editoriaal

14/05/2022
Editoriaal Dominique (© Hanne Collette | dwars)
🖋: 

Het vlieden van de tijd beangstigt me. Ligt het aan mij, of lijkt hij onze omgeving steeds sneller te doorkruisen? Mijn beste vriendin woont ondertussen een maand samen, mijn oude jeugdvriend heeft sinds kort een baan en een huis en ook het academiejaar is met een vloek en een zucht voorbijgesneld. Ik zal je de obligatoire nostalgische terugblikken op het afgelopen dwarsjaar, de imminente examendreiging en de daarbij horende betekenisloze succeswensen besparen: een extra herinnering aan een voorbijgesneld jaar, zit men daar nu écht op te wachten? 

Hoe is dat dan toch mogelijk, dat die eeuwige zandloper mij steeds weer overvalt? Ben ik dan slechts een hopeloze nostalgicus? Gaat de wereld om me heen dan écht sneller dan ik kan bijhouden? Hoe dan ook blijft dat knagende stemmetje in mijn hoofd zeggen dat ik sneller moet, dat ik stil sta op de autostrade: ik woon nog altijd op een krom, krakend, door muizen geplaagd kot, heb het nooit gepresteerd om de liefde langer dan een jaar vast te houden en na zes jaar aanmodderen mag ik er na dit semester nóg een jaar bijschrijven vooraleer ik eindelijk mijn masterdiploma haal. Of ja, zou kunnen halen

Ook binnen dwars blijven mijn jaren me achtervolgen. Je zal me wellicht zien als vers bloed, de jonge, debuterende editoriaalschrijver met de inspirerende blik op de foto, onbezoedeld door jaren aan ellenlange vergaderingen, gemiste deadlines en writer’s blocks, maar niets is minder waar. Ik mag mezelf met recht tot de oude rotten van het studentenblad rekenen, en elk jaar wordt dat duidelijker. Ook in deze dwars kan je artikelen bewonderen in sprankelende stijl, van redacteurs die een flinke tijd na de eeuwwisseling pas het levenslicht hebben gezien. Voor wie MSN-berichtjes, RuneScape en Nokia’s misschien slechts relieken uit oude Netflixseries zijn. Goed, na al die jaren voldoen mijn schrijfsels keurig aan de eindredactieregeltjes en het stramien van onze stijlgids, daar valt natuurlijk wel iets voor te zeggen. Kan het soms ook niet wat lonen een oude rot te zijn? 

Ik begin het zelf in ieder geval steeds meer te geloven. Althans, daar dwing ik mezelf een beetje toe. Zeg nu zelf, blijven zwelgen in zelfmedelijden is toch ook geen optie? Ben ik mezelf nog wel als ik mijn romanticisme en hang naar nostalgie pertinent de deur wijs? Nee! Als ik dan toch mijn onvrede moet uiten over de moderne tijd en over hoe snel die gearriveerd is, dan liever als tijdloze anachronist dan als zelfvernietigende pessimist. Steeds vaker wordt mij het verwijt gemaakt eruit te zien als een regelrechte jarenzeventiger. Kan mij het iets schelen! Hup, de stoute All Stars aan, Doe Maar op maximaal volume op de iPod, de wind door de iets te lange haren, op naar de boekenwinkel voor een afgedankte Jan Wolkers … die liefde, dat diploma, dat deftige huis, die komen nog wel. Voor nu geniet ik van de vrijheid die ik heb om de verkeerde richting in te mogen rijden. De tijd gaat toch net iets minder snel op een oud Casiohorloge. 



editoriaal

25/04/2022
Editoriaal Margaux (© Amber Peeters | dwars)
🖋: 

Zo nu en dan besluit ik dat nú het beste moment is om me te wijden aan allerhande projecten, diverse ideeën die me als persoon verrijken zouden. Een écht goed kopje thee zetten bijvoorbeeld, met losse thee in plaats van builtjes, alsof op die manier mijn theïneverslaving een air van rechtvaardiging zou verkrijgen. Een theecantus op Calamartes later voel ik me zowat volleerd. En dat allemaal nadat ik één online artikel uit 2017 las. De nieuwe homo universalis worden is helemaal niet zo lastig als het lijkt. 

Toegegeven, dat hangt af van je definitie van homo universalis, maar goed, ik sta niet boven enige laster over Da Vinci om mijn punt te bewijzen. Zijn we zéker dat hij al die zaken zelf deed? Hij lijkt me ook maar een renaissance-Fabre: Het Laatste Avondmaal werd vast geschilderd door overwerkte jobstudenten. Mochten we daar ooit een bewijs van terugvinden, kan ik de advocaat van Da Vinci al horen: ze konden niet tegen de Da Vinciaanse werksfeer, dat was alles, in renaissance-Italië is niets dubieus gebeurd. En al die zogenaamde uitvindingen van Da Vinci? Dat kan eender welke Leonardo gedaan hebben! DiCaprio lijkt me wel in staat om een mooie onderzeeër in elkaar te steken. Doet 'ie vast in zijn vrije tijd. In zoveel films speelt hij toch niet meer. 

