een bescheiden tirade
08/11/2005
🖋: 
Auteur

Dit is een mislukt artikel. De opzet was de lezer te trakteren op een stevig staaltje maatschappijkritiek. Ik zou namelijk een stukje wijden aan de alomtegenwoordige gelukscultus in onze samenleving die eeuwigdurende vrolijkheid oplegt en zelfs geen plaats laat voor een simpel dipje. Wee uw gebeente als u alles even niet megacool, superdemax en hyperfantastisch vindt, niet opgewekt bent, laat staan ronduit slecht gezind. Ik zou van leer trekken tegen de onechte glimlach, tegen het opgeklopt enthousiasme, de gelukzalige-gezichten-reclame en de daaruit volgende bergen geconsumeerde Prozac. Ik ging vol overtuiging de stelling verdedigen dat er enkel sprake kan zijn van oprecht geluk als er ook plaats is voor een depressie, als het ook toegestaan is om je een tijdje minder fleurig te voelen. Maar, u raadt het al, ik bleek totaal onkundig.

Ijdel was mijn hoop toen ik dacht mijn sores aan het papier te kunnen toevertrouwen. Uit mijn pen vloeide niets dan oeverloos geëmmer, een ware jeremiade overgoten met een dikke saus pathetiek. Hoe meer ik probeerde, hoe erger het geraaskal en al zwoegend en zwetend werd mijn schrijven enkel schrappen. Een lichte aanval van hysterie liet dan ook niet op zich wachten maar na menig meubelstuk al krijsend vernield te hebben (de details zal ik u besparen), besloot ik de moed niet op te geven. Ik besefte dat ik het gewoon kleiner moest zien en zal me dan ook beperken tot aanklagen van een randverschijnsel van het eerder vermelde fenomeen:

 

U bent er ongetwijfeld allen al door begroet geweest en het is zelfs zeer waarschijnlijk dat u de woorden reeds in eigen mond genomen heeft; ik heb het over onze hedendaagse begroetingskreet: “Alles goed?” “Ja, en wat dan nog?”, denkt u nu misschien, maar ik wil enkele kanttekeningen bij dergelijk gedrag plaatsen, sterker nog, ik teken er protest tegen aan. Deze uitroep is namelijk gebaseerd op de bijzonder ridicule, volledig uit de lucht gegrepen hypothese dat alles ook daadwerkelijk ooit goed zou kunnen zijn. Stel je voor...

 

Alles moet goed zijn, en wel nu! Je zou voor minder angstig ineenkrimpen.

 

Bovendien is het mij ook te doen om de manier waarop deze woorden doorgaans gebruikt worden. Zo gaat het haast nooit om een vraag maar eerder om een bevel dat op meedogenloze wijze naar je hoofd geslingerd wordt. Alles moet goed zijn, en wel nu! Je zou voor minder angstig ineenkrimpen. Door de band genomen krijgt men trouwens ook nauwelijks de tijd om op de vraag te antwoorden. Zelfs al wil je braaf bevestigen, de kans is groot dat de begroeter in kwestie zijn aandacht reeds op een ander gevestigd heeft of, nog erger, zijn weg al heeft verder gezet en je ongegeneerd gepasseerd is.

 

Ik heb het dan nog niet eens gehad over de mogelijkheid om hem of haar van een waarheidgetrouwe repliek te voorzien, laat staan in donkere tijden. Het blijkt namelijk totaal ongepast om eerlijk te vermelden dat het huilen je nader staat dan het lachen en dat de eenzaamheid je rond de oren slaat. De reacties zijn pijnlijk voorspelbaar: van de hand Gods geslagen zal men je aanstaren en zenuwachtig uitkijkend naar een vluchtweg zullen ze er zich met wat geneuzel van afmaken om zich zo snel mogelijk uit de voeten te kunnen maken. Begrijp me goed, natuurlijk verwacht ik niet van iedereen interesse in 's mens diepste zielenroerselen, noch constante aandacht voor andermans leed. Wel wil ik bij deze een oproep doen. Dames en heren, indien het u niet interesseert, als u niet wilt weten of alles daadwerkelijk goed is, gelieve er dan ook niet naar te vragen. U bent gewaarschuwd, de volgende die mij nog op deze kwaadaardige wijze durft aan te spreken en mij de gewraakte woorden brutaal toebrult, mag zich verwachten aan een eerder agressieve woordenstroom van mijnentwege of toch ten minste aan een welgemeende toek op zijn bakkes.



Ten kote van...
08/11/2005
🖋: 
Auteur

In een gezellig keukentje treffen we drie vrolijk keuvelende Germanistes in spe. Sarah, Nio en Charis delen al twee jaar lief en leed aan het bloemige tafeltje bij het blauwe raam. Op de kast prijken foto's van de vele kotfeestjes, er hangen postkaarten uit verre oorden en er is uiteraard een muur gereserveerd voor hun ‘droommannen'. Naast Elvis en David Bowie wordt er plaats gemaakt voor Tim Vanhamel en ook Ramsey Nasr staart dromerig in de verte. Daartussen ontwaren we een grote foto van een bloedmooie maar desalniettemin onbekende jongeling. Bij navraag blijkt het om hun docent Engels, Jürgen Jaspers, te gaan. Een verdieping hoger laten de meisjes vol trots hun ruime en bijzonder gezellig ingerichte slaapkamers zien. Ook het vermelden waard is het geelgeverfde dakterras waarop ze graag een zomerse cocktail verorberen (al dan niet vers geprepareerd door ‘de coolste kotbaas ooit'). Vorig jaar nog wonnen de dames de tweede prijs in een wedstrijd voor het tofste kot van Antwerpen maar het drietal is er unaniem verontwaardigd over; ze verdienden niets minder dan de hoofdprijs. Hoe je het ook draait of keert, op dit kot beleven deze studentes de tijd van hun leven!



de prijs van bijkomende studies
08/11/2005
🖋: 

Laatstejaarsstudenten die niet meteen warm lopen om hun kansen op de arbeidsmarkt te gaan beproeven of van mening zijn dat hun broek nog wel een extra jaar slijtage kan verdragen, hebben ondermeer de mogelijkheid om een keuze te maken uit de brede waaier van Master-Na-Masteropleidingen (MaNaMa), voorheen ‘voortgezette aanvullende opleiding’, die ons universitaire landschap rijk is. Het valt echter aan te raden eerst de diepte van uw geldbuidel te peilen alvorens op speurtocht te vertrekken doorheen de wildgroei aan aangeboden opleidingen.

