Stadstekenaar stript

Onze stadstekenaar, duidelijk geen schilders-ezel
02/11/2004
🖋: 

In een T-shirt van de stad Antwerpen, blikje Jupiler in de hand en pakje Gauloises Blondes binnen handbereik, vertrouwde Swa Dielen, de stadstekenaar, ons het een en ander toe in de beslotenheid van zijn atelier.

Hoe is de stad op het idee van een eigen stadstekenaar gekomen?

Swa Dielen We hadden een stadsdichter. Tom Lanoye is dat een jaar geweest. Maar in heel België was er geen stadstekenaar, dat was een onbestaande functie. De stad Turnhout had een berichtje in een krant gezet over de benoeming van een stadstekenaar. Toen werd gezegd: “Maar die hebben wij ook, dat is Swa Dielen, die doet dat al zoveel jaren, alleen heeft er nooit iemand bij stilgestaan de titel stadstekenaar toe te kennen naar analogie met de stadsdichter.” Zo is het gebeurd.

 

tekenaar met een motorzaag

U bent autodidact en toch weer niet?

Dielen Vanaf dat ik het me zelf niet herinner, tekende ik al. In hovenierspak (Swa werkte voorheen bij de groendienst, nvdr.) maakte ik cartoontjes voor publicaties van de stad terwijl de boterhammen werden opgegeten. In 1996 heb ik mijn directie voor de keuze gesteld: wil je iemand die met een motorzaag werkt of wil je een tekenaar. Dan heb ik mijn werkpak uitgedaan en ben ik bediende geworden. Ik ben dan op een bepaald moment op een kantoor gaan zitten tussen tuinarchitecten en burgerlijk ingenieurs als de man die de bladeren bijeen rijfde. Na verloop van jaren moest ik een bijscholing volgen en dan heb ik gekozen voor schilderen, omdat ik alleen nog maar tekende. Ik heb een volledig jaar academie gedaan en gespreid over de twee volgende jaren deeltijds cultuuronderwijs.

 

Waren die tekeningen altijd eerder aan de humoristische kant?

Dielen In de periode voorafgaand aan de academie wel. Dat was altijd mannekesbladachtig, Jommeke en Suske en Wiske, die trend.

 

En de opdrachten van de stad nu?

Dielen Die zijn allesomvattend. Nu ben ik bijvoorbeeld bezig aan een soort uithangbord voor de speel- en sportcel van de stad Antwerpen. Die heeft een opslagplaats: containers van drie op zes meter. In die containers zit hun materiaal en de zijkant ervan willen ze gebruiken als uithangbord. Die container is één grote cartoon. Er krijgt iemand een trap tegen zijn hoofd van een kind op een schommel en zijn gebit vliegt uit. Een ander struikelt en zijn hondje hangt in de lucht... Tegelijkertijd ben ik dan pentekeningetjes aan het maken van bloemblaadjes van tien op tien.

 

Zit er een Antwerps accent in uw werk?

Dielen Ik teken niet specifiek over Antwerpen. Het kan wel zijn dat als ik een figuurtje neem, dat dat iemand van de Antwerpse stadsdienst is. Iemand met een borstel, de straatveger. Dan heeft die dat pakje aan van onze vriend Van Beirendonck. Maar dat kan net zo goed iemand uit Limburg zijn. Wat ik wel regelmatig teken, zijn onze politieke figuren en stadstaferelen. In mijn cartoons zijn die toch al ettelijke keren teruggekomen.

 

Urbanus met de natte vinger

Voor u komt het er dus vooral op aan om zo breed mogelijk te kunnen werken?

Dielen Dat is gewoon zo gegroeid en ik vind dat schitterend. Er zijn ook andere voorbeelden van tekenaars die breed werken. Jan Boschaert bijvoorbeeld. Hij is een schitterende tekenaar, maakt als scenarist van Urbanus de Verniste Vernepelingeskes, maar hij maakt ook schilderijen in olieverf. Kamagurka, juist hetzelfde, die heeft ook geëxposeerd met olieverfschilderijen, die in de verte doen denken aan Picasso. Hij kan dus wondermooi tekenen, maar tezelfdertijd maakt hij hetgeen in Humo staat, op computer dan nog wel. Het is niet omdat je dat allemaal doet, dat je in niets goed bent.