Een lekker kopje thee zetten, renaissancefiguren zwartmaken, welke talenten heb ik nog nodig om een mulier universalis te zijn? In tegenstelling tot Da Vinci – ik zeg het maar! – haal ik wél mijn deadlines voor mijn studie: geen taak komt te laat binnen bij mijn teerbeminde professoren. Ik kan fietsen in de krochten van de verkeershel die de binnenstad van Antwerpen is. Onder mijn arendsoog raakt elke augiasstal uitgemest en gepromoveerd tot brandschone balzaal. Ik neem complimenten in ontvangst met de zelfverzekerde bravoure van een driejarige die iets voor de eerste maal succesvol zelf heeft gedaan. Ik stuiter door elke ruimte met het volgende briljante idee in mijn hoofd, immer klaar om me een nieuwe creatieve uitlaatklep eigen te maken. Op die manier is alles zelf willen doen slechts zelfontwikkeling. Ik kom steeds op tijd (omdat ondergetekende hoofdredacteur tien minuten te laat niet meer als te laat rekent, klopt deze stelling, n.v.d.r.) Wat ik niet kan? Leonardo heten. En koffiezetten, dat ook niet. 

Neem er een kopje thee bij en vertel, op welke manier ben jij de persona universalis en overtref jij de Leonardo van jouw vakgebied? Nee, nee, er bestaat geen noodzaak tot zelfdepreciatie, de dag wordt een pak beter wanneer je jezelf de hemel in prijst. Waardering is zoiets wat het best vanuit jezelf komt, hoe lastig dat soms ook lijkt. Dat je ego te groot zou zijn, ach, dat verwijt krijg je toch al bij het minste, en zelden vanuit een richting die je zelf uit zou willen.  



poëzie

25/04/2022
vrvlng (© Hanne Collette | dwars)
🖋: 
Auteur extern

Benjamin Heirbaut


Duimendraaien 
draait mijn luim 
luidt de draad 

Nietsss …

Duimendraaien 
daadt te luid 
duidt de maat 

Rust   één  twee
Rust   één  twee
Rust   één  twee 

Rust. 



poëzie

25/04/2022
Poëzie (© Hanne Collette | dwars)
🖋: 

Laat je los 
Los te laat 

Jij te laat, te los 
Ik te vast, te vroeg 

Heb wordt had 
Kunnen zijn 



close-up

25/04/2022
Close-up Muziek (© Amber Peeters | dwars)
🖋: 

Mogen we de klassieke muziek weldra ten grave dragen? Succesauteur Ilja Leonard Pfeijffer omschreef het genre als een mummie aan het infuus: vergane glorie die tevergeefs in stand wordt gehouden. Wie het programma van de belangrijkste concertzalen bekijkt, merkt een gebrek aan diversiteit. De canon van de klassieke muziek bestaat vooral uit Europese mannen die het tijdelijke voor het eeuwige hebben ingeruild. Tijd voor verandering?

Buiten de grenzen van het Europese continent laat de negenennegentigjarige Emahoy Tsegué-Maryam Guèbrou een frisse wind waaien door het muzikale landschap. De Ethiopische componiste staat niet alleen bekend om haar lange achternaam, maar ook om haar virtuoze pianospel. Gemakshalve houden we het op Emahoy; Giorgio Vasari heeft het in zijn Vite ook niet over Buonarroti. 

Over de levenswandel van Emahoy kan een roman geschreven worden. Als kind van de Ethiopische aristocratie genoot ze muzikaal onderricht in Zürich en Caïro. Net als dat andere muzikale wonderkind, Wolfgang Amadeus Mozart, trad ze op aan koninklijke hoven. Zo was keizer Haile Selassie een groot bewonderaar. Emahoy had het sociaal kapitaal, de financiële middelen en het talent om uit te groeien tot een gerenommeerd concertpianiste. De Schepper besloot daar anders over. Na een zwerftocht door haar thuisland Ethiopië gaf ze gehoor aan haar christelijke roeping. Op haar negentiende trok ze zich terug in een afgelegen slotklooster.  

Haar passie voor muziek is ze daardoor gelukkig niet verloren. In de jaren zestig en zeventig nam ze drie albums op, collector‘s items die nu alleen nog maar te vinden zijn in obscure platenzaken – het soort met een eigenaardig wierookgeurtje in de lucht en een overjaarse hippie achter de kassa. Wie niet openstaat voor een vinylqueeste kan terecht op de grote muziekstreamingdiensten: in 2006 bracht het Franse alternatieve label Buda Musique een compilatiealbum uit.  

De invloed van de Ethio-jazz, het muziekgenre dat hoofdstad Addis Abeba in de jaren zestig op zijn grondvesten deed daveren, is duidelijk hoorbaar. Toch is Emahoy in de eerste plaats een klassiek geschoolde pianiste die trouw blijft aan haar Ethiopische roots. Ze ontleent de pentatonische toonstructuur – die gebruikt maakt van vijf in plaats van de gebruikelijke zeven noten – aan orthodoxe liturgische muziek.  

Emahoy schippert tussen jazz en klassiek. Haar muziek is minder experimenteel dan de piano-improvisaties van jazzvirtuozen zoals Bill Evans en Keith Jarrett, maar heeft meer schwung dan de nocturnes van Chopin. Akkoord, de opnamekwaliteit laat te wensen over en de albumhoes getuigt van weinig smaak, maar wat maakt dat uit als je zulke muzikale pareltjes krijgt voorgeschoteld. Emahoy levert een tijdloos album af dat al bij de eerste luisterbeurt tot de verbeelding spreekt. Afgaande op de songtitels verwacht je duistere en geladen muziek. The Last Tears of a Deceased zou niet misstaan op de cover van een misdaadroman. Wie vertrouwd is met het christelijke passieverhaal weet dat Golgotha en The Garden of Gethesemanie onheil voorspellen. En toch klinkt het album verrassend luchtig en dansbaar. De ideale achtergrondmuziek bij het lezen van een goed boek. 