De prijzen van de verschillende MaNaMa's worden bepaald door het flexibiliseringsdecreet van 30 april 2004. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen studenten, die al beroepsactief zijn of ten minste 3 jaar in het bezit zijn van een bachelor- of masterdiploma, en pasafgestudeerden. Voor de eerste groep zijn de maximuminschrijvingsgelden voor een gewone MaNaMa vastgelegd op 1010 euro, voor de tweede op 505 euro. Er bestaat echter ook nog een ander soort MaNaMa's. Indien de opleiding aan een aantal vage door de Vlaamse overheid opgelegde criteria voldoet, worden de maximumbedragen plots 24790 euro voor de eerste groep en 5400 euro voor de tweede. De hierboven vermelde criteria zijn: de opleiding brengt bijzondere kosten met zich mee, de opleiding vereist een bepaalde beroepservaring en/of wordt georganiseerd in samenwerking met de industrie of een beroepsorganisatie om te voorzien in de opleidingsbehoeften van een bepaalde sector, de opleiding heeft een internationaal karakter.

 

Indien u een bijkomende titel als ‘Master in Product Innovation & Entrepreneurship' ziet zitten, moet u echter niet te hard rekenen op enige tegemoetkoming van de overheid. Het systeem van studiefinanciering zal binnenkort opnieuw bekeken worden, waarbij naar alle waarschijnlijkheid de jokerbeurs zal ophouden te bestaan. De jokerbeurs werd een paar jaar geleden ingevoerd onder minister Vanderpoorten en dient voornamelijk om de kosten van een eventueel bisjaar op te vangen. De beurs kon tot voor kort echter ook gebruikt worden om een voortgezette opleiding te volgen, indien de student nooit een jaar had moeten overdoen.

 

Volgens de werknota die minister van onderwijs Vandenbroucke onlangs voorstelde ter voorbereiding van de nieuwe financieringswet zou de overheid vanaf het academiejaar 2007-2008 niet alleen geen beurzen meer toekennen voor de MaNaMa-opleidingen, maar zou ook de opleiding zelf niet meer gesubsidieerd worden. Daardoor komen de kosten volledig ten laste van de universiteit en zullen ze waarschijnlijk gedeeltelijk doorgerekend worden aan de student.

 

Dirk Van Damme, kabinetschef van minister Vandenbroucke, laat er alleszins niet teveel twijfel over bestaan. In een interview met de Morgen vorig jaar vertelde hij het volgende: “Zoveel mogelijk jongeren een diploma laten halen is de opdracht van de overheid. Wat daarna komt zou de overheid niet meer moeten betalen." Van Damme verdedigt zijn stelling door te beweren dat de MaNaMa's toch geen reële meerwaarde vormen voor de student: ”Op een paar uitzonderingen na, zoals een MBA, is de return verwaarloosbaar.” Een hard verdict voor iemand die tot 2003 voorzitter was van de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en dus medeverantwoordelijkheid droeg voor de kwaliteit van de aangeboden opleidingen (Veto 3106).

 

De VVS (Vlaamse Vereniging van Studenten) kaatst de bal echter mooi terug in hun in 2004 verschenen ‘Advies over de financiering van het hoger onderwijs in Vlaanderen.' Ze stellen voor om het kaf van het koren te scheiden door elke MaNaMa-opleiding te onderwerpen aan een onderzoek naar de economische en maatschappelijke relevantie van de opleiding en een kwaliteitstest. Indien een opleiding relevant genoeg wordt bevonden, moet ze ook voor iedereen toegankelijk zijn en gesubsidieerd. Een sterk argument indien we willen vermijden dat mensen nog ettelijke jaren na hun diploma-uitreiking zware leningen dienen af te betalen, wat een courante praktijk in de VS of Groot-Brittannië is, met alle sociale gevolgen van dien.



08/11/2005
🖋: 

Dit nummer een volledige SMS over overlast en ongewenst gedrag op en rond de campus. Indien u tijdens het lezen van deze rubriek enkele leuke ideetjes opdoet, valt dit geheel onder uw eigen verantwoordelijkheid.

Uit recent cijfermateriaal blijkt dat 20% van de woninginbraken in het Gentse gebeuren bij studentenkoten, in Leuven zou het over 16,9% gaan. De Gentse politie heeft op basis van deze cijfers besloten om een grootschalige preventiecampagne te lanceren onder de slogan ‘Kot op slot’. Naast het verspreiden van blocnotes en affiches met deze slogan, zal de lokale politie ook controles uitoefenen op het afsluitgedrag van de studenten.

 

In Antwerpen lanceerde Studiant op vraag van het stadsbestuur de campagne ‘over lastig' om het probleem van eventuele studentenoverlast aan te pakken. De Antwerpse politie slaagde er al in om haar kat te sturen naar een avondlijke vergadering van de studentenclubs “omdat overuren nu eenmaal niet betaald worden.” Meer info op www.overlastig.be

 

Terwijl de studenten in Gent extra bescherming krijgen, zullen ze in Leuven harder worden aangepakt. De Leuvense politie hanteert tegenwoordig de nultolerantie. Studenten, die ’s nachts lopen te zingen op straat, zich bezondigen aan wildplassen, of op andere wijze de rust van de goegemeente verstoren, kunnen zich verwachten aan een boete van 250 euro. Eén Leuvense rechtenstudent mocht al een nachtje in de cel doorbrengen. Hij leegde in beschonken toestand zijn blaas tegen een combi, waarna hij de arresterende agenten liet weten dat zijn advocaat hun wel zou weten te vinden.

 

Deze zomer werd een jobstudent op staande voet ontslagen bij de GB Express in de Nationalestraat. Hij was er in geslaagd om het systeem te hacken en het gebruikelijke “Bedankt en tot ziens” op het kasticket te vervangen door het meer directe “Uw moeder is een hoer”.