 

Wie zijn uw voorbeeldfiguren?

Dielen Franquin, van onder anderen Guust Flater, vind ik schitterend. Hij tekende ook andere dingen die veel luguberder waren, de zwarte humor. Ook Reiser, een Franstalige Belg. Hij tekent in een bepaalde stijl, redelijk grof. Qua tekenstijl is Franquin verzorgd, terwijl Reiser werkt met een stift die helemaal uitgepluisd is. Hij trekt een lijn en gaat dan letterlijk met de natte vinger heel slordig te werk. Voor het serieuze werk is Albrecht Dürer een ongelooflijk voorbeeld. Ook de pentekeningen van Pieter Bruegel de Oude zijn een bron van inspiratie.

 

Zijn kak eruit persen

De stadsdichter zondert zich af om zijn werk te doen, doet u dat ook?

Dielen Nee, hier gebeurt alles. Als een idee, dat helemaal in mijn hoofd zit, er uit moet, heb ik maagpijn, hoofdpijn, dan voel ik me ongemakkelijk. Dan ga ik naar de winkel en haal een voorraad van een week. Vervolgens doe ik de deur dicht beneden en dan ben ik vertrokken. Dan doe ik niets anders meer, dan moet het eruit. Krampachtig wringen en zweten, vloeken en vechten.

 

U zou uzelf een oor afsnijden.

Dielen Alstublieft. Dat is een goede vergelijking. Die mens had dat ook, maar dan heel extreem. Ik weet van collega's dat dat algemeen is. “Hoe plezant dat tekenen is”. Dat is dus eigenlijk absoluut niet zo.

 

Een soort van catharsis om daarna even opgelucht te kunnen zijn?

Dielen Neen, want geen enkel kunstenaar is ooit tevreden over zijn eigen werk, nooit, jamais. Zo was er Renoir, impressionist, die een werk verkocht had en op een bepaald moment loopt hij bij die mensen aan. Terwijl de huisvrouw koffie aan het zetten was, was meneer Renoir aan zijn eigen schilderij aan het schilderen. Maar die mensen hadden dat schilderij wel gekocht, dat was van hen. Uiteindelijk hebben ze hem echt zijn penselen moeten afnemen. Het is nooit af, het is nooit goed.

 

Het is u dus niet om uzelf onsterfelijk te maken dat u het doet?

Dielen Toch wel, iedereen wil “zijn kak achterlaten”. Hoewel het mijn hoofddoel niet is, komt het er voor een groot stuk bij kijken. Iedereen wil erkenning voor zijn werk. Die krijg je pas als iemand anders je werk ziet. Anders valt de boom in het bos en als er niemand is, maakt hij dan lawaai? Als ik morgen doodval, ben ik niet helemaal dood.

 

Walgelijke hype

Vindt u het gerechtvaardigd dat er soms gigantische bedragen worden neergeteld voor schilderijen?

Dielen Dat is een ander paar mouwen. Tijdens de periode van het modernisme kwam er niets meer binnen. De galerijen zijn dan schilders, waar ze voordien “scheer jullie weg” tegen riepen, beginnen promoten. “We hebben een nieuwe kunstenaar ontdekt, Jean Pierre Gogleman”. Door slinkse "truken" hebben ze hun eigen markt gecreëerd. En zo een werk is nu geen vijf frank en half meer waard. Hetzelfde geldt voor Van Gogh, die heeft nooit een schilderij verkocht, daar is nooit iemand in geïnteresseerd geweest. Hoe komt het dan dat zijn zonnebloemen nu wel in de miljarden gaan? Dat is walgelijk. Als de kunstpaus, Jan Hoet, mijn werk geweldig zou vinden, dan ben ik gelanceerd. Maar is het dan om wat ik doe? Neen, dan is het omdat Jan Hoet het zegt. Hij kan iemand maken en iemand kraken en dat is link. Dan gaat het niet meer over kunst, maar over poen.