Tip voor de fijnproever: laat het album door je hoofdtelefoon schallen bij een nachtelijke wandeling langs het Conscienceplein. Opener The Homeless Wanderer komt tot zijn recht onder de verlichte voorgevel van de Carolus Borromeuskerk. De onderstaande Spotifycode wijst de weg …  



Humans of UAntwerpen

25/04/2022
Humans (© Edith Coen | dwars)
🖋: 

Kunstenaar of topsporter, bejaarde of ondernemer, geen enkele soort ontspringt de dans. Je wordt op een dag wakker met de intense drang om je aan Universiteit Antwerpen in te schrijven. Het gevolg: zo veel vreemde vogels dat het uitzonderlijk wordt om normaal te zijn. Elke maand zetten wij een bijzondere student in de kijker.

Ik zie Thomas Naenen (23) in Vandoag is ‘t. Chocomelk voor hem, een latte voor fotografe Edith, thee voor mij. Naast fervent chocomelkdrinker – de chocomelk van Vandoag is ‘t is de beste in de studentenbuurt, zeg dat Thomas het gezegd heeft – is hij dj en studeert hij Rechten, afstudeerrichting publiek- en strafrecht. “Strafrecht heeft me altijd kunnen bekoren, maar ik denk dat het eerder een passie blijft dan een valabele carrière. Strafrecht is erg crowded, terwijl er zo veel vraag is in het publiekrecht dat je daarin sneller de kans krijgt om je te bewijzen”, zegt hij. Wanneer hij afgestudeerd is, wil hij daar dan ook vollenbak voor gaan. “Ik zou liever de volgende Jef Vermassen worden dan de volgende Dimitri Vegas & Like Mike, dat zei ik in 2019 en daar sta ik nog altijd achter. Dj’en is een toffe hobby, maar de advocatuur is wat ik écht wil doen. Zolang ik het kan combineren, zal ik dat blijven doen, maar ja, op mijn veertigste wil ik niet meer op studenten-TD’s draaien.” 

Hoelang hij nog zal dj’en daargelaten, de hobby is alleszins van kindsbeen begonnen. “Het verliep in twee fasen. De eerste fase begon toen ik twaalf, dertien jaar was met het simpele idee dat dj’en cool was. Ik downloadde een gratis programma, kocht een klein setje en draaien maar. De tweede fase was op fuiven draaien, die aanving toen ik zelf begon uit te gaan op zestien, zeventien.” Indertijd was het nog niets serieus, maar werd hij al wel gevraagd om te dj’en op sweet sixteens of een scoutsfuif in de buurt. De echte boom kwam pas later. “Op Verkenningsdagen in de Hoge Rielen, voor het academiejaar volop begon, leerde ik twee belangrijke mensen kennen: mijn vriendin en Felix Wouters, met wie ik goed bevriend ben geraakt. Het jaar erop zat Felix in Unifac en dankzij hem mocht ik de OpeningsTD in de Waagnatie inzetten en draaien op Students on Stage. Ik leerde veel mensen kennen, werd gevraagd door Sofia en Wikings-NSK … Op die manier ontstond er een sneeuwbaleffect en werd ik steeds vaker gevraagd. Felix was mijn ingang in het circuit, om het zo te zeggen.” 

Welke platen hij in dat dj-circuit draait, hangt niet per se af van zijn eigen smaak. “Je wordt geboekt omdat je een leuk feestje kan organiseren en je mensen kan laten bewegen, niet om je eigen muzieksmaak. Of ik een bepaald nummer nu een verschrikkelijke plaat vind of niet, als mensen dat graag horen, speel ik hem.” Met enige scepsis kijk ik naar Thomas. Echt waar? “Allez, ik draai nooit, of toch heel weinig, platte schlagerplaten of Samson & Gert-schijven. Sommige dj’s doen dat wel en dat werkt goed, maar de kans blijft klein dat ik Een tocht door het donker draai.”  

Thomas’ muzikale passie ligt elders. “Ik houd van harde techno, ik houd van remixen die wat harder zijn. Ik houd van dat knallen. Onder een tweede alias maak en draai ik veel technomuziek: obsqr. Onder die naam draai ik bijvoorbeeld in Club Vaag. Daar is de sfeer heel anders op TD’s: hoe onbekender de schijf, hoe beter.” Je zou kunnen zeggen dat Club Vaag en de gemiddelde studenten-TD behoorlijk op elkaar lijken: mensen komen voor de sfeer en om hun vrienden te zien. En toch klopt dat rudimentaire portret van het uitgaansleven niet helemaal: “De muziek hoort bij een TD, maar mensen zijn er vooral om buiten te komen, pinten te pakken en een avond met hun vrienden te beleven. De muziek is niet per se prioritair, terwijl dat bij Club Vaag wel het geval is. Een onbekende maar muzikaal goede plaat is een knaller in Club Vaag, terwijl de knallers op TD’s eerder de alom bekende liedjes zijn.” Dat verschil betekent niet dat het een of het ander makkelijker zou zijn. “Een TD is moeilijk in de zin dat je het kapot kan draaien door te veel onbekende liedjes te spelen of rustigere muziek te beginnen draaien op een moment dat er veel sfeer is. De sfeer erin houden moet je echt kunnen. Je moet je publiek echt meepakken, bij je houden. Techno kan je ook kapot draaien, met bijvoorbeeld ineens een heel andere stijl, maar op die feesten viben mensen meer. Het moet er niet de hele tijd met de handjes in de lucht zijn, om het zo te zeggen.”  

