proffenprofiel: Frank Willaert

18/05/2017

Enkele jaren geleden liep professor Frank Willaert over de zonnige binnentuin van het Hof van Liere en dacht: "Wat een mooie omgeving om in te werken. Maar ooit zal ook dit ophouden." Het gevoel een passant te zijn, zal vaker tijdens het gesprek naar voren komen. Het is ook een veelvoorkomend thema in de middeleeuwse teksten waarmee de professor zijn hele leven in dialoog is gegaan. Het statuut van emeritus is nakende, het ideale moment om eens samen te zitten en zowel terug te blikken als vooruit te kijken.

U heeft nooit getwijfeld dat u uw carrière hier zou afronden?

Neen. Ik heb een aantal keren de kans gekregen om elders aan de slag te gaan, maar wanneer de onderhandelingen in het stadium kwamen waarin ik een beslissing moest nemen, kwam ik steeds tot de bevinding dat een vertrek uit deze mooie universiteit mij niet zou verrijken. Ik ben haar altijd erkentelijk geweest voor de kansen die zij me geboden heeft en ben ook erg gesteld op de getalenteerde collega’s met wie ik hier mag samenwerken.

 

Na mijn proefschrift aan KU Leuven, stond ik vrij onverwacht op straat. Er waren signalen geweest dat ik een vaste aanstelling zou krijgen, en toen mijn academische carrière toch ten einde leek, ervoer ik dat als een serieuze schok. Ik zocht en vond een baan in Nederland aan het Instituut voor Nederlandse Lexicologie te Leiden, waar ik mee kon werken aan het Woordenboek der Nederlandsche taal. Achteraf bekeken was mijn vertrek uit Leuven een blessing in disguise omdat de contacten die ik in Nederland heb opgebouwd, belangrijk zijn gebleven in mijn verdere leven.

 

Welke delen van uw onderzoek hebben u het meeste voldoening gebracht?

Ik heb tijdens mijn doctoraat gewerkt rond wat toen nog bekend stond als de Strofische Gedichten van de dertiende-eeuwse mystica Hadewijch van Antwerpen. Een van de ideeën van het doctoraat was dat het 45ste gedicht uit deze cyclus gebaseerd was op een Latijns lied en dat de mogelijkheid dus bestond dat dit gedicht op dezelfde melodie gezongen zou kunnen worden.

 

In samenwerking met de musicoloog Louis Grijp en diens muziekensemble Camerata Trajectina, hebben we dit gedicht, en vervolgens ook vele andere, aan het zingen gekregen. Op het Festival Oude Muziek van 1992 in Utrecht werd het 45ste lied voor het eerst gebracht door de sopraan Suze van Grootel. De overgang van mijn literair-historisch handwerk naar de artistieke beleving heeft mij toen hevig ontroerd. Wetenschappelijk onderzoek in de letteren zou vaker dit soort samenwerking met kunstenaars moeten opzoeken.

 

Wat zijn de plannen voor de nabije toekomst?

Het meest directe plan bestaat uit de afronding van een manuscript dat ik al jaren meesleep en waarvan alleen het laatste hoofdstuk nog geschreven moet worden. Het betreft een boek over de Geschiedenis van het Nederlandse Lied in de middeleeuwen en recentelijk heb ik een contract getekend waarbij het manuscript op 1 april ingeleverd dient te worden volgend jaar. Pas wanneer dit gebeurd is, wil mijn vrouw twee maanden met mij op reis door Amerika, iets waar ik al heel lang naar uitkijk. (lacht)

 

Verder wil ik ook graag meer tijd met mijn kleinzoon doorbrengen. Hij is nu acht jaar oud en dat is de ideale leeftijd van een kleinkind voor een opa.

 

Het tweede grote project is de uitgave van de werken van Hadewijch waaraan ik samen met Veerle Fraeters van het Ruusbroecgenootschap werk en waarvan heden alleen de liederen uitgegeven zijn. Hopelijk heb ik in de nabije toekomst meer tijd om hier werk van te maken.

 

Op welke manier heeft uw wetenschappelijk onderzoek uw persoonlijke leven beïnvloed?

Iemand die bezig is met teksten uit het verleden heeft op een bijna vanzelfsprekende wijze oog voor de dingen die voorbijgaan. Ik wandel anders door een stad dan de meeste mensen, vermoed ik. Ook het besef van tijdelijkheid waarvan de middeleeuwse teksten doordrongen zijn, mis ik wel een beetje in onze nogal hoogmoedige, zich superieur achtende cultuur.

 

Mijn leven is zeker verrijkt door de vele mensen met wie ik heb mogen samenwerken en die vaak vrienden zijn geworden. Mensen als de Utrechtse hoogleraren Wim Gerritsen en Frits van Oostrom en de vorig jaar overleden Louis Grijp, maar ook mijn medewerkers hier, blijf ik waarderen. Wellicht omdat het onderzoeksgebied van de medioneerlandistiek zo klein en broos is – "Wat is jullie nut?", is een vertrouwde vraag – zijn we er ons van bewust dat samenwerking belangrijk is. Wij lazen elkaars teksten, gaven kritiek en hebben elkaar zo vooruitgestuwd. Dit steekt af tegen het competitiemodel dat meer en meer opgang maakt. Niet alleen binnen de academische wereld.

 

Welke rol hebben de studenten in uw loopbaan gespeeld?

Ik heb steeds heel graag lesgegeven, ook al heb ik voor elk college en tot op de dag van vandaag een milde vorm van plankenkoorts gevoeld. Als kind was ik heel serieus, een beetje oud voor mijn leeftijd. Ik zat tot wanhoop van mijn moeder ook steeds met mijn neus in de boeken. Toen reeds kon ik mij niets mooiers voorstellen dan onderzoek en onderwijs.

 

Het is mij een genoegen geweest om steeds met jonge mensen samen te mogen werken en ik geloof dat zij van mij een relatief jonge emeritus gemaakt hebben. Ik heb ook steeds veel tijd gestoken in projecten met studenten zoals de redactie van een boekje of het gezamenlijk schrijven van een Wikipedia-artikel. Dat is tijd die ik ook in 'echt' onderzoek had kunnen steken, maar deze dingen gaven mij steeds heel veel voldoening.

 

Ik heb hierdoor het ouwelijke dat ik vroeger veel meer had, kunnen laten varen. Bij mijn laatste hoorcollege had ik het gevoel dat ik jonger naar buiten ging dan ik hier 33 jaar geleden binnengekomen was.