Van Rechts naar Links

Overzet aan zet
18/04/2006
🖋: 

Dat de Schelde, zich voortdurend herbronnende levensader van onze havenstad, niet enkel gekruist wordt door tunnel of brug (laat staan door Lange Wapper), is een gegeven door velen geweten, maar slechts door weinigen aan den lijve ondervonden. Hier en daar schieten immers witgekalkte veerponden als landtongen uit het kolkende scheldewater. Zij bewijzen vooral des weekends hun nut door wandelgrage toeristen, wielerfreaks en gewone stervelingen naar deze of gene zijde van de stroom te brengen. Zo ook te Hemiksem, alwaar een bedrijvige veerdienst om het halfuur nieuwsgierigen naar Bazel toe stuwt.

Wie bij de overzet Hemiksem-Bazel aan een gammel en onstabiel te water gelaten motorbootje denkt, komt bedrogen uit. Ook de kapitein van het veer blijkt in geen enkel opzicht een ietwat ongure afspiegeling van Kapitein Iglo te zijn. Geen afgekloven pijp, noch een door weer, wind en whisky aangetast aangezicht te bespeuren, maar wel een netjes in het pak gestoken dertiger met onder zijn commando een vijf weken oud en dus nagelnieuw schip. Dan mag een mens al eens fier zijn, stel ik vast. Kapitein Somers zeult ons wars van alle verbodstekens mee naar de machinekamer en steekt boven het gebulder van deze achtklepper een redevoering af die enkel met instemmend geknik van onze zijde afgestompt kan worden.

 

Eenmaal terug bovendeks, lichtjes teleurgesteld omdat de kapitein in kwestie geen voortdurend vloekende piraat blijkt te zijn, stuit ik als bij toeval op Roger: de verpersoonlijking van al wat scheepvaart was en nog had moeten zijn. Geboren en getogen op een binnenschip, onverstaanbaar voor zich uit mompelend en met zijn in een roze fleece gewentelde poedel op de arm, kan het haast niet anders of deze man heeft ooit nog oog in oog gestaan met afstammelingen van Moby Dick. Eenmaal aan de praat vertelt hij – enigszins verward, met lange tussenpozen en turende blikken richting horizon – een relaas recht uit het hart. “Ik heb jarenlang als binnenschipper mijnen boterham verdiend. Eerst bij mijn ouders op den boot en later as hulp bij ander. Sommige periodes... Ik stond op ne zevenhonderd tonner en wij vervoerden kerosine. Da was ne moeilijken tijd. Ge mocht daar ni smoren, da was te gevaarlijk, en daar haddek het ni makkelijk mé. Ook schoenen me stalen zolen mochte ni drage. Voenkskes é. Toen dattek drieëntwintig was emmek Maria ontmoet, die was van aan de wal. Ik wou toen heel graag, samen me haar, nen eigen boot beginnen. Daarvoor moete mé twee zen en vooral een vaarbewijs emme. Ik had da al, dus ons Maria maar probere. Ene keer, twee keer. Da ging ni. Enfin, ikke mijn plannen opgeborgen, en in de scheepsbouw gaan werken. Allé, ik heb daar van zijn leven geen spijt van gehad zene, soems wel, mo...ik zien haar veel te geire é. En na pakke wij same zo goed als elk weekend den overzet. Da gevoel van varen, die geur, da's magnifiek. Ik kan gewoonweg ni zonder.”

 

Wanneer het door lousy captain Somers behendig gemanoeuvreerde veer linkeroever bereikt en Roger en Maria zwaaiend afscheid nemen, bolt tot mijn grote verbazing een bende booster-reljeugd het dek op. Gezinnenprikkeld door dit bizarre gebeuren, wordt de pseudo-onderzoeksjournalist, niet vies van enig vooroordeel, in mij wakker. Ik voel mij geruggensteund door een dek vol getuigen, en gewapend met de gedachte dat gedurende maximaal twee minuten niemand van dit driekoppige combo aan mijn vragen kan ontsnappen, stap ik op hen af. Mijn verdorven brein verzint een alibi om schijnbaar achteloos toenadering te vinden tot deze vervaarlijk ogende jeugddelinquenten. Voorzichtig stel ik mij voor en druk hen op het hart dat ook ik ooit, in lang vervlogen tijden, een boosterbolide heb bereden. Eenmaal aanvaard, diep vanbinnen “Leve de leugen!” schreeuwend en met het hart bonzend in de keel, peil ik naar hun beweegredenen. Want wees nu eerlijk: veel valt er voor hen niet te beleven, daar te Bazel. De drie tieners, ogen op halfzeven en gniffelend zoals normaal alleen pubermeisjes dat zouden moeten kunnen, kijken elkaar beurtelings vragend aan. Waarop de leider van de gang het woord neemt en lichtjes gedegouteerd, doch met uitgestreken gezicht en kikker in de keel de ongeloofwaardige woorden “Euh van de natuur genieten enzo” stamelt. Yeah Right, denk ik bij mezelf, maar voor ik hen ongelegitimeerd verder op de rooster kan leggen starten zij hun motors en stuiven niets dan stof achterlatend weg.

 

Terug op vertrouwde bodem, rechteroever genaamd, staat een jonge moeder met haar prille kroost op het veer te wachten. Wanneer de man des huizes haar vervoegt, vertelt ze: “Deze boot, dat is pure vakantie. Vroeger, toen dat wij nog maar pas samen waren, fantaseerden wij altijd dat we hiermee naar Amerika gingen varen en dan was ik Grace Kelly, met zonnebril, wapperende sjaal en al. En de Patrick, ja, die moest dan wel Prins van Monaco spelen.” “En ge ziet met wat voor resultaat”, draagt Patrick trots zijn steentje bij tot het gesprek. “En met wat voor een resultaat”, beaam ik zachtjes. Lul.