Naast zijn studies en dj’en behoorde Thomas ook tot het team dat Antwerp Law School Consultancy (ALSC) oprichtte. “Bij ALSC is mijn voornaamste focus het evenementenluik. In het eerste semester was dat de lezing met advocaat Sven Mary, dit semester een lezing met minister Annelies Verlinden. De juridische adviezen worden geschreven door onze legal consultants, dat doe ik dus niet zelf. Evenementen organiseren doe ik erg graag en heb ik van thuis uit meegekregen. Mijn vader organiseert namelijk zelf ook veel evenementen en ik heb in het begin van mijn dj-carrière veel aan hem te danken gehad. Tegelijkertijd is het ook een noodzakelijk kwaad dat bij het dj’en kwam kijken. Ik zag de hele tijd hoe een evenement georganiseerd werd als dj; daarna begon ik zelf te organiseren. Een academisch gekaderde lezing is natuurlijk iets anders dan een feestje.” Hij pauzeert even. “Het is anders omdat je rekening moet houden met de universiteit, maar daarbuiten is het heel gelijkaardig. Een aula of een club vastleggen, een dj of een spreker vragen, tja, dat is hetzelfde principe.” 



kunst op de campus

25/04/2022
Kunst op de Campus (© Margaux Albertijn | dwars)
🖋: 

Een ooit gemaakte onbenullige opmerking, een vreemd uitziende vrouw op straat, een gekke plaatsnaam bij het voorbijrijden of een onverklaarbaar schilderachtige zonsondergang door het dakraam van je zolderkamer … Uit het oorverdovende dagelijkse lawaai maken zich altijd een paar indrukken los, om dan wekenlang te blijven sudderen in je hersenpan. Onbeduidende ervaringen die, misschien juist door hun vergeetbaarheid, tijdens elke douche, wasbeurt of stofzuigronde weer de kop opsteken. Zo ben ik dagenlang tevergeefs bezig geweest de zwarte krabbels van Pierre Alechinsky naar mijn achterhoofd te degraderen. 

De kwelling begon op een gure donderdagmiddag. De zeldzame aprilsneeuw was nog maar net opgedroogd toen ik me geheel nuchter tussen de dronken wiskundigen van de buitencampus bevond. Toen ik op den duur de kou, de felgekleurde gocarts en de bedenkelijke muzieksmaak van de plaatselijke dj niet meer kon verdragen, strompelde ik een willekeurig gekozen gebouw binnen van campus Middelheim, die ik voor het eerst bezocht. Nadat de overweldigende gewaarwording van stilte en eenzaamheid eindelijk over mij heen gespoeld was, viel mijn oog half op de doeken die de muren van dit vreemd gevormde, bijna organische gebouw bevolken. Toen dacht ik nog dat de rondingen van de muren, de donkerte van de krochten en de hardheid van de stalen trap mij meer interesseerden. Misschien was het de korte nacht, misschien was het de lange dag, misschien zelfs het oorverdovende contrast tussen Laat de zon in je hart buiten en de oase van rust hierbinnen – ik dacht werkelijk even dat het kolossale, saaie en grijze tuincentrum-annex-kantoorgebouw zich in mijn greep had. Pas later, op een veel te luide bus 32 en daarna in een veel te stil bed, wist ik dat niet de grijze kolos, maar de zwarte, kribbige lijnen op de witte oppervlakken mij in hun greep hielden. 

De volgende morgen stond ik, als meegezogen door een mui in een verraderlijk kalm uitziende zee, weer op de stoep voor het unheimisch voelende gebouw. Deze keer wél met een missie; de confrontatie aangaan met dat wat de afgelopen negentien uur mijn volledige denkwereld had opgeslorpt. Ik had maar een ogenblik nodig om te beseffen waarom deze volledige overgave van mijn denkwereld had plaatsgevonden. Ik heb dit eerder gehad, dacht ik. Met boeken. Maar nooit met kunst. Dagenlang kan ik van slag zijn door een tragisch lot van een hoofdpersoon, maar als ik naar een Rubens kijk kom ik niet veel verder dan ‘mooi’, een Pollock of een Mondriaan kan me niet eens bewegen tot enige emotie of gedachte, afgezien van een ‘ik begrijp het niet’. Hoe anders kwam dit mij voor bij deze werken van Alechinsky. Deze werken spreken. Toen ik de trap besteeg en mijn confrontatie met het werk naderde, deden de drukken mij eerder denken aan oosterse kalligrafie dan aan een litho. Als in minuscule, monochrome tapijtjes van Bayeux volg ik een verhaal, en heeft het kleurloze, stilhangende werk al zijn statische eigenschappen verloren. Kan een schilderijenreeks literair zijn? Een spanningsboog hebben? Zelfs een begin en een einde, voor iedere onderworpene vrij te kiezen? 