 

Het hoeven niet altijd de studenten te zijn. Aan de UGent kwam deze zomer een prof in opspraak die een neppostgraduaatopleiding aanbood. De studenten dienden 1000 euro inschrijvingsgeld te betalen voor een ’Specialisatie in Kennis- en Informatiebeheer’. De lessen werden echter systematisch uitgesteld of afgeschaft en één vak van acht studiepunten bestond uit één enkele les van 3 uur, gedoceerd door de zoon van de prof in kwestie.



editoriaal
02/11/2005
🖋: 

Begin november. Het academiejaar is goed en wel op gang gekomen. Reeds een maand lang hebben wij studenten kunnen genieten van activiteiten allerhande die voor ons werden georganiseerd. Vaak hoor ik her en der opmerkingen over het nut van de verschillende studentenverenigingen. Is er een wildgroei aan de gang? Deels wel, feit is dat er dit academiejaar weer een boel nieuwe verenigingen zijn bijgekomen die rechtstreeks of onrechtstreeks met onze universiteit verbonden zijn.

Studentenverenigingen bestaan uit een groep enthousiaste mensen die hun bijdrage willen leveren om jou van je studententijd te laten genieten. De commentaar die deze mensen te verduren krijgen gaat vaak echter te ver. ‘Zuiplappen', “Een lint, enkel om gratis te feesten”, ‘stoerdoenerij'. Zij die deze commentaar spuien doen dit vaak uit een gevoel van jaloezie, of bij gebrek aan eigen engagement. Die 5 euro die men uitspaart aan de kassa van de TD weegt echt niet op tegen die gsmfactuur van vorige maand. Praesidiumleden spenderen hun ‘vrije' tijd niet aan doelloos zappen of chatten achter de computer. Zij begeven zich na het belsignaal naar hun kot om snel een hap te nemen en vervolgens alweer te vertrekken richting vergadering, kringraad, opbouw fuifzaal.

 

Bovendien houdt het niet op bij feesten. Wie beweert dat studentenverenigingen hun leden enkel bezighouden met dopen, drinken en feesten moeten de agenda's van de verschillende clubs er maar eens op nalezen. Filmavonden, podiumkunsten, culturele uitstappen, reizen na de semesterexamens. Teveel om op te noemen.

 

Meningen mogen botsen, moeten dat zelfs om groei in de toekomst mogelijk te maken, maar het afkraken van het engagement van honderden studenten gaat een stap te ver. Er bestaan vele wegen om je ongenoegen kenbaar te maken, en uiteindelijk heeft iedereen die finaal niet akkoord gaat met het bewind van zijn of haar vereniging, de mogelijkheid zich in het tweede semester kandidaat stellen met een tegenpraesidium. Om dan proberen te bewijzen het beter te kunnen.

 

Studentenverenigingen zorgen voor vertier tijdens die jaren die we in de aula's verslijten. Zonder hen rest voor velen avonden lang het gezelschap van televisie en pc. Zonder hen geen studentenleven. It's as simple as that. Een verleidelijke gedachte? Ik dacht het niet.



waarom de sportkaart duurder moet
01/11/2005

Nu de westerse wereld bol staat van obesitas, zochten wij Peter Verboven op. Deze UA sportcommissaris moet ons allen aanzetten tot meer beweging.

Hoe zit het met sport op de universiteit en wat is daarbij de rol van het commissariaat?

Kort gezegd willen we zoveel mogelijk sport voor zoveel mogelijk studenten op zoveel mogelijk plaatsen. Het commissariaat doet vanalles: in eerste instantie is er het beheer van de infrastructuur, onder andere het onderhoud van de twee UA-sporthallen op de Stadscampus en op Drie Eiken. Op de Middelheimcampus proberen we vooral de rechten van de student te verdedigen in de prijzenpolitiek van Sportopolis. Ten tweede willen we studenten vrij laten sporten. Elke avond staat de sportzaal op de Stadscampus open voor activiteiten van de sportraad, op Drie Eiken en Middelheim is dat twee avonden per week. De rest van ons budget gaat naar promotie en interuniversitaire competities op Vlaams, Belgisch en internationaal niveau. Daarbij profileert de UA zich, in samenwerking met het rectoraat, als ideale gastuniversiteit voor internationale evenementen. Dit academiejaar organiseren we het WK wielrennen, in 2007 verwelkomen we de Belgische universitaire kampioenschappen en in 2008 het WK hockey.

 

Wat is er veranderd sinds uw aantreden?

Door de fusie was er weinig communicatie over sport, vandaar ook dat wij in vergelijking met andere universiteiten drie keer minder sportkaarten hadden. Normaal gezien beschikt één derde van de studenten over een sportkaart. In Antwerpen was dat vorig jaar nog geen tiende! Dit jaar hebben we gelukkig al minstens twee keer zoveel sportkaarten aan de man gebracht. Op vlak van communicatie hebben we vooral aandacht besteed aan onze website, www.sportua.be, die momenteel de meest bezochte site van de UA is. Bovendien worden er op de buitencampussen informatiekaders geplaatst en komt er op de stadscampus een groot spandoek met het adres van de website. Het is belangrijk dat studenten de weg vinden naar sport en ons daarover aanspreken. We krijgen een tiental mails per dag waaruit wij leren wat de noden en wensen zijn. Met die informatie kunnen we het sportaanbod voor volgend jaar beter organiseren. We hebben dit jaar al een aantal initiatieven genomen. Het grootste is de Antwerp Student League (ASL), waarin we binnen de hele associatie een groot sportpakket aanbieden. Momenteel zijn er 75 teams ingeschreven, al 20 ploegen meer dan bij de vroegere Interfac, wat toch wil zeggen dat sport leeft en dat we er goed aan hebben gedaan om de ASL meer tijd en ruimte te geven dan zijn voorganger.

 

We zitten nu dus in een opbouwfase?

