Quo Vadis?

03/04/2005

In de enorme inkomhal heerst een voortdurend gonzen, door de luidsprekers met orgelmuziek ingezwachteld. De aangekomenen drentelen wat rond in de lange wachtrijen. Soms schuifelen ze enkele centimeters voort; daarbij ontstaat dan een collectief schouderwiegen dat de menigte de schijn van een processie in trance geeft.

De bedienden aan de check-in balies laten hun slanke vingers over hun toetsenborden zweven, ze kijken minzaam van mens naar scherm, en dan van scherm naar mens, en als de twee verschijningen zich naadloos verenigen, reiken ze de passagier het ticket aan, samen met een geurige welkomspraline. Dan pas wordt de reiziger zich bewust van de zwaarte van het moment, een honderdtal meter rest hem nog tot de Poort aan het einde van de inkomhal. Sommigen knijpen op dat moment de ogen toe en storten zich in één lange convulsieve ren op de Poort, anderen daarentegen worden net doodkalm en blijven nog dagenlang in de Hal. Ze kopen een kleine globe als souvenir, eten gebakken aardappelen in de kraampjes, laten vrijelijk hun hete tranen stromen.

 

Aan balie nummer 12 heeft zich zonet een wat oudere heer met een gitzwarte snor gemeld. “Nikos Karolopoulos, 84 jaar. Ik was galeriehouder in Athene.” “Welkom mijnheer Karolopoulos, ja, hier vind ik U. Mag ik U vragen hoe..., ik bedoel, misschien is het belangrijk.” “Gewoon, zomaar, de middag was heet, ik voelde me loom en vredig en ging even op de sofa liggen en dan...” “Ach zo, het is in orde hoor. Loopt u maar rustig door..À propos, wat is uw sterrenbeeld, mijnheer Karolopoulos?” “Mijn sterrenbeeld? Welja, het sterrenbeeld, ja... sterrenbeeld. Haha, de Zodiac, de dierenriem aan het eeuwige uitspansel waar we allen ons huisnummer verdienen. Wel, boogschutter natuurlijk!” De baliebediende heeft zijn vleugels achter zich samengetrokken, hij luistert nauwelijks nog, maar fronst zijn aureool en kijkt scherp en toch vriendelijk naar het gezicht van de oude heer. Dan slaakt hij een gil en door de grote hal giert een wervelstorm. Hekken ratelen vanuit het plafond naar beneden, uit de microfoons klinkt een snerpend bevel tot roerloosheid, wachters met laserzwaarden fladderen op balie nummer 12 toe. Enkele tellen later is het allemaal voorbij, zo snel dat je makkelijk kan geloven dat er niets gebeurd is. De oude Heer Karolopoulos wordt een rommelig zaaltje binnengeleid. In het midden zit een knappe dertiger met zachtbruine krullen, met zijn zware ritmische borst pompt hij een didgeridoo tot leven, op zijn rode shirt een beeltenis van Trotski. “Welgekomen, mijnheer Koala..Karalo.., ach wat, het kan ook zoveel eenvoudiger”, met een striemande haal ontdoet hij de oude Griek van zijn valse snor. “Karol W, ook wel Johannes II, secretaris van de Club van Galilea. Miljoenen aidsbesmettigen, een overbevolking die de planeet doet kermen, een cultus van lijden en bevoogding in een era van moderniteit. Wat is het ergste dat ik voor je kan doen? Karol Karol, koning Karol, van welke wereld is jouw rijk? Zal ik een kroon voor je vlechten?”

 

“Luister, Van Nazareth, ik heb nooit om je begrip gevraagd. Een revolutionair is altijd alleen en verguisd, ben je dat vergeten? Mijn taak is het voort te bouwen waar jullie”, met een hoofdknik naar de Rus op het shirt, “waar jullie zijn opgehouden. Burgerlijke rechten, respect, gelijkwaardigheid en vrijheid, dat is een mooie zaak, maar het is ook een peuleschil, een evidentie voor wie het bezit. Het geluk, dat jullie aan iedereen wilden schenken, draagt de ongelijkheid en uitsluiting in zich. Als iedereen vrij is in zijn gedachten, rationeel, zorgeloos, dan is de volledige vrije markt echt een feit. Dan worden emoties belegd en gewaardeerd volgens de regels van winstmaximalisatie, dan schenk je je aandacht en liefde aan de hoogste bieder. Dat is pas wreed en mensonterend. Tegenover jullie wellust van het geluk, stel ik de wellust van het lijden. Het lijden is voor iedereen bereikbaar, bijvoorbeeld ook voor de onooglijke oudjes en mismaakten die in jullie verweekte vrolijke utopie geen rol spelen, het is het Ultieme Egaliserende Principe. Er is enkel iemand nodig die soberheid, discipline, de ziekte en het lijden oplegt. Een onverbiddelijke dictator met zoveel liefde dat hij niet terugdeinst voor de haat die hij opwekt. Een Heiland!” Van Nazareth werpt een getergde blik op Karol en mompelt, net hoorbaar voor zijn dienaars: “het kruis”.