Modieus Museum

Achter de Schermen van het MoMu en de Modeacademie
25/12/2002
🖋: 
Auteur extern
Saskia Martens en Julie De Mul

Sinds het begin van deze herfst is de langverwachte opening van de Antwerpse Modenatie een feit. Vanaf dan biedt het hoekpand aan de Nationalestraat en Drukkerijstraat onderdak aan een amalgaam van verschillende op mode gerichte organisaties, zoals het Flanders Fashion Institute, een bibliotheek en leeszaal, conferentieruimte, brasserie, galerij, kunstboekenwinkel en het prestigieuze, maar vooral hippe Modemuseum. Binnenkort betrekt ook de modeacademie het gebouw.

Het Modemuseum (MoMu) legt niet zozeer de nadruk op de manier waarop kledingstukken vervaardigd werden en worden; de aandacht gaat eerder uit naar de artistieke kant van het proces. Mode is een product van en heeft invloed op maatschappijen en is dus zowel historisch als actueel relevant. Om deze ideeën over te brengen bij het grote publiek opteerde het MoMu voor twee grote thematische en dynamische tentoonstellingen per jaar in plaats van haar museumstukken statisch, chronologisch en permanent op te stellen. Aanvullend zullen in de MoMu-galerij een viertal tentoonstellingen per jaar worden georganiseerd. Deze kleinere projecten worden ingericht door gastcuratoren uit verschillende disciplines zoals modefotografie, architectuur, theater, dans en video.

 

De eerste tentoonstelling Selectie 1: Backstage/Achter de schermen/Les coulisses is een introductie in de schatkamer aan kledingstukken die de Modenatie bezit. Men is vertrokken van het gegeven ‘depot’: hoe worden kleren bewaard achter de schermen van modemusea? Als bezoeker loop je tussen kartonnen dozen de tentoonstelling binnen. Kledingstukken werden oorspronkelijk bewaard in dozen, de Modenatie is sinds kort echter uitgerust met een modern kastensysteem. Je kan zien hoe kostuums, afzonderlijk verpakt in zuurvrij zijdepapier, zonder onderscheid naast elkaar worden opgehangen. Ze worden van hun voetstuk gehaald en op hetzelfde niveau geplaatst, of ze nu van de zestiende of eenentwintigste eeuw zijn.

 

In de tentoonstellingsruimte staan de kleren willekeurig door elkaar: historische stukken zij aan zij met ontwerpen van de nieuwste – voornamelijk Belgische – ontwerpers. De enige logica die terug te vinden is in de tentoonstelling, is de opstelling per kleur (wit, zwart en rood), per leeftijd en sekse (man, vrouw, jongen, meisje). Verder wordt er specifieke aandacht besteed aan Ann Salens, één van de eerste belangrijke Vlaamse modeontwerpsters. Het vrij nieuwe Antwerpse weefatelier Betet Skara en de historische Gentse katoendrukkerij Voortman worden net zoals een collectie jurken uit de jaren ’20 even in de schijnwerpers geplaatst. Ook borduurwerk, stoffen en kant worden getoond. Een aparte ruimte legt het belang uit van het tactiele aspect van kleding. Kleding is fragiel en verslijt door aanraking. Hier kan de bezoeker echter de replica’s van een zestal kledingstukken naar hartelust bepotelen. Ten slotte werd het restauratieatelier zo ingericht dat je door een glazen wand kan zien hoe museumstukken hersteld worden.