de kerk

kortverhaal

05/12/2018
Auteur extern

Joran Simoens


De vele kerkbezoeken maakten van hen nog geen devote Christenen.

In de verlaten hal woei een kilheid die zich uitstrekte tot aan het altaar, waarachter drie kleurrijke glasramen taferelen uit warmere tijden afbeelden. Als vakantiekiekjes die zonnige groetjes meedeelden aan het thuisfront, poseerden de personages in al hun arrogantie, wegkijkend van de camera en zichtbaar genietend van de gele lichtbal die rond hun hoofd hing. Het meisje was op zich al een koukleum, maar zoals honger de kop opsteekt bij de geur van bereid voedsel, zo stierf ook de laatste warmte in haar lichaam bij het zicht van Bijbelse figuren die zich slechts in een simpel gewaad kleedden. Zelfs de enkele kaarsen naast haar slaagden er niet in het evenwicht te herstellen.

“Blijf daar toch van af, dat is voor de doden”, zei ze fluisterend.

“Ze mogen hun kaarsen hebben hoor”, zei hij terwijl hij zijn aangestoken sigaret in de mond stak. “Maar zo hebben de levenden er tenminste ook nog iets aan.”

De balans bij mensen die merken dat er iets te rapen valt, is immer in hun nadeel. De man was daar de exponent van. Al sinds hun eerste afspraakje was het het meisje opgevallen hoe vaak de redenering zijn gedrag onderbouwde. Of het nu ging om afkijken bij een examen of stelen uit een grootwarenhuis: telkens verantwoorde hij zijn acties met de redenering hoe oneerlijk het leven was en hoe hij daar steeds de dupe van was. Hij bleef zijn bijl maar in de schors hakken tot de schaduwen van de betreffende bomen hem niet langer het zonlicht ontzegden.

“Ge hebt nooit verteld dat ge zo gelovig waart.”

“Het heeft niks met geloof te maken.”

“Het heeft er alles mee te maken, meisje.” Hij dumpte de as in het schaaltje onder de kaarsen. “Zonder dood geen religie, of denkt ge dat mensen hier elke week hosanna hoezee zitten te zingen voor de schoon ogen van meneer pastoor?”

De man lachte en doorheen de aswolk knipoogde hij plagend naar het meisje. Net als het topje van zijn kankerstok lichtten zijn ogen op wanneer hij zich in zijn sas voelde en het zich permitteerde haar een beetje op stang te jagen. Over haar boom hield hij zich meer op de vlakte, maar de bijl in de aanslag sprak voor zich.

“Mensen komen hier niet alleen om over de dood na te denken”, zei het meisje. “Er is genoeg leven om over te praten.”

“Waarom hebben ze daar dan een kruis hangen en geen kribbe?”

“Omdat een kruis het teken is van de kerk.”

“En waarom is een kruis het teken van de kerk?”

“Hoe belachelijk zou het zijn om daar een kribbe te hangen?”

Ge ontwijkt de vraag, schat”, zei de man. “Het kruis is he–”

“Kan je me alsjeblieft geen ‘schat’ noemen?”

De man bevroor in zijn uitleg en bekeek het meisje alsof ze hem net op een leugen had betrapt. Langs zijn gezicht gleed de zelfingenomenheid als kaarsvet naar beneden en zonder een antwoord klaar concentreerde hij zich verder op zijn sigaret. Zo nu en dan gluurde hij naar het ongemakkelijke postuur van het meisje. Hij merkte hoe nerveus ze was voor de komst van de godsdienaar.

“Nog altijd niet op uw gemak bij hem?”

“Na een tijdje loopt het wel los”, zei het meisje. “Hij is altijd wat stil in het begin.”

“Zo gaat dat met pastoors hè.” De man wilde zijn uitspraak illustreren met een vunzige mop, maar kon zichzelf bedwingen.

“Die zijn alleen intiem met God, dus als er een prachtige vrouw als gij langskomt, slaat het daar vanboven allemaal wat tilt.”