De bovenste treden van de trap achter mij gelaten, staart de eerste massa aan zwarte kriebels mij aan. Als beelddenker probeer ik mij instinctief vast te klampen aan enige houvast. Ergens moeten toch wel een paar letters, een paar kruimeltjes context te vinden zijn? Een klein, archaïsch uitziend bordje linksonder het kunstwerk leest 

 

Pierre ALECHINSKY, 
Ne fêter ni l’an ni la vitesse , 1996 
Lithografie — SCHENKING MOBISTAR 

 

Mijn Frans laat het hier afweten. Iets met feesten, jaar en snelheid? Hoe wordt ni ook alweer gebruikt? Ik kom niet veel verder. Ergens ben ik teleurgesteld in mijzelf. Kon ik het dan écht niet laten? Moest ik weer zo nodig de letters ontwaren? Ben ik dan écht te laf om mij te laten overmeesteren door de kunst die mij al negentien uur en twaalf minuten in haar greep houdt in al haar puurheid? 

Ik kan niet anders dan meteen de kronkelende dreiging opmerken wanneer ik wat willekeurig links van het midden aan het schilderij begin en mij zoals de wijzers van een klok mee laat voeren door de raamvertelling. Ik zie kleine landschapjes en de dreiging van een wingerd die onheilspellend zijn tentakels over de vredigheid uitspreidt. Ik zie een vrouwelijk figuur naargelang de uren verstrijken steeds abstracter worden, desintegreren zelfs. Die abstractie is allesverzengend, is alles wat overblijft. Tegen het einde van de cyclus blijven slechts, in chronologische volgorde, kolkende waterstromen, surreële kubussen, vage schimmen en onmogelijke machinerieën over. 

Helemaal in het midden, groter dan de kleine prentjes rondom, heerst de verwarring. Als Van Gogh zijn Sterrennacht in het diepste dal van zijn krankzinnigheid had geschilderd, had het er zo kunnen uitzien. Het zwarte, lange gras, dat meer naar onkruid neigt, walst over de grond, kometen suizen cirkeltjes door de inktzwarte nachtlucht. Hier komen we tot de apotheose van de abstractie: de duisternis. Het verval kruipt over de argeloze onderdaan en verenigt zich met haar subject, zuigt hem leeg. Zoals een alzheimerpatiënt op zijn laatste benen. Zoals schimmel zich een sinaasappel toe-eigent. Zoals Alechinsky de afgelopen negentien uur en drie kwartier mijn denkkracht opzoog. Als wadend door een moeras moet ik al mijn kracht gebruiken om weer bij de bushalte te geraken. Een paar uur later streelt de middagzon mij wakker, het slijk nog om mijn voeten. Ik ben thuis, maar nog niet verlost. 

De maandag daarna bevind ik me voor Resumé. Wederom Alechinsky, wederom gebouw G en wederom SCHENKING MOBISTAR. Déjà vu? Het lijkt er verdomd veel op. Weer tref ik een (dit keer een fractie grotere) lithografie aan, zwart op wit, verdeeld in kleinere vlakjes. Weer ben ik als door een onzichtbare kracht naar de grijze, sfeerloze doch imposante moloch gelokt. Weer probeer ik een verhaal te ontdekken, moet er iets lineairs te vinden zijn op dit één-bij-anderhalve meter grote vlak. En tóch is het deze keer anders. 

Dit werk is op het eerste gezicht niet als een grote draaikolk die me probeert op te slokken. Dit werk heeft geen diep, duister hart, waaromheen zich een chronologie van verval wikkelt. Deze keer ben ik niet geïntimideerd, beantwoord ik niet met ziekelijke nieuwsgierigheid de roep van een sirene om mijn hoofd te verliezen in allesverzengende zwarte abstractie. Met een lichte huivering observeer ik weer het vrouwengezicht, neem ik weer de troosteloze geometrische ruimtes waar, zie ik de beelden die mij op de vorige lithografie tot de bodem hebben leeggezogen, maar de wanhoop blijft uit. Deze keer ben ik uitgenodigd. De korte blik die ik Resumé bij mijn vorige bezoek gegund heb, uitgeput, door dichtvallende ogen, maken de beklimming van de ijzeren wenteltrap licht. Maken mij klaar om neer te ploffen tegenover de oude man met het dikke boek op schoot, smachtend naar zijn kijk op het leven. Ook de wingerd heeft soms mooie bloemen. 

Resumé kan alleen maar van links naar rechts, van boven naar beneden ‘gelezen’ worden. Ik mag mee als reisgezel op een bedevaartstocht, een expeditie om de innerlijke demonen te laten varen, op zoek naar het ware bestaan. Waar de abstractie in het vorige werk donker was en chaos symboliseerde, is ze hier licht, voelt ze als een gids op een met gevaar doorwrocht pad. Onze pelgrims vertrekken onder een boom, en luiden vanaf daar hun zoektocht in. Gelijktijdig zwerven we door historie en belevingswereld, laten we ons leiden, om maar te zien waar we uitkomen. 

