpen tot nu toe onontdekt, terwijl er toch zoveel te doen en te beleven is. Mijn grote droom is bijvoorbeeld zoals in Parijs een groot schip aan de kaaien, waar kunstenaars, schrijvers en muzikanten samenkomen om één groot experimenteel kunstwerk te maken.

 

Mensen zouden het liefst een euro in een dichter stoppen, zodat er vervolgens een gedicht wordt geproduceerd dat iedereen begrijpt.

 

Een Vrijbrief

Het schijnt dat u het stadsbestuur zelfs om een Vrijbrief vroeg voor de verwezenlijking van al uw ambitieuze projecten?

Holvoet-Hanssen Ja, dat klopt. De Vrijbrief stamt nog uit de tijd van de kapers. Dit was een document waarin stond geschreven dat de kapers vrij waren om op roverstocht te gaan. Voor het stadsdichterschap bestond er al wel een mondelinge overeenkomst, die zegt dat de stadsdichter mag doen, schrijven of zeggen wat hij of zij wil. Mijn voorgangers deden dat immers ook al, maar ik wilde deze vrijheid graag zwart op wit hebben. Vandaar dus de Vrijbrief, waardoor ik de komende twee jaar werkelijk kan invullen zoals ik dat wil. Ik heb overigens absoluut geen kritiek op mijn voorgangers, maar iedereen doet het gewoon op zijn eigen manier.

 

Uw gedichten overstromen van de piraten, schepen en zeemeerminnen. Vanwaar deze obsessie voor water en alles wat daarmee te maken heeft?

Holvoet-Hanssen Ik ben vooral gefascineerd door het vloeibare, wat eigenlijk voorvloeit uit mijn opstandigheid tegen de vaste vormen. In de jaren tachtig had je in het literaire landschap de tweedeling tussen Herman de Coninck en Dirk Van Bastelaere. Ik heb me echter in geen van beide stromingen ooit thuis gevoeld en zal mezelf er nooit toe rekenen. Ik heb namelijk niets met vaste vormen en verzet me er graag tegen. Als dichter krijg je al snel een etiket opgeplakt en word je in een dwangbuis gestopt, je moet dan proberen om daar uit te ontsnappen.

 

En het stadsdichterschap is geen etiket?

Holvoet-Hanssen Ik wil het concept van de stadsdichter graag verder opentrekken en het zeker niet alleen op mezelf betrekken. Ik ben nog in talloze andere projecten verwikkeld, die door mijn functie als stadsdichter ineens veel beter onder de aandacht kunnen worden gebracht. Ik zie mezelf daarom eerder als een doorgeefluik, in plaats van als de persoon die de komende twee jaar centraal zal staan. Het etiket ‘stadsdichter’ zal niet zozeer op mijzelf kleven, maar op de projecten die ik in samenwerking met collega-kunstenaars zal kunnen realiseren.

 

Uw poëzie wordt vaak getypeerd als ontoegankelijk en complex. Klopt dat?

Holvoet-Hanssen Het probleem van mijn poëzie is altijd dat ze op complexe wijze op verkenning gaat. Mijn dichtbundels tot nu toe waren projecten waar ik jaren aan werke en ze vormen allemaal samen eigenlijk één, nu afgewerkte, poëziereis. Hierdoor worden mijn gedichten vaak moeilijk begrepen en lijken ze beter geschikt te zijn om te worden voorgedragen, wat absoluut niet het geval is. Vooral de inzet van de lezer is erg belangrijk. Zo ontoegankelijk is mijn poëzie eigenlijk niet, het ligt eraan hoe je er als lezer tegenaan kijkt.

 

Een euro

Zou dat ook niet een probleem voor uw stadsgedichten kunnen zijn, dat men ze ontoegankelijk of onbegrijpelijk vindt?