“Hij doet alleszins zijn best.”

“Mag ook wel hè”, zei de man. “Anders heeft het weinig zin dat ie u naar hier laat komen.”

Het meisje was te jong om te snappen wat hem er toe dreef verwachtingen te behandelen als een geweer dat je moest blijven herladen. De bezigheid moest hem alleszins enkele jaren van zijn leven beroven. Hij kon geen goed nieuws horen of hij temperde alle vreugde met zijn waarschuwingen en voorspellingen die het einde van de wereld aankondigden – of zijn gesprekspartners het nu over de economie of een huwelijk hadden. Dat de mensen gaandeweg hun verhalen op zak hielden, interpreteerde hij met plezier als een teken van zijn correcte profetieën.

De pastoor was een heel ander verhaal. Die verwachtte enkel het uiterst noodzakelijke en bekeek je niet vies als je zelfs aan die standaard niet kon voldoen. Alles was bespreekbaar bij hem – vooral de stiltes. Hij was gefascineerd door wat er in haar hoofd omging en bij momenten vergat ie zijn eigen zinnen, omdat hij zich realiseerde dat hij helemaal niet naar zijn eigen stem wilde luisteren. Samen maakten ze de twee uur vol, waarna hij telkens de enveloppe met geld aan de man meegaf en vroeg of het volgende week op hetzelfde uur paste.

“Ik vind hem leuk.”

“Leuk?” De man blies de rook in de richting van de muur en staarde haar aan. “Leuk-Leuk?”

“Hij is een goeie man.” “Het is een pastoor”, zei de man. “Die zijn dat contractueel verplicht. Klootzakken laten ze Gods woord niet verkondigen hoor.”

“Hij geeft om mensen.”

“Nogmaals schat, pasto–”

“Ik ben je schat niet!” Haar stem draafde als een op hol geslagen paard doorheen de kerk. De echo die daarop volgde werd onderbroken door een opengaande deur aan de andere kant van de kerk en voetstappen die stilletjes hun richting uitkwamen. De man doofde vloekend zijn sigaret en greep het meisje bij de arm beet.

“Luister goed, schat”, siste hij haar toe. “Voor mijn part wordt ge dikke vriendjes met meneer pastoor maar die vent betaalt ons godverdomme goed geld om uw gezicht te zien, dus ga niet het emotionele wicht uithangen omdat hij ocharme ochee een goed mens is.”

Het probleem met goede mensen was dat ze altijd werden bekeken als uitzonderingen die zoals kinderen met het syndroom van Down met een afwijking op de wereld waren verschenen. Wie er één tegenkwam bewonderde de schattigheid ervan, maar kon niet ontsnappen aan een gevoel van medelijden. Deze exemplaren waren zogezegd gedoemd het leven te ondergaan als naievelingen. De schittering in hun ogen mocht nog zo helder zijn, goudkoorts zou het nooit opleveren. Maar, zoals de pastoor haar eerder had verteld, haalde goud zijn waarde omdat het niet overvloedig aanwezig was in de wereld – net zoals goede mensen.

De godsdienaar verscheen zoals altijd in zijn witte gewaad, zijn haar geschoren alsof zijn kapper een voormalig tuinman was. Hij verwelkomde hen en vroeg niet naar het tumult dat zonet doorheen de zaal had geloeid.

“Ik heb thee gezet”, zei hij. “We kunnen achteraan zitten vandaag. Daar zijn we op ons gemak.”

Het meisje had genoeg aan die uitnodiging en beende tussen de rijen banken door naar de openstaande deur. De man maakte zich klaar om twee uur te wachten en zocht in zijn zakken naar het pakje sigaretten om de tijd te doden. Alleen merkte hij dat de pastoor het meisje niet achternaliep en bij hem bleef staan.

“Ik heb drie tassen als u wilt”, zei de pastoor.

“Dat is heel vriendelijk”, zei de man. “Maar thee is voor mensen die tijd te veel hebben.”