De meanderende paden kruipen eindeloos richting de horizon, door wuivende velden en opstuivende zandvlaktes, langs piramides, ziggoerats en heilige bomen, relikwieën van lang vergeten goden. Hypnose, verleiding, bedwelming, verwarring, en wederom een ontsnapping in het abstracte voltooien de tweede ‘regel’. Steeds raak ik verder de draad kwijt, verlies ik mezelf in deze microkosmos van een menselijk leven. Ik zie rook, micro-organismen, dreigende luchten, hoge bergen en diepe wenteltrappen, altijd weer uitkomend op een kikkerdrilachtige oersoep. Helemaal rechtsonder prijkt Alechinsky’s rode stempel, alsof hij wil zeggen: “Je zoektocht is ten einde, rust maar uit.” De autoritaire rode stempel kondigt het einde aan van het werk, maar verlost mij ook van de loodzware bankschroef die mijn hoofd de afgelopen tweeënnegentig uur en zesendertig minuten heeft moeten dragen. Op de bus vraag ik me af of Alechinsky, met wie ik zojuist de strijdbijl heb begraven, zelf ooit aan het lawaai van zijn zwarte krabbels heeft kunnen ontsnappen. 

 

We zijn overbelast. Tien radio’s fluisteren een volledige bloemlezing. Met duizend schilderijen voor ogen gaat de schilder naar het doek, en blijft steken in het slijk van zijn geheugen. 

- Pierre Alechinsky 
  Parijs, september 1953 



het laatste woord

25/04/2022
Contaminatie (© Amber Peeters | dwars)
🖋: 

Je zal het maar voorhebben: het ligt op het puntje van je tong en toch kan je er niet opkomen. Dat ene woord ontglipt je keer op keer. Ook dit jaar schiet dwars alle schlemielen in zulke navrante situaties onverdroten te hulp. Maandelijks laten we ons licht schijnen op een woord waar de meest vreemde betekenis, de meest rocamboleske herkomst of de grappigste verhalen achter schuilgaan. Deze editie nemen we de ‘contaminatie’ onder handen. 

Er circuleren geruchten rond dat er naast COVID-19 en de griep, waarvan we met z’n allen het bestaan alweer vergeten waren, nog een besmettelijke ziekte de ronde doet. Ik zal me maar vast verexcuseren: het kan mogelijk zijn dat ook ik, als redactielid en student Taal- en letterkunde zijnde, er niet immuun voor ben en dat besef ik me. 

Deze ziekte behoort tot een van de weinige die je niet enkele dagen aan je bed ketenen. Sterker nog, bij milde symptomen bemerkt de zieke zelf de besmetting vaak niet eens op. Onafgezien daarvan kan de omgeving zich er wel grondig aan irriteren. Typisch voor de aandoening is het door de war halen van twee woorden of uitdrukkingen door hun verwante betekenis. Het kan daarbij zowel om een eenmalige verspreking als om een ingeburgerde contaminatie gaan. De contaminatie maakt binnen de taalkunde onderdeel uit van de stijlfouten. Zoals ook het geval is bij veel medische ziektes moeten we de herkomst van de benaming voor deze ‘taalziekte’ in het Latijn zoeken. Het Latijnse ‘contaminare’, dat komt van ‘com’ (samen) en ‘tangere’ (aanraken), betekent namelijk ‘bezoedelen’.  

Deze epidemie kan niet worden ingeperkt door mondmaskers, anderhalve meter afstand en ontsmettingsgel, maar wel door aandachtige taalgebruikers. Er zullen wel harde middelen bovengehaald moeten worden om de ziekte volledig uit te roeien, want sommige contaminaties zijn inmiddels zo algemeen ingeburgerd dat ze moeilijk nog als fout kunnen worden aangemerkt. Bekritiseren (van beoordelen en kritiseren) en per ongeluk (van bij ongeluk en per abuis) zijn daar duidelijke voorbeelden van. Versteende contaminaties zullen niet snel weer uit onze taal verdwijnen, tenminste niet zonder windje in de rug van een Marc Van Ranst voor taal. Een bijkomend probleem is dat niet iedereen contaminaties wil bestrijden: ze worden soms bewust ingezet om een komisch effect te creëren, zoals het geval is in ‘je moet hem niet al het gras uit de mond maaien’ (van ‘het gras voor de voeten wegmaaien’ en ‘de woorden uit de mond nemen’). Het gaat dan niet langer om een stijlfout, maar om een stijlfiguur. 

Gelukkig kon ik het beste medicijn verkrijgen zonder voorschrift en kostte het niet duur: mijn artikels nachecken voor ik ze inzend en een eindredactie die de dwars grondig controleert voor ze wordt uitgeprint. Een combinatie van een zelftest en een doeltreffend geneesmiddel blijkt nogmaals het meest efficiënt.  



25/04/2022
Conventie Genève (© Sophie Van Reeth | dwars)
🖋: 

De Conventie van Genève van 1951, het vluchtelingenverdrag van de Verenigde Naties, vierde vorig jaar zijn zeventigste verjaardag. Hoewel migratie brandend actueel is, lijkt het verdrag niet tot het collectief geheugen te behoren. Een rondvraag bij mijn medestudenten Geschiedenis leverde vooral vragende blikken op: het verdrag deed bij niemand een belletje rinkelen. 