Inderdaad. We zijn nu de derde unief van Vlaanderen. Vroeger bestonden we uit drie kleine entiteiten waarvan de UFSIA de grootste was. Daar was het vanuit een katholiek principe niet toegelaten competities te organiseren tussen studenten, waardoor tot het eind van de jaren '80 enkel recreatieve sport toegelaten was. Op het RUCA zaten maar tweeduizend studenten; het leek alsof de sporthal daar meer door de buitenwereld gebruikt werd dan door de studenten. Op de UIA was er zelfs geen sportaanbod, enkel een tennisclub. We moeten ervoor zorgen dat we op het niveau komen van de KULeuven en de UGent. Van een gedecentraliseerd en klein sportaanbod moeten we nu naar een uniform platform. Het is een unicum in België dat we beschikken over drie sportcomplexen. Zo kunnen we een groot aanbod brengen, waardoor we ook meer studenten kunnen bereiken.

 

Is sport op de UA niet te veel voor ingewijden?

Dat proberen we te doorbreken. Nu worden vooral de al geëngageerde studenten bereikt, zoals praesidia en studentenvertegenwoordigers. Vroeger was het aanbod volledig gebaseerd op de sportraden. Zij konden doen en laten wat ze wilden, waardoor ze zich onbewust afsloten van de wereld. Nu komen we met een volledig ander systeem naar buiten en op die manier creëren we een forum. Op de site staat een overzicht waaruit het makkelijk kiezen is.

 

Om op de UA te mogen sporten heb je een vernieuwde sportkaart nodig, hoever staat het daarmee?

Als we op hetzelfde niveau willen komen als de KULeuven en de UGent, moeten we investeren en ons profileren. Op de UA komt nu meer dan 90% van het budget van de universiteit en slechts 10% van de verkoop van sportkaarten. Op de KULeuven, de UGent en Louvain-la-Neuve komt de helft van de werkingsmiddelen van de sportkaarten. In België is de gemiddelde prijs van een sportkaart vijftien euro voor een student en 35 euro voor personeel. Op de UA is dat maar tien euro. Als we meer willen investeren, hebben we meer inkomsten nodig en zal de prijs van de sportkaart stijgen.

 

Waarom moeten studenten zich via www.sportua.be registreren?

Het centraliseren van de verkoop van sportkaarten is voordeliger en veiliger: vorig jaar werd er bij inbraken in sporthokjes zowel geld als materiaal gestolen. Daarnaast professionaliseren en informatiseren we meer, vrijwilligers kunnen niet altijd beschikbaar zijn. We kunnen we ook alle sporters contacteren als we iets organiseren.

 

Waarom betaal je vijf euro als je deelneemt aan één sport en tien euro als je recreatief sport?

De ASL is een initiatief in de associatie en die eiste dat één sport slechts vijf euro zou kosten, net voldoende voor de verzekering. Maar elke student is volledig verzekerd met om het even welke sportkaart.

 

Organiseert de UA ook sporten als beachvolleybal en golf?

Nee, wij concentreren ons op wat we binnen onze eigen infrastructuur gratis kunnen aanbieden. De populaire sporten blijven onze core bussiness. Zaalvoetbal krijgt de helft van de capaciteit en de rest wordt verdeeld onder basketbal, volleybal, badminton en squash. In kleinere sporten investeren we niet. Bovendien is alle recreatieve sport voor studenten een moment waarop we de zaal niet kunnen verhuren. In een tweede fase kunnen we die kleinere sporten, die meestal ook duurder zijn, organiseren met behulp van clubs. Een mooi voorbeeld hiervan is de DUA, de denksportclub.

 

En wat brengt de nabije toekomst?

De focus ligt op Drie Eiken, tot voor kort was het daar op sportief vlak een oorlogsgebied ondanks de vele aanwezige terreinen. We gaan de voetbalvelden en de atletiekpiste daar weer zelf gebruiken. We verhuizen een aantal dingen van Middelheim naar Drie Eiken om de studenten daar aan te zetten tot meer sport. Tenslotte willen we de vloer van de sporthal op Drie Eiken meer geschikt maken voor andere sporten dan atletiek. Tot 2008 organiseren we het basispakket waar zoveel mogelijk studenten aan kunnen deelnemen. Alleen als de studenten daarover tevreden zijn, willen we denken aan minder beoefende sporten.



De leeuwenkuil
01/11/2005
🖋: 

In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 legt dwars jonge politici op de rooster. Wij gaan op zoek naar hun drijfveren en ambities, we willen weten wat hen voor de politiek en voor hun partij doet kiezen. Wat betekent het vandaag om jong te zijn in de politiek? Wereldverbeteraars en machtswellustelingen, ambitie en ijdele hoop, wij leggen het bloot. Deze maand spreken we met Christophe Wuyts die zich volledig engageert voor de VLD.

Kan je om te beginnen wat meer over jezelf vertellen?

Christophe Wuyts Ik ben 22 jaar, student eerste lic TEW algemene economie aan de Universiteit Antwerpen en tevens eerste opvolger voor de Raad van Bestuur van de faculteit TEW. Ik werk verder nog halftijds als parlementair medewerker van Annick De Ridder in het Vlaams Parlement. Bij Jong VLD ben ik reeds zeven jaar actief en momenteel voorzitter voor Groot-Antwerpen.

 

Wat houdt dat voorzitterschap zoal in?

Wuyts Ik ben vorig jaar, na interne verkiezingen bij Jong VLD, verkozen en volgde daarmee Annick De Ridder op. Ik tracht binnen de beweging jongeren met inhoud naar de campagne van volgend jaar te trekken. Zelf ga ik vermoedelijk opkomen voor de gemeente- en districtsraad in Antwerpen.

 

Heb je al eerder op een verkiezingslijst gestaan?

Wuyts Dit is de eerste maal dat ik aan de verkiezingen deelneem als kandidaat. Ik ken ze al wel van de andere kant natuurlijk. Ik nam deel aan de campagnes van grote namen als Hugo Coveliers, derde op de senaatslijst en Annick De Ridder, vierde op de lijst voor het Vlaams Parlement. Daar werkte ik niet alleen inhoudelijk, maar maakte ik mijn handen ook vuil door mee te gaan plakken met de jongeren in Antwerpen.

 

Vanwaar de interesse om aan politiek te gaan doen?