Holvoet-Hanssen Mijn stadsgedichten zullen zeker toegankelijker worden, maar het blijft natuurlijk poëzie en zeker niet iedereen zal het meteen begrijpen. Dat is eigenlijk het probleem met de hedendaagse lezer, die wil alles begrijpen. Mensen zouden het liefst een euro in een dichter stoppen, zodat er vervolgens een gedicht wordt geproduceerd dat iedereen begrijpt. Ik vind dat zelf erg jammer. Natuurlijk wordt er ook hele goede poëzie geschreven die veel toegankelijker is, maar dit vak heeft zoveel meer te bieden. Het stadsdichterschap is daarom wederom een hele grote uitdaging. Probeer de Antwerpenaar bovendien maar eens te bereiken.

 

De openstelling van de poëzie voor het grote publiek brengt dus ook nadelen met zich mee?

Holvoet-Hanssen Het mooie van poëzie was altijd dat je er dingen mocht doen die eigenlijk niet mochten. Toch zie je ook dat er binnen dit genre normen ontstaan die het algemene beeld bepalen. Zogenaamde ‘kale’ gedichten zijn vandaag min of meer mode en zullen meer worden geapprecieerd dan zeer ‘rijkelijke’ gedichten, omdat dat nu eenmaal de norm is. Mijn gedichten staan echter bol van adjectieven en oude woorden, dat was vroeger not done. Het is altijd jammer wanneer iets de norm wordt. Je moet altijd maar binnen de lijntjes kleuren, waardoor er weer nieuwe dwangbuizen worden gecreëerd.

 

Als dichter krijg je al snel een etiket opgeplakt en word je in een dwangbuis gestopt, je moet dan proberen om daar uit te ontsnappen.

 

U ziet uzelf eerder als een troubadour, die altijd zijn eigen lied zal blijven zingen?

Holvoet-Hanssen Het kenmerk van een echte troubadour is inderdaad dat hij altijd zijn eigen lied blijft zingen, dat zit in zijn bloed, ongeacht de mode. Hij zal altijd zijn ding blijven doen en soms zal dat worden geapprecieerd, maar soms ook niet. Zulke mensen durven tenminste te mislukken. Je moet durven op je bek te gaan, ik ben daar zelf ook nooit bang voor geweest. Ik ben altijd blijven experimenteren en heb altijd nieuwe dingen uitgeprobeerd. De eerste versregels die ik hier op de Universiteit schreef luidden dan ook: “Ik breek mij af, bouw mij op / overstag en overkop”.

 

U gaat vaak nogal genreoverschrijdend te werk. Zo staat u regelmatig op het podium en spelen muziek en theater een belangrijke rol in uw gedichten. Is voordracht een vast onderdeel van uw poëzie?

Holvoet-Hanssen Dat wordt vaak onterecht over mijn poëzie gezegd. Voordracht creëert namelijk niet noodzakelijk een meerwaarde. Er zijn eigenlijk maar enkele van mijn gedichten die zich zeer goed lenen om te worden voorgedragen. De meesten kunnen perfect worden gelezen en begrepen door de lezer zelf. Ik zie voordracht echter wel als een manier om het jonge publiek te kunnen bereiken. Mijn tweede jaar als stadsdichter valt samen met het Wereldjongerenjaar, daar wil ik veel aandacht aan besteden.

 

Richt u zich in uw poëzie dan vooral op jongeren?

Holvoet-Hanssen Nee, niet speciaal, ook die hele oude generatie fascineert me. Het zou gewoon zo leuk zijn om de mensen weer op straat te krijgen, net als vroeger met de processies. Ik ontdekte laatst tot mijn verbazing dat de Scheldewijding nog steeds door een select gezelschap gehouden wordt. Dat zou meer gedaan moeten worden, dat iedereen weer de straat op gaat, op avontuur. Dat zou ik door middel van mijn poëzie willen doen. Je kunt echter nooit iedereen bereiken met poëzie en je moet altijd een selectie maken. Eén van mijn andere missies is bijvoorbeeld het poëtisch erfgoed meer onder de aandacht van de mensen te brengen. Neem nu bijvoorbeeld het Egidiuslied (een Middelnederlands muziekstuk, nvdr.), daar zouden zowel jongeren als ouderen kennis mee moeten maken. Vanaf de zeventiende eeuw werden de zang en de tekst van zulke liederen van elkaar gescheiden. Toch weet ik zeker dat iedereen het zou waarderen wanneer zo’n tekst opnieuw zou worden voorgedragen.

