Sufjan Stevens: de (muzikale) verlichting nabij

de dwarsdoorsnede
19/04/2015
Sufjan Stevens
🖋: 

dwars slijpt het virtuele fileermes en gaat langs de graat van boeken, films, series, games, muziek, theater, haarproducten en rubberen eendjes. Deze keer beluisterde redacteur Thomas Konings Carrie & Lowell, het nieuwe album van Sufjan Stevens. De Amerikaanse singer-songwriter verlaat de sterrenhemel van The Age of Adz, maar neemt wel de schitterende fonkelingen mee.

Van een koorknaap als Sufjan Stevens verwacht je niet dat hij zich bezighoudt met het opvolgen van de laatste trends. Toch is het opvallend dat hij zich in het jaar van de selfiestick focust op zijn eigen verhaal en daarmee – net als bijvoorbeeld Björk en Kanye West – hogere krachten en sferen als natuur, technologie of sacraliteit verlaat om ons een inkijk te geven in zijn hart en hersenen. De mythologische gordijntjes die met kleurrijke en sprankelende blieps gekleurd werden ten tijde van The Age of Adz, gaan op Carrie & Lowell open en we krijgen een uitgekleed en persoonlijk gebeente te zien dat opgebouwd werd uit spaarzame folkklanken.

 

De verschuiving naar een intieme sound gaat dus ook gepaard met een verandering naar een intiem verhaal; een relaas over het leven van zijn vader en moeder, de verschillende wegen die ze bewandelden en de impact die al die gebeurtenissen uitoefenden op de Amerikaanse singer-songwriter. Daarbij zingt Stevens bevrijd van alle wrok en andere woedevormen. Wat overblijft, heet rust en melancholie. Essentieel om dit album te begrijpen is het besef dat de artiest niet de bedoeling heeft de pijn van weleer terug naar boven te halen. Sufjan is een optimist die dankzij zijn geloof geleerd heeft mensen te vergeven.

 

Dat resulteert in een langspeler die het in de eerste plaats moet hebben van pure schoonheid en, ondanks een aangepaste vertelstijl, ook van betovering. De single Should Have Known Better is zo’n moment waarop een typische fonkeling uit het werk van de artiest naar boven komt. Tekstueel vertaalt zich dat in de verlichting die zijn nichtje brengt; een ouderwets kermisdeuntje, belletjes en fluisterende koorzang doen instrumentaal hetzelfde trucje. Zelfs in het qua thematiek bijzonder donkere Fourth of July vindt de folkie in de vorm van juiste metaforen en troostende woorden een fakkel om alle naarheid te bestrijden, waardoor zelfs de terugkerende slagzin (“We’re all gonna die”) na verloop van tijd geruststellend overkomt.

 

Ook op Carrie & Lowell wordt het nodige belang gehecht aan lyrics. Toch maakt Stevens het verschil door evenzeer te concentreren op de sfeerschepping en een weliswaar ingetogen, maar toch ook wondermooie inkleding. De muzikant zijn stemgeluid straalt op zich al de kerngevoelens van deze zevende worp uit, terwijl dromerig en zelfs hemels gitaargetokkel naast zeldzaam bijkomende instrumentatie het licht verteerbare, maar diep ontroerende geluid mogelijk maakt.

 

Sufjan Stevens mag anno 2015 dan wel zijn eigen persoon uit de schaduw tevoorschijn toveren, net als Björk weet hij dat op een serene, gepaste en pakkende wijze te doen. Daarbij staat het blijhartige centraal en streelt de Amerikaan de zintuigen met zoete maar innemende middelen.