“Ik kan altijd koffie zetten.”

“Nogmaals: heel vriendelijk, maar ik ben hier alleen maar om te zorgen dat u het zwijggeld betaalt. Wat u met uw dochter aanvangt, gaat me weinig aan. Ik wil er alleen geen deel van uitmaken.”

De Kerk had de periode van bekering al een hele tijd achter zich gelaten, dus drong de pastoor niet langer aan en gunde de man zijn intimiteit met de sigaretten. Zelfs al erodeerde het de knusse geur van zijn kaarsen, iedereen brandde op zijn manier wel een lichtje – of het nu voor doden of levenden was. Het hem verbieden hier te doen, zou alleen maar aanleiding geven tot een verdere afstand tussen mens en wereld.

De pastoor vond het meisje in de kamer met haar rug hem toe. Hij zag hoe ze de foto vasthield die hij speciaal voor haar was gaan zoeken in zijn persoonlijke archief en hem hier prominent had klaargelegd. Uit welk jaar het precies dateerde was niet geweten, maar hij vermoedde dat het ongeveer twintig jaar geleden moest zijn, toen de kerk nog overvol zat en hij bij de omliggende, ongelovige huizen moest aankloppen met de vraag of hij stoelen in bruikleen mocht meenemen. Haar gezicht zag hij nog zo voor zich, telkens op de eerste rij en altijd glimlachend nadat ze de hostie had aangenomen.

“Er zijn vrouwen voor wie we alles overboord gooien”, zei hij.

Het meisje week niet van haar positie. Ze staarde naar de foto alsof het een spiegel was die haar vertelde wat voor transformatie ze had ondergaan nu de gezichtstransplantatie achter de rug was. Ze vertoonde in de verste verten geen gelijkenissen met de vrouw in haar handen. Er was geen enkel aspect dat viel te linken. En toch had de pastoor haar vanaf dag één verwelkomd als de befaamde verloren dochter, al jarenlang onderwerp van de roddels die in alle cafés de ronde deden en waar ook de man het had gehoord. Met een geniaal plan – naar eigen zeggen onfeilbaar – was hij naar het meisje gekomen, overtuigd dat ze er goed geld aan konden verdienen. Als je de toekomst voorspelde, lachte iedereen je weg, maar kleurde je een grijs en onduidelijk verleden in, dan ging iedereen blind mee in je verhaal. De wetenschap had uitgewezen dat je een valse herinnering bij iemand kon inplanten door een verhaal drie keer te vertellen, telkens met meer details. De man had echter genoeg gehad aan de meest algemene versie om de pastoor te overtuigen.

“Waarom geef je ons dit geld toch?” Het meisje voelde hoe de tranen uit haar oogleden ontsnapten. “Ik ben je dochter niet. Dat ziet toch iedereen.”

Iedereen buiten de pastoor misschien. Hij zag hoe het meisje op haar benen stond te trillen en kwam dichterbij, maar op ongeveer een armlengte afstand bleef hij staan en wachtte tot ze het aankon om hem aan te kijken. Toen ze dat liet afweten, waagde hij het haar aan te raken bij de schouder, en toen ze zich niet terugtrok, liet hij zijn hand door haar lokken gaan.

“Ik weet het”, zei hij kort. “Ik wist het al vanaf de eerste keer. Maar als ik het geld niet geef, hoe weet ik dan of ik jou nog zal zien?”

Pas een moment of twee na zijn laatste woorden, durfde de vrouw zich in zijn richting te draaien. De pastoor wist welke regels hij allemaal schond met zijn eerlijkheid, maar ook zijn geloof in God liet hij leiden door een gevoel. Waarom nu dan niet? Er was liefde die een dag duurde, een week, een maand, een jaar en zelfs een heel leven, en op voorhand kon je nooit weten wanneer het precies eindigde. Maar met deze passie en schoonheid wilde de pastoor zich telkens opnieuw in de zee gooien zonder dat hij wist wanneer hij opnieuw boven water kwam.