De Conventie was nochtans een scharniermoment in de wereldgeschiedenis. Sara Cosemans, migratiehistorica aan KU Leuven, geeft duiding: “Het vluchtelingenverdrag heeft te maken met de overgang naar een nieuw internationaal systeem. In het vooroorlogse Europa waren de grenzen eerder fluïde. Na de val van grote Europese rijken tijdens het interbellum ontstonden een heleboel nieuwe natiestaten die hun grenzen duidelijk gingen afbakenen. Een natiestaat is een container met een paspoort als toegangsticket. Vluchtelingenverdragen moesten zorgen voor surrogaatpaspoorten voor mensen die niet meer binnen die containers pasten. Het huidige vluchtelingenverdrag kwam tot stand in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog toen veel ontheemden niet wilden of konden terugkeren naar hun thuisland. De Conventie gaf de intern ontheemden een juridisch statuut.”   

Tegenwoordig zijn de woorden ‘vluchteling’ en ‘Oekraïne’ onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een gesprek voeren over de Conventie zonder aandacht te besteden aan de oorlog in Oekraïne is onmogelijk. Wanneer ik Cosemans vraag naar de huidige vluchtelingencrisis verrast haar antwoord me. “De Oekraïense oorlogsvluchtelingen vallen niet onder de Conventie. Het verdrag erkent enkel personen die vervolgd worden door de eigen staat. De Oekraïense vluchtelingen zijn op de vlucht voor Russisch oorlogsgeweld. In de jaren na de Conventie zocht men oplossingen voor oorlogsvluchtelingen. Het Afrikaanse continent nam het voortouw door in de jaren zestig een verdrag uit de vaardigen. Latijns-Amerika volgde in de jaren tachtig, Europa rond de eeuwwisseling. In België vallen oorlogsvluchtelingen onder subsidiaire bescherming, een juridische erkenning voor iemand die niet in aanmerking komt voor een vluchtelingenstatuut, maar wel gevaar loopt in zijn of haar thuisland. Voor de Oekraïense vluchtelingen geldt wegens de tijdelijke beschermingsrichtlijn van Europa uit 2001 overigens nog een ander systeem. 

 

de onfeilbaarheid van een Zwitsers zakhorloge?  

Het vluchtelingenverdrag is niet onbetwist. Vanaf haar ontstaan kreeg de conventie kritiek, ook vanuit academische hoek. Tegenwoordig heerst er vooral bezorgdheid over de houdbaarheidsdatum van het verdrag. De wereld waarin wij leven is in zeventig jaar tijd veranderd. Houdt de Conventie de vinger aan de pols of is het verdrag intussen hopeloos verouderd? Sara Cosemans gelooft in het belang van de Conventie: “Omdat het natiestatensysteem niet veranderd is, blijft het verdrag accuraat. De Conventie houdt stand omdat het gebaseerd is op recht. Dat een vluchtelingenbeleid op basis van solidariteit enkel regionaal werkt, zagen we tijdens de Syrische burgeroorlog. Buurland Libanon ving meer oorlogsvluchtelingen op dan de Europese Unie. Omdat de opvangcapaciteiten van de buurlanden beperkt zijn, is er nood aan een herverdelingsbeleid dat gebaseerd is op objectieve rechten. De Conventie houdt geen rekening met vooroordelen van gastlanden. Wanneer een vluchteling kan bewijzen dat hij vervolgd wordt, heeft hij recht op bescherming.  In de praktijk is het voor vluchtelingen moeilijk om aan te tonen dat ze niet meer welkom zijn in hun thuisland.” 

Mensenrechtenactivist Ann Vermeulen is kritischer: “De Conventie heeft nood aan actualisering. Door hiaten in het verdrag zijn ecologische vluchtelingen en economische migranten het ondergeschoven kindje. Hoewel er zeventig jaar geleden eensgezindheid was onder de leden van de Conventie zijn de interpretaties uit elkaar gegroeid. Ondertussen zijn machtsblokken verschoven, waardoor landen zoals Polen en Hongarije in de schemerzone tussen het Oosten en het Westen liggen. Zo erkent West-Europa vluchtelingen die vervolgd worden voor hun geaardheid, terwijl LGBTQ+-rechten in Centraal-Europa onder vuur liggen.”  

 

Het wantrouwen tegenover vluchtelingen uit het globale zuiden neemt toe.

 

Hongarije en Polen zijn luis in de pels van het vluchtelingenverdrag. Beide landen maken deel uit van de Visegrádgroep, een alliantie van Centraal-Europese staten die weigeren mee te werken aan het Europese herverdelingsbeleid. Staat de VN machteloos tegenover deze staten? “De Conventie is een internationaal bindend verdrag”, verduidelijkt Cosemans. “De VN kan natiestaten op de vingers tikken als ze de regels schenden, maar in de praktijk hebben de leden van de Conventie veel vrijheid. Het verdrag bepaalt dat natiestaten beslissen aan wie ze het statuut vluchteling toekennen – tijdens het interbellum was dat nog een bevoegdheid van de Volkerenbond. Landen zoals Polen en Hongarije zien het vluchtelingenstatuut eerder als een gunst dan een erkenning waar iedere vluchteling recht op heeft. Wanneer een vluchteling ten onrechte geen statuut krijgt, kan hij in beroep gaan, maar door de kleine bewijslast is dat een moeilijk juridisch proces.”  

De VN heeft in de praktijk weinig zeggenschap over de verdragstaten van de Conventie. Wat met landen die het verdrag niet ondertekend hebben? “Het verdrag is niet universeel aanvaard”, vertelt Cosemans. “Veel landen met een grote vluchtelingenpopulatie zoals Libanon traden nog niet toe tot de  Conventie. De VN kan die staten niet op het matje roepen als ze het verdrag schenden.” 