Wuyts Die interesse zat al lang in mij. In het vijfde en zesde middelbaar had ik tijdens de lessen al duidelijk mijn eigen visie en durfde ik mijn mond al eens open te doen. Doordat ik goed bevriend ben met Jan Coveliers (zoon van, nvdr.) ben ik bij de VLD terechtgekomen. Er zitten dus geen politieke genen in de familie? Neen, mijn ouders zitten niet in de politiek. Het komt uit mezelf, deels uit maatschappelijk engagement. Ik wil iets kunnen betekenen en veranderen voor de bevolking. Dat klinkt misschien hoogdravend, maar politiek dat zit in je, het is een microbe. Die heeft mij gepakt en ik wil er ook echt voluit voor gaan. Politiek is iets dat mijn dagelijks leven overheerst, bijna ten koste van mijn studies.

 

Waarom koos je voor de VLD?

Wuyts Omdat ik geloof in de kracht van het individu. Socialisten hebben nogal eens de zienswijze om het groepsgevoel te laten overheersen. Ze vertrekken vanuit de groep en miskennen daardoor soms de vaardigheden van het individu. Men zegt vaak dat liberalen egoïstisch zijn, dat we ook intern een stel individuen zijn die ruzie maken. Er is echter iets dat ons bindt en dat is de kracht van het individu. En van daaruit wil ik mee aan de kar trekken.

 

Noem eens een paar concrete acties die met Jong VLD werden ondernomen.

Wuyts Een jaar geleden was er de ‘pro propere stad' actie. We vonden dat de stad er vaak nogal vuil bijlag. Met ongeveer 25 jongeren zijn we de Meir gaan opkuisen. Dat vonden de mensen heel frappant en het heeft zijn effect niet gemist. De Antwerpse politiek weet nu ook dat sluikstorten een probleem is. Het stadsbestuur heeft duidelijk gezegd: “Er zijn twee prioriteiten, veiligheid en vuiligheid.”

 

Wat zijn de punten waar je zelf graag zou aan willen werken?

Wuyts Ik denk aan een aantal jongerenthema's: betaalbare fuifruimtes in Antwerpen zijn schaars. Waarom geen leegstaande overheidsgebouwen of turnzalen gebruiken in het weekend?

 

Kan Jong VLD zijn zegje doen binnen de partij?

Wuyts Het intern partijdemocratisch gehalte ligt bij de VLD zeer hoog. Iedereen kan zijn zeg doen op congressen, ook de verschillende Jong VLD groepen en bijvoorbeeld de VLD vrouwen. Vaak wordt daar ook naar geluisterd. Jong VLD Groot-Antwerpen riep niet zo lang geleden nog een congres bijeen over het migrantenstemrecht. Het uiteindelijke resultaat is niet geworden wat we hadden beoogd, maar de VLD – dat moet ik u zeggen – heeft wel gebibberd. Jong VLD Groot-Antwerpen wilde dat de VLD uit de regering stapte. Dat is uiteindelijk niet gebeurd omwille van het discours en de retoriek van de eminence grise van de partij, Willy De Clercq. De openheid heeft ook zijn nadelen. De deuren staan open, de media bericht en men zegt: “Jullie maken veel ruzie.” Bij andere partijen zijn de deuren van het congres gesloten tijdens de discussies en gaan ze pas weer open tijdens het applaus.

 

Wat is jouw mening over de verlinksing binnen de partij?

Wuyts Men zegt altijd dat de VLD een liberale partij is met linkse en rechtse groeperingen. Dat is fout. Wij zijn een partij van liberalen. Ethisch zijn wij links: als je spreekt over euthanasie, het homohuwelijk en adoptie voor holebi-koppels, zijn wij links. Economisch zijn wij rechts, wij zijn voor een vrijhandelszone en beogen een liberale maatschappij waar men de economie vooropstelt. Als de economie goed draait dan komt al de rest – zoals bijvoorbeeld de sociale zekerheid – daar wel uit voort. Mensen die vinden dat de VLD niet ethisch-links mag zijn en zich ethisch-rechts voelen, hebben geen plaats in de partij en zullen moeten teruggrijpen naar de CD&V, waar men niet echt pro adoptie voor holebi's is. West-Europa is een liberale maatschappij en ik denk dat de mensen, zeker in België, akkoord gaan dat er ethisch-links wordt gedacht, maar dat er ook een economisch-rechts discours wordt gehouden.

 

Er blijft toch verdeeldheid heersen binnen de VLD over het al dan niet samenwerken met het Vlaams Belang?

Wuyts De VLD zegt resoluut het cordon-sanitaire – het feit geen coalitie te sluiten met ondemocratische partijen – te zullen eerbiedigen. Kanttekening: die partij is wel democratisch verkozen. Jong VLD daarentegen zegt dat het cordon een foute strategie is geweest. Het probleem zal zich binnenkort stellen in Antwerpen, want het Belang zal in Deurne 41% van de stemmen behalen en zowel daar als in Hoboken de meerderheid aan zetels hebben. Jong VLD zegt: kijk naar het bestuursakkoord, met wie kunnen we het grootste deel van ons programma realiseren, zonder dat er in dat akkoord ondemocratische of discriminatoire zaken staan. Overigens heersen er binnen het Vlaams Belang tegenstellingen. Je hebt de Neoliberale stroming, de ultraconservatieve en de racistische. Wie weet zal die partij wel eens uit elkaar barsten en volgt er een volledige herschikking van het politieke landschap. Het probleem is dat de ondertoon in Vlaanderen meer rechts is. Vlaanderen heeft gekozen voor een rechtser politiek landschap, maar door het cordon worden we continu mede-geregeerd door de socialisten.

 

Hoe kan het grote deel proteststemmen weggehaald worden bij extreem-rechts?

Wuyts Dat kan door te hameren op wat we reeds bereikt hebben. Denk maar aan de huis-aan-huis controles die binnenkort van start zullen gaan. Ook de Antwerpse haven draait zeer goed en is de motor van Vlaanderen en België. Toeristen blijven, ondanks de werken, toestromen naar onze stad. Het gaat goed en dat is het mooiste bewijs dat het Vlaams Belang in Antwerpen bijna monddood is gemaakt. Niet zozeer door de media, maar door de politiek.

 

Hoe moet men het veiligheidsgevoel verhogen? Meer blauw op straat?