 

Het muziekdoosje

Worden het gesproken en het geschreven woord in uw gedichten dan weer samengevoegd?

Holvoet-Hanssen Ik streef naar een totaalgeluid. De voordracht van een lied of een tekst wordt vaak belangrijk gevonden, maar een tekst moet naar mijn mening ook op papier tot leven komen. Gedichten hebben het orale niet nodig, ook de verbeelding van de dichter vind ik erg belangrijk. Ik moet toegeven dat dit eigenlijk wel een soort obsessie van me is geworden. Ik wil zoveel mogelijk in één gedicht krijgen, het moet echt een totaalwerk worden. Zoals ik al zei, de dichtbundels die ik de afgelopen jaren heb geschreven kunnen daarom eigenlijk ook als één project worden gezien.

 

En past alles samen in één gedicht?

Holvoet-Hanssen Een gedicht is als een muziekdoosje. Je moet er lang aan werken en er komt veel techniek bij kijken, maar uiteindelijk is het één harmonisch geheel. (Om deze metafoor nog beter te illustreren, tovert de dichter daadwerkelijk een muziekdoosje/sneeuwbol uit één van zijn vele zakken tevoorschijn) De tientallen vlokjes die je hier ziet, zijn allemaal gedichten. Ze zijn beweeglijk en worden voortdurend door elkaar geschud, maar toch vormen ze één geheel. Wanneer het muziekje begint te spelen, gebeurt er binnen in het doosje ook van alles, maar dat zien we niet. Zo is het ook met gedichten. Ze evolueren constant, waardoor ze totaal verschillend zijn van elkaar. Toch is er aan de techniek van de verzen erg lang gewerkt, alleen is dat voor het publiek niet meer zichtbaar. Het technische proces is opgenomen in het geheel van gedichten en wordt pas zichtbaar wanneer je het muziekdoosje openmaakt. Het gaat er uiteindelijk natuurlijk om dat alles in elkaar past en dat alles het doet.

 

Je moet durven om op je bek te gaan, ik ben daar zelf ook nooit bang voor geweest.

 

Is uw doosjestheorie geen belemmering voor uw dichterlijke vrijheid?

Holvoet-Hanssen Ik werd laatst erg kwaad toen ik ergens las dat ik als dichter zou worden gerekend tot het ‘post-post-laat modernisme’. Dit was volledig fout. Ik ben het buitenbeentje van mijn eigen generatie. Toch moet men in deze tijden blijkbaar een rijtje kunnen vormen en worden mensen als ik slachtoffer van deze hokjesmentaliteit. Ik keer mij absoluut niet af tegen de vorige generatie, maar ik hoor simpelweg niet in hun rijtje thuis.

 

Is het rebelse en opstandige karakter van poëzie de laatste jaren niet een beetje verloren gegaan?

Holvoet-Hanssen Dat was juist het mooie van poëzie. Het ontsnapte altijd aan de consumptiemaatschappij. Tegenwoordig is poëzie hip, toch worden er net zoveel, of zo weinig, dichtbundels verkocht als vroeger. Toch vind ik de poging om te ontsnappen belangrijker dan het ontsnappen zelf, want dat lukt toch nooit volledig.

 

Precies, want creëert uw stadsdichterschap ook niet weer een bepaalde werkdruk, waardoor u toch weer in een systeem terechtkomt?

Holvoet-Hanssen Nee, gedichten schrijven doe ik sowieso. Ik werk momenteel bijvoorbeeld aan een cyclus over de vierde toren (de toren van het nieuwe Museum aan de Stroom, nvdr.). Zo’n gedicht zal perfect passen in de stadsgedichten die ik zal schrijven. Het gaat eigenlijk dus allemaal min of meer vanzelf. Uiteindelijk past alles perfect in het plaatje.

 

Tot slot, hoe staat het dan met het eerste stadsgedicht?

Holvoet-Hanssen Het gedicht heet toepasselijk ‘Vrijbrief’. De wind is in dat gedicht aan het woord, de wind die boven de stad zingt en Antwerpen toe spreekt. Ook dit gedicht heeft daarom weer een muzikale dimensie, die van de wind die rond de stadstorens waait.