Over snotneuzen, pretparken en Samson en Gert

Bij Monde van Du Mon
17/10/2012
🖋: 

Er zijn zo van die ongelooflijk ijverige studenten die van een andere planeet lijken te komen en een buitenaards gevoel voor timemanagement hebben. De studentus voluntaris is een ras apart en ik heb het op mezelf genomen om, door middel van buitengewoon slechte schaduwtechnieken, de natuurlijke habitat van deze soort in de schijnwerpers te zetten. Deze maand ga ik mee met Akabe, scouting voor jongeren met een lichamelijke of mentale beperking.

Het is vroeg en koud op zondagochtend wanneer ik Lynn C. ontmoet op de scoutsterreinen van Schoten. Met een fotocamera in de hand ben ik klaar voor de Akabe-vergadering. Vandaag op het programma: een bosspel. Ik word opgewacht door zeven scoutsleidsters (waarvan enkele stage doen) en vijf kinderen met een mentale handicap. “Oké, allemaal in formatie!”, roept Lynn. Gretig zetten de kinderen zich klaar en heffen plechtig hun rechterhand op. Marnix, een 17-jarige jongen met een mentale achterstand en waanvoorstellingen, heeft de eer om het woord te voeren. Na de officiële opening zetten we stevig de pas richting het bos. Onderweg praat ik met de leiding. Zo vertelt Lynn me een en ander over de Akabe-werking. “De Akabe-tak komt om de twee weken samen op zondag. Op die dag hebben we een zogenaamde vergadering waarin we spelletjes spelen of op uitstap gaan. Eens per jaar gaan we ook op weekend. Dat is meestal in het binnenland. Onze spelletjes zijn altijd aangepast aan de kinderen natuurlijk.” Ik vraag waarom ze zich hiervoor engageert. “Ja, dat is eigenlijk per ongeluk gebeurd. Ik tuimelde er zowaar in. Ik wou wel leiding geven, maar ik had geen zin om bij de 'gewone' takken terecht te komen. Toen dacht ik aan Akabe, en het beviel me meteen. Het is een heel erg dankbare taak om met deze kinderen dingen te doen.”

 

Drugsdealers

In het bos leggen Lynn en Karo(lien) het spel uit. Vandaag zijn de kinderen ‘drugsdealers’ die van hun kamp zakjes bloem (‘drugs’) naar de ‘drugsbaronnen’ moeten smokkelen. Opgepast, want er lopen ‘politieagenten’ rond in het bos, dus de kinderen moeten snel en vernuftig zijn. En ook die zakjes drugs moeten verdiend worden. Dat doen ze door opdrachtjes uit te voeren. De kinderen hebben er duidelijk zin in en beginnen meteen gretig een kamp te bouwen. Ninke, een meisje van zeven met een glutenallergie en een fysieke en mentale achterstand, staat hevig met een tak te zwaaien. Een schattiger meisje kan ik me niet inbeelden. Ik word afgeleid door gesnuffel. “Je moet altijd zakdoekjes bijhebben”, weet een leidster me te vertellen. Ik zie hoe Hannes, een 14-jarige jongen, ongemakkelijk rondloopt met een snottebel om ‘u’ tegen te zeggen en begrijp wat ze bedoelt. Regelmatig spurt er een kind naar de zakdoekendoos en gniffelt terwijl het zijn neus ledigt. Deze kinderen zijn echte lieverds. Ik word er zowaar gelukkig van, gewoon omdat zij zo gelukkig zijn tijdens het spel. Ze rennen van hot naar her en schateren zich te pletter als ze gesnapt worden door de politie. Ook de leiding is aangenaam en gemotiveerd.

 

Tijdens het spel wordt er al eens uitgerust; van al dat rennen word je wel moe. Marnix blijft naar me toe komen en pakt steeds uit met lugubere verhalen over loopings en pretparken en mensen die er in blijven vaststeken. Toevallig kent hij ze ook allemaal. Later vertrouwt hij me toe dat hij zeven jaar geleden zijn oudere broer verloor. Zijn broer kreeg een rotsblok op zich tijdens een scoutskamp in het buitenland. Ik voel de grond onder me wegzakken. Hoedje af voor zijn ouders die nog steeds in de scouts-spirit geloven. Ik leg pseudo-freudiaans de link met zijn lugubere verhalen. Maar veel tijd om na te denken krijg ik niet, want enkele momenten later toont hij me trots een pissebed dat hij moest zoeken in ruil voor een zakje drugs. Ik trek bleek weg. “Je gaat me toch niet vertellen dat je bang bent voor een pissebed?” lacht hij. Goh.

 

Zwoegen voor die suikerwafels

Thomas is zestien en heeft het syndroom van Down. In horten en stoten probeert hij me van alles mee te delen. Over zijn zus die hockey speelt, zijn ouders en zijn liefde voor Samson en Gert. “Thomas houdt van zingen. Als je de radio wil afzetten, wordt hij kwaad.” Spontaan begint hij de Plopdans te zingen. Hij buigt ritmisch mee door zijn knieën en toont na zijn mini-optreden de breedste glimlach. “Weer een zakje verdiend!” juichen we hem toe. Maar hij is alweer weg om een flinke som nepgeld te verdienen. Ook Robin komt trots met een enveloppe zuurverdiend geld aanhollen. “Hahaha, we worden keirijk!” roept hij al van ver. De bank beaamt zijn vermoeden.

 

Op het einde van het spel wordt het kamp afgebroken en beginnen we aan onze tocht naar de scoutsterreinen toe. De kinderen zijn moe van het lopen en ik heb het, niet eens stiekem, extreem koud. Ninke neemt mijn hand vast en ik stel vast dat ze het nóg kouder heeft dan ik. “Lalalala,” lalt ze. Soms laat ze zich helemaal hangen, een dood gewicht, en moet ik abrupt stoppen om te kijken of ze niet gevallen is. Dat valt altijd wel mee. Aangekomen op de scoutsterreinen wordt het verdiende geld nageteld en – wat een geluk! – er is net genoeg verdiend om voor iedereen een suikerwafel te kunnen kopen. Behalve voor Ninke dan, zij krijgt chocolade. Een geslaagde smokkeloperatie, al bij al, zeker als ik de kinderen zie stralen. Zelf zou ik het misschien ook nog wel willen doen, zolang er maar geen pretpark aan te pas komt, met gevaarlijke loopings en machines die kunnen vastlopen.