Wuyts Ik zou zeggen, beter blauw op straat. Mensen zien resultaten: buurten waar de politie vroeger niet meer kwam, krijgen nu voetpatrouilles op geregelde tijdstippen, ook 's nachts. Problemen moeten in kaart worden gebracht, huisjesmelkers aangepakt en de verloedering van bepaalde buurten tegengegaan. Antwerpen is een havenstad en is dat altijd geweest. Vele nationaliteiten zijn hier aanwezig en we zullen moeten leren samenleven.

 

Moeten we teruggaan naar een monocultuur zoals het Vlaams Belang beweert?

Wuyts Wat gaan we doen, de gaskamers terugbrengen? Dat is gewoon je reinste onzin. Er moet een accuraat beleid zijn, dat de plaatselijke pijnpunten wegwerkt. Er zijn initiatieven zoals de meldingskaart, waarmee lokale problemen kunnen worden aangekaart. Ook is het politiekorps in Antwerpen drastisch verjongd en dynamischer geworden. Het slechtste wat we kunnen doen is buurten stigmatiseren. Wij zullen er nooit onze rug naartoe keren en het discours volgen van het Vlaams Belang, namelijk zeggen dat het getto's zijn waar we moeten wegblijven.



over de stilistische gelijkenissen tussen de horrorfilm en het sociaal-realisme
31/10/2005
🖋: 
Auteur extern
Philip De Man

De materiële horrorfilm bereikt zijn luguber hoogtepunt door het hanteren van een stijl die nauw verwant is met die van de documentaire – het kan bezwaarlijk toeval genoemd worden dat William Friedkin zijn carrière begonnen is als gevierd documentairemaker. Het zou evenwel verkeerd zijn hierin een bevestiging te lezen van het wijdverspreide misverstand als zou een marketingmisbaksel in de trant van The Blair Witch Project een werkelijk horrorhuzarenstukje zijn. Zoals ook The Last Broadcast, gaat voornoemd toonbeeld van pseudo-amateuristisch puberaal vertier – dat overigens uitsluitend teert op misplaatste suggestie en zodoende nooit tot de materiële horror gerekend kan worden – er geheel aan voorbij dat het al dan niet overtuigd zijn van de waarachtigheid van het verhaalde irrelevant is voor een authentieke horrorbeleving.

De stijl van de documentaire ontleent daarentegen zijn eigenheid aan een totale afwezigheid van overbodige mooifilmerij in de vorm van stilistische kunstgrepen die de aandacht van de weerloze toeschouwer enkel kan afleiden van de gruwel die zich langzaam aan zijn zintuigen openbaart. Tomeloze travellings, CGI-graphics en special effects in het algemeen zijn uit den boze; sobere degelijkheid voert de toon. De camera dient onmiddellijk gefnuikt in al zijn ambities om meer te zijn dan een louter element van voorzichtige, geduldige observatie; met andere woorden, van functionele registratie, onwrikbaar gericht op meedogenloos lijden – horror als masochistisch spektakel van pervers plezier. De werkelijke horrorgrootmeester zal zich ook hoeden voor een overmatig gebruik van muziek waardoor weliswaar doeltreffend maar uiteindelijk eindeloos oppervlakkig en op volstrekt kunstmatige wijze de gewenste sfeer opgeroepen wordt. Zo worden de laatste twintig minuten van de geluidsband van The Texas Chainsaw Massacre integraal ingenomen door een haast onuitstaanbare mengeling van aanhoudend gegil en kettingzaaggeraas, waardoor de kijker zich uiteindelijk toch een beetje ongemakkelijk begint te voelen. Geen duivelse deuntjes, geen strijkers die vervallen in een eindeloze repetitiviteit van mateloos storende, schelle uithalen; de grootse finale van Salò o le 120 giornate di Sodoma toont aan dat ook onmetelijke stilte uitermate onbehaaglijk en zelfs schier ondraaglijk kan zijn. Tijdens het bekijken van de sociaal geëngageerde neorealistische film valt het op dat de technieken die een horrorprent tot macabere hoogten kunnen tillen – realistische locaties, lang uitgesponnen takes, natuurlijk licht, schoudercamera, monotone soundscapes opgebouwd uit industriële klanken, ogenschijnlijk ongestileerde close-up-shots en bruuske zoombewegingen – ook hier gretig aangewend worden teneinde de kijker zoveel mogelijk te betrekken bij alsook af te stoten van de gebeurtenissen op het scherm. Deze stilistische kenmerken zijn reeds terug te vinden in de belangrijkste exponenten van het Italiaanse neorealisme uit de jaren veertig (de films van Visconti, De Sica, Rossellini) en zijn nog steeds prominent aanwezig in de hedendaagse uitlopers ervan (het œuvre van Leigh, Loach, de gebroeders Dardenne). Ofschoon de heimelijke geneugten die de toeschouwer van materiële horror ondergaat, doorgaans achterwege blijven tijdens het bekijken van een sociaal geëngageerd drama – we maken gemakshalve abstractie van de aberrante emotionele analfabeet – moeten we dus desalniettemin vaststellen dat beide strekkingen van de zevende kunst het meest gebaat zijn bij, een optimaal effect bij de kijker kunnen bewerkstelligen door, een vergelijkbare stilistische benadering te hanteren. De onafwendbare conclusie uit voorgaande lijkt dan ook niet enkel te zijn dat het horrorgenre bij uitstek geschikt is om sociale themata mee te tackelen, maar ook en vooral dat – horribile dictu – het sociaal bewogen neorealisme er voornamelijk op uit is de kijker onder te dompelen in een poel van ontzetting en afgrijzen, of zoals de – enigszins tanende – ster van de Italiaanse horror Dario Argento het verwoordde: "Ik ken geen films die gruwelijk zijn; het leven, dát is gruwelijk."

 

 

Philip De Man



31/10/2005
🖋: 

Een aantal maanden weg van huis, weg van je thuis, van vrienden en vriendinnen en familie, om te studeren in een vreemde stad... Wat betekent dat nu eigenlijk? Nou ja, ik weet het eigenlijk niet. Maar gedurende mijn vier en een halve maand te Praag zal ik jullie – Antwerpse thuisblijvers – verslag uitbrengen van mijn belevenissen.

