bij de hoveniers

de uren met Verschueren
27/10/2011

Je passeert elke lesdag duizenden mensen en plaatsen. Slechts een enkeling is meer dan louter figurant. Het is mijn ambitie om daar dit academiejaar verandering in te brengen. Elke maand ga ik voor dwars op zoek naar de verhalen van die dagelijkse passages en passanten. Deze maand ga ik op stap met de hoveniers van de buitencampus.

Telkens wanneer ik, Stadscampusmeisje, op de buitencampus kom, voel ik me Dorothy uit ‘The Wizard of Oz’ als zij zegt: “I’ve got a feeling we’re not in Kansas anymore.” Het is een wereld op zich met zijn lommerrijke lanen en imposante, koloniale gebouwen. Op een vroege maar mooie maandagochtend spreek ik in het Atrium af met de mensen die datgene verzorgen wat de buitencampus het meest van de stadscampus doet verschillen: het groen.

 

Bomen knuffelen

Als je vaak 's morgens vroeg het Atrium passeert, heb je die mensen zeker al eens aan het werk gezien. Het groen op Middelheim en Groenenborger wordt onderhouden door de leerlingen van de twee tuinbouwopleidingen van het deeltijds beroepsonderwijs van het Leonardo Lyceum. De leerlingen van de hoveniersopleiding staan in voor het onderhoud van de beplanting en de gazons, die van de opleiding tot arbeider in bos- en natuurbeheer – opvallend vaak mensen met dreadlocks – ontwerpen en volgen het natuurbeheerplan. Beide opleidingen duren twee jaar en combineren halftijds leren met halftijds betaald werken. Het Lyceum werkt hiervoor samen met het Departement Biologie van de universiteit. Geert Degrauwe is de coördinator van de hoveniersopleiding en wil mij vandaag inleiden in de wondere wereld van het groenonderhoud.

 

Wanneer ik iets na acht uur het Atrium binnenstap, zit er naast een enkele nog slaperige universiteitsmedewerker, bijna niemand. Studenten zijn er niet te bespeuren, maar in de hoek ontdek ik een groep kerels die wel eens mijn collega’s voor vandaag kunnen zijn. Als ik hen vraag of zij Geert soms weten zijn, antwoordt de flapuit van de groep: “Geert? Die is zijnen boom aan ’t knuffelen.” Het ijs is gebroken.

 

Even later komt een man met de haardos van Richard Gere op mij toegelopen. Geert stelt me voor aan zijn collega Johan die vandaag de tweedejaars begeleidt. Wanneer de hoofden zijn geteld en aan de afwezigen van vorige week naar hun excuus is gevraagd (“Ik zat bij de polis”), wordt de planning overlopen. De kerselaar waar Geert net afscheid van heeft genomen, hakken de tweedejaars vandaag om. Achter het Atrium komt een nieuw gebouw en daarom moet het ‘monument’ weg.

 

Terwijl iedereen de kerselaar bekijkt, bekijk ik iedereen. Er zijn bijna tien jongens met in het midden één meisje - een frèle engel met lumineus wit haar. De eerstejaars gaan vandaag met mij als hulp/last het pad dat boven de Craeybeckxtunnel loopt onkruid- en grasvrij maken. In de opslagplaats, een klein gebouw naast het Atrium, halen we wat we nodig hebben. Tientallen schoppen, borstels en rijven hangen er aan de muur naast allerlei andere spullen om de natuur te soigneren en beheren. Om de rapper Coolio te imiteren: “It’s a gardeners paradise.”

 

Borstelen, blazen & branden

We vertrekken naar Middelheim. In de kelder van Gebouw T geeft Geert me werkschoenen. Hij toont ook het klaslokaal waar de leerlingen theorie krijgen. Wanneer er buiten niets gedaan kan worden, zitten ze vaak hier. Dan wordt vooral de plantenkennis getest, want een hovenier moet het jaar rond planten kunnen herkennen.

 

Daarna halen we de borstelmachine die het onkruid uit de grond, nu ja, borstelt. Iedereen mag een keer met het ding rijden, zelfs ik. Uit een ander gebouwtje halen we de onkruidbrander. Het meest effectieve zijn niet de vlammen die uit de machine komen, maar wel de infraroodstraling die de cellen in de plant doet barsten. De machines zijn verzameld, so let's get busy baby! Geert heeft er wijselijk voor gekozen om de zware machines door de jongens te laten besturen. Ik krijg Ghostbusters-gewijs een rugzak waar een soort slang aanzit, oftewel de bladblazer. De bladeren vliegen van het pad op de blinkende BMW ernaast. Ik krijg al snel een rijf in handen.

 

De jongens die hier aan het werk zijn hebben heel uiteenlopende verhalen. De meesten komen van het middelbaar, maar zonder diploma. Wannes heeft KSO gedaan en heeft een paar jaar als tuinman gewerkt. De artistieke drift is er nog, getuige de snelschets van een schedel op zijn werkhandschoen. Ben vertelt mij op een opvallend rustige toon dat hij autistisch is en daarom in het Buitengewoon Secundair Onderwijs les heeft gevolgd. “Op mijn vorige school hadden ze al die verschillende gereedschappen en machines niet”, verzucht hij. De vierde man, een boomlange Georgiër, valt met zijn kraakwitte gymschoenen – maat 48 – een beetje uit de toon. Zijn proeftijd, de tijd waarin leerling en docent kunnen beslissen of de leerling wel geschikt is voor de opleiding, zit er bijna op. Hij gaat waarschijnlijk stoppen en werk zoeken in een fabriek.

 

Wanneer iedereen aan het werk is en alleen ik doelloos met die rijf in handen sta, praat ik met Geert. Hoe reageren de studenten eigenlijk? “We worden niet vaak aangesproken. Ik heb hier wel al een paar keer zware cannabisgebruikers in de opleiding gehad en die werden soms bijna paranoïde. Eentje dacht dat er studenten met hem aan het lachen waren en werd toen echt kwaad.” Geert vertelt echter ook een heel positief verhaal over een Marokkaanse jongen die een tot in de puntjes verzorgd herbarium maakte. Dit terwijl hij moest opboksen tegen zijn omgeving die tuinieren als ‘vrouwenwerk’ bestempelt.

 

Om vijf uur zit de werkdag er op. Het pad is onkruidvrij en de kerselaar ligt tegen de grond. Men klopt de modder van de schoenzolen en slaat het stof uit de kleren. Het is fantastisch dat jonge mensen de natuur hier niet alleen in laboratoria en tijdens colleges onderzoeken, maar ook in de openlucht als toekomstige hoveniers.