De draagkracht voor de Conventie neemt bovendien af. Verschillende staten willen het verdrag verlaten. “Zeventig jaar geleden zat de Holocaust vers in het geheugen”, legt Cosemans uit. “In het interbellum bestond er geen consensus over de joodse vluchtelingenkwestie. De overlevenden van de Holocaust die aan de basis lagen van het verdrag wilden een herhaling van de oorlogsgruwel vermijden. Nu ligt de Tweede Wereldoorlog ver achter ons en zijn staten minder bereid om het verdrag te steunen.” 

 

grenzen aan de solidariteit 

In de Antwerpse binnenstad is de internationale politiek nooit ver weg. In en rond de stadscampus hangen verschillende blauw-gele vlaggen. Deze zomer was er in dezelfde buurt geen enkele Afghaanse vlag te bespeuren. Solidariteit kent grenzen.  

Cosemans geeft duiding: “Vanaf het einde van de jaren zeventig heeft het Europese continent haar grenzen opnieuw duidelijk afgebakend en neemt – onder impuls van neoliberale tendensen – het wantrouwen tegenover de vluchtelingen uit het globale zuiden toe. De voorkeur gaat uit naar witte, niet-mannelijke en christelijke vluchtelingen. De duur van een conflict speelt ook een rol. De inval in Oekraïne is nog maar enkele weken oud, waardoor het conflict dagelijks in het nieuws verschijnt. De oorlog in Afghanistan, die al meer dan veertig jaar aansleept, krijgt minder media-aandacht.” 

“Daarmee wil ik niet zeggen dat er in het verleden geen solidariteit was tegenover oorlogsvluchtelingen”, benadrukt Cosemans. “Tijdens de vluchtelingencrisis van 2015 boden burgers onderdak aan vluchtelingen die in het Maximiliaanpark verbleven. Hoewel de staatsecretaris van asiel en migratie tegenwoordig oproept om vluchtelingen thuis op te vangen, criminaliseerde de overheid destijds zulke acties.”  

Politicoloog Pascal Debruyne onderstreept het belang van een duidelijk vijandbeeld: “Hoewel de geschiedenis zich nooit herhaalt, zie ik gelijkenissen tussen de oorlog in Oekraïne en de Hongaarse opstand in 1956. Het Westen heeft in beide conflicten een duidelijke tegenstander. In 1956 was dat de Sovjet-Unie die de Hongaarse opstandelingen onderdrukte. Het Westen stelde zich moreel superieur op door de Hongaarse vluchtelingen in de armen te sluiten. Landen zoals Frankrijk maakten handig gebruik van de Hongaarse vluchtelingen. In die periode begonnen arbeidsmigranten uit koloniale gebieden zich te verenigen in syndicaten. Door het verschil tussen de dankbare Hongaren en de opstandige Noord-Afrikaanse arbeiders te benadrukken, probeerde de Franse overheid de vakbonden een hak te zetten. Ook vandaag wordt er achter de schermen onderhandeld over vluchtelingen.”  

 

Tijdens de vluchtelingencrisis in 2015 werd solidariteit gecriminaliseerd. 

 

Debruyne staat dus eerder sceptisch tegenover het trekken van historische parallellen. Wanneer ik hem vraag naar gelijkenissen en verschillen tussen de regularisatie van de hongerstakers in de begijnhofkerk en de Oekraïense oorlogsvluchtelingen is hij op zijn hoede voor een ongegronde vergelijking. “Als academicus maak ik een duidelijk onderscheid tussen migranten en vluchtelingen. Regularisatie is iets totaal anders dan subsidiaire bescherming.” Wat niet wil zeggen dat eisen rond regularisatie onrechtmatig zijn; integendeel.”   

De afkeer voor vluchtelingen uit het globale zuiden, de overheidscampagne ‘een plek vrij’ en het politiek getouwtrek rond Hongaren in de jaren vijftig … De opvang van vluchtelingen is duidelijk gepolitiseerd, maar in welke mate bepaalt de publieke opinie het migratiebeleid? Volgens Debruyne is het een kip-of-eisituatie. “Toch denk ik dat de politiek de kip is die het ei legt. Sinds de jaren negentig levert verdachtmaking van migranten stemmen op, wat leidt tot een schizofrene situatie. Hoewel de politiek het onderwerp voortdurend oppookt, is er nauwelijks diepgaand debat of ernstige dossierkennis wat migratie en integratie betreft.”  

Net als Debruyne benadruk Cosemans het belang van de politiek. Ze baseert zich hiervoor op het boek Nieuw België van Tom Naegels. “De Belgische overheid nam als eerste een anti-migratiediscours in de mond. Pas later namen extreemrechtse partijen dat over.” Vermeulen ziet een wisselwerking tussen politieke partijen en de publieke opinie. “Politici zijn een belangrijke stem in het debat, maar bereiken niet alle burgers. Het wereldbeeld van politiek niet-onderwezen groepen wordt bepaald door zaken zoals het gebrek aan diversiteit op het scherm. Omdat partijen hun partijprogramma afstemmen op potentiële kiezers, die zelden pro-migrant zijn, verzwijgen centrumpartijen het onderwerp, tenzij ze stemmen van rechts kunnen winnen. Zo is het opvallend dat de grootste gezinspartij van ons land voor detentiecentra pleit.