Wat is Erasmus gedurende de eerste maand? Om te beginnen – al is het onduidelijk waar te beginnen – is het een zoektocht doorheen een nieuwe stad, op zoek naar de universiteit, naar je vakkenpakket, naar je lotgenoten, naar lekker eten, naar een wasserette... De eerste weken worden eigenlijk voornamelijk bepaald door een alomvattende bureaucratie. Je merkt nu maar al te duidelijk dat je eigenlijk – maar niet feitelijk – enkel op papier leeft. Wat je hier en nu doet maakt eigenlijk niet uit, het belangrijkste is dat het op papier staat. Het doet me denken aan het welbekende kinderverhaal van Annie M.G. Schmidt: Otje. Otje en haar papa, Tos, hadden geen papieren en konden daardoor nergens wonen en waren altijd opnieuw op zoek naar een plek om te leven en te werken. Otjes vriendjes – de vogels – bedachten een oplossing, o zo mooi, en zochten alle papiertjes bij elkaar en brachten ze naar Otje en Tos... Ach, was het inderdaad maar zo simpel. Leve de bureaucratie!

 

Verder kijk je gedurende de eerste weken met een zekere blik naar alles, een blik die zoekt naar stereotypen, naar opvallende verschillen – om die dan charmant te vinden. Zo wordt er onder de Erasmusstudenten gepraat over de Tsjechen die steeds op stap zijn met een trekkersrugzak. Over de honden die steevast gemuilkorfd aan de lijn rondlopen – waarschijnlijk een restant van het communisme – en dat er 's ochtends vroeg braadworsten en hotdogs gegeten worden. De Tsjechische keuken is voorts ook enorm vettig en vlezig (niets voor vegetariërs dus) en ze drinken hier hun koffie meestal op Turkse wijze drinken. Er wordt hier niet gegeten op de tram (omwille van de beleefdheid of omwille van het gevaar je eten in de lucht te gooien bij het bruuske stoppen van de tram, ik weet het niet) en je staat in de tram of metro zonder uitzondering je plaats af aan oudere mensen (gaan zitten is toegeven dat je slecht te been bent). Er zitten geen sloten op de openbare toiletten (de beleefdheidsregel van het kloppen dragen ze hier eveneens hoog in het vaandel)en we merkten ook al dat het Oost-Europese volkje niet vriendelijk is (zeker de vrouwen niet), dat het belangrijkste woord in de ongelooflijk moeilijke Tsjechische taal ‘nazdravie!' (schol!) is, en dat het eerste woord dat je leert přišti zastávka (volgende halte) is. Nog meer? U vroeg erom... Zeer opvallend is, dat ze hier geen fietsen kennen. Fietsen is gewoonweg uit den boze – en niet omdat je bergop moet fietsen, maar omdat ze gewoonweg geen fietsen verkopen, nergens fietsenstallingen hebben noch fietspaden. De meeste mensen hebben wel twee auto's, en dat in een stad!

 

Dan nog iets over de Praagse winkels: ze blijven urenlang open, minstens tot 20.00u, ook op zondagen. Zo blijft Carrefour – zowat de enige winkel waar je terecht kan voor een iets ruimer assortiment groeten en fruit – open tot 24.00u, zeven op zeven, waarbij hardcore techno laat in de avond je winkelen begeleidt, waarschijnlijk om de oververmoeide werknemers wat op te peppen. Typerend is hier natuurlijk ook de Tsjechische munt: de kroon. Hoewel Tsjechië sinds kort deel uitmaakt van de Europese Unie, is er op veel vlakken nog te merken dat ze in praktijk zo ver nog niet zijn: het vervoer is bijna gratis, voor drie euro heb je je buikje rond gegeten, voor tien eurocent verstuur je een brief naar België, studeren is hier gratis (mits ingangsexamen), etcetera.

 

Gedurende de eerste maand in een vreemde stad is die vreemde stad eigenlijk vooral een vreemde stad, een stad die je beoordeelt naar al haar excentriciteiten, met alle extremen en stereotypen. Het is stad waarin je je weg zoekt en vindt, en waarin je je samen met zeshonderd andere Erasmusstudenten begint thuis te voelen. Ik weet nu – reeds na één maand – dat een semester te kort zal zijn. Maar ik houd u op de hoogte, Praag is niet de andere kant van de wereld.



31/10/2005
🖋: 

Een zonnige zondag, ergens in de eeuwigheid van 's mensenheugenis, lopen twee eenzame figuren door de schaduw van een groene, vruchtbare vallei. Hoewel de zon haar licht naar beneden straalt, werpen beide figuren zelf geen schaduw af, boven hun kalende schedels staat de zon namelijk altijd in het zenit, zodat hun kale knikkers blinken alsof ze opgepoetst zijn met zilverwas – het zijn net spiegels, zo kaatsen ze het zonlicht terug de hemel in –  het zijn net aureooltjes. De figuren lopen gekromd en gebukt onder de hitte, op hun blote voeten.

“Wat kan ik jullie heren aanbieden? Zijn jullie al te vinden voor een kopje warme kruidenthee met honing, of hebben jullie liever iets fris? Al dat geduw, getrek en gesjouw zal jullie wel dorstig gemaakt hebben?” vroeg Prometheus de heren.

Jezus antwoordde dat hij wel een fris pintje lustte, waarop Sisyphus enthousiast begon te knikken en uitriep:

“Ja, voor mij ook één, voor mij ook!”

Prometheus gebaarde zijn gier dat hij de pintjes moest gaan halen. De gier zei hem op vermanende toon:“Meester, u weet dat ik niet mag stoppen met in uw lever te pikken, ik moet u pijnigen dag en nacht, uur na uur en seconde na seconde, en een tiende van een seconde na een tiende van een seconde, enzovoort - eeuwig dus. Maar goed, omdat u uw kwelling al zo lang volhoudt en nooit klaagt en omdat het zondag is en uw twee vrienden hier zijn, zal ik een uitzondering maken.”, waarop de gier zijn grote vleugels uitstrekte en al zoevend de lucht in ging, op zoek naar pintjes.

“Ach, ach, ik heb zo'n spijt van wat ik vroeger heb gedaan.”, zei Prometheus, “Ik zou willen dat ik een zwaardere straf had, zodat ik tenminste genoegen en troost en betekenis kon vinden in mijn lijden. Maar het menselijke bewustzijn is een vloek! Ik weet dat ik mezelf gewoon zou ontzien in mijn straf...

