in geuren en kleuren

editoriaal

26/03/2019
đź–‹: 

De merkwaardig zwoele februaridagen droegen een onheilspellende boodschap over de toekomst met zich mee, maar met de eerste zonnestralen verscheen toch ook een blos op mijn wangen. Ik moet kleur bekennen: het deed me goed.

Als de negatieve gevolgen van de klimaatproblemen nu grauwer waren geweest, hadden we onze stemmen misschien eerder en luider laten horen. Op een blauwe maandag in 2010 was er namelijk al een eerste klimaatbetoging in Brussel, maar de mooiere dagen van het jaar hielden ons nog lang optimistisch.

Dat was niet de enige keerzijde van het mooie weer. Zodra de eerste kleurige lentedagen gepasseerd waren, leken de universiteitsmuren vanbinnen een tint grijzer. Gezamenlijk gaven we gehoor aan het startschot om over de zomer te dromen, om met een schok in de les terug wakker te schrikken: het is pas maart. Dat zelfs de hoofdredacteur van jullie zwart-wit studentenblad maar al te graag honderd tinten grijs inwisselt voor wat meer kleur, laat zien hoe nabij de jaarlijkse wanhoop is.

Wie denkt dat het gras aan de overkant groener is, komt soms bedrogen uit. De studenten die voor fleurigere oorden als Parijs en Santiago de Compostela kozen, gingen niet per se een kleurrijker academisch leven tegemoet. En als zelfs Erasmusstudenten niet op hun roze wolk kunnen blijven zitten, moeten we ons er maar bij neerleggen. Het universiteitsleven is niet enkel rozengeur en maneschijn.

Toch, als uit zo’n grauw en grijs moment een bui ontstaat, vangen we met wat geluk een walm van petrichor op. De eerste warme dagen zijn tenslotte al achter de rug.