Maar ach, laat ik niet meer zagen, vandaag is een heuglijke dag, want u beide heren zijt op bezoek!”

Jezus keek Prometheus vluchtig aan waarna hij zijn blik liet verdwalen in het strakke blauw van de hemel, en mijmerde: “Tja, we voelen ons allemaal wel eens verloren, alsof deze wereld geen zak maalt om een Jezus meer of minder, om een dode meer of minder. Ik weet nog dat ik me zo voelde toen ik aan dat kruis hing te bengelen en ik riep ‘Mijn God, waarom heeft U mij verlaten?' Maar geloof het of niet, na regen komt altijd zonneschijn, wat er ook gebeurt! Prometheus, je moet je niet zo laten opvreten door je spijt -ook niet door je gier trouwens; wat is de zin daarvan nu eigenlijk? Je zou beter wat uit wandelen gaan, of een knappe griet ontmoeten. Zo eentje met mooie ronde borstjes die op en neer wippen als ze lacht om je flauwe grappen.”

Sisyphus mengde zich nu ook in het gesprek en vroeg Jezus:

“Zeg, Jezus, jij hebt gemakkelijk praten, jij draagt toch ook steeds jouw kruis met je mee? Jij loopt toch ook gebukt en gekromd? Waarom werp jij dat juk niet van je af?”

“Omdat ik het niet wil. Ik hou van m'n kruis. Het geeft me een veilig gevoel. Ik weet tenminste waarvoor ik het doe. Daarover zou jij eens moeten nadenken, Sisyphus, waarvoor duw jij je rotsblok eigenlijk voort? Dat blok aan je been is toch niet meer dan een blok aan je been? Of wel soms? Trouwens, vergeet uw pollekes sebiet niet te wassen, ik heb gezien dat Prometheus lekkere taartjes heeft klaarstaan voor ons.”

Prometheus hoorde zijn naam vallen en zei vlug: “Jaja, onze vriend de gier is naar de patisserie gevlogen. We moeten echter nog eventjes wachten om te beginnen smullen, Godot zou namelijk ook komen.”

“Ach, die komt toch steevast elke keer te laat...”, zei Sisyphus. “We kunnen er maar beter niet meer op wachten in 't vervolg”, voegde hij eraan toe. Sisyphus' forse stemgeluid weerklonk nog maar net in de vallei, of de vierde figuur kwam opdagen, luid zingend, met een klokkenspel in de ene hand, een tamboerijn in de andere. (Zonder één van beide te kunnen bespelen, want voor beide instrumenten had hij beide handen nodig.)

“Hier ben ik dan toch, mannen! Dat had ge niet gedacht zeker?” zei Godot opgeruimd.

“Godot! Goed dat ge toch nog gekomen zijt! We waren net een revolutie aan het bespreken. We discussiëren over de lasten die elk van ons moet dragen, en of het niet beter is ons van onze ketenen te bevrijden; Jezus van z'n kruis, Prometheus van z'n gier, ik van mijn rotsblok en jij van je horloge.” zei Sisyphus.

Godot peinsde eventjes en zei dan: “Goh, dat maakt toch allemaal niets uit eigenlijk? Doe gewoon dat waarbij ge u goed voelt, zou ik zeggen en zeg ik ook. Krijg ik nog een pintje eigenlijk?”

Intussen was de gier wedergekeerd en begon het drinkgelag; ook Godot kreeg zijn pintje en begon tevens aan de hemelse genietingen der taartjes. Het heerschap smikkelde en smakkelde luid terwijl ze hevig verder discussieerden. Plots stoven alle vogels uit de vallei op, kwamen de wormen, mollen en konijntjes uit de grond, alle vliegende spinnen, muggen, vliegen, libellen en wespen en bijen en hommels begonnen in het rond te dansen, en alle niet-vliegende insectjes wemelden in elkaars web en nest en cocon. Het werd zwart aan de horizon en alles vervaagde. De bergkammen brokkelden af, de rivieren werden watervallen, geisers, fonteinen en draaikolken. Het begon sterren te regenen, de maan en de zon zochten elkaars gezelschap aan de hemel, alles werd één grote schaduw waardoor eigenlijk ook alle schaduwen verdwenen waren.

“Oh God nee, de Apocalyps begint nu!” gilde Jezus met een hoog stemmetje.

“Geweldig, uitgerekend op dit moment... Kan een mens dan eens nooit rustig zijn pintje drinken?” mopperde Sisyphus.

“Shht!” siste Prometheus, “Ik wil geen seconde missen van het hele gebeuren! Zo meteen gaat God tegen ons spreken.” De gier -iedereen was hem al een beetje vergeten- begon luid te lachen, zijn lach leek van heel ver te komen, uit alle grotten en zeeën. “Stelletje sukkels! Net alsof dit een voetbalmatch is! En jullie voorstelling van God, wat een onzin, komaan zeg. Waar zou hij zich moeten verstoppen, onze God? Hoe zou zijn stem dan moeten klinken? Kan hij dan überhaupt tegen ons spreken? Jullie trommelvliezen zouden stukspringen bij het aanhoren van zijn stem. Jullie longen zouden verbranden bij het ademen van zijn adem en van jullie ogen zou niet meer overblijven dan een hoopje zielige tranen, jullie huid zou verschrompelen, jullie botten zouden verbrijzeld worden en jullie zouden jezelf gelukkig prijzen met je kruis, dolgelukkig met je rotsblok, en jullie zouden het een ware verrukking vinden altijd weer opnieuw te moeten wachten op Godot.” Zo gezegd zo gedaan... Prometheus, Sisyphus, Jezus en Godot begonnen te dansen, te lachen en te zingen totdat hun ogen niet meer waren dan een hoopje tranen, hun huid verschrompelde, hun botten kraakten onder hun krampachtige bewegen en allen hoorden nog net hoe de gier luid lachend, met rustige vleugelslagen wegvloog, diep in de nacht. Verder en verder. Totdat onze vrienden helemaal niets meer konden horen, zien, voelen, ademen... Totdat niemand er nog was om verhalen te vertellen. Of, totdat er niets meer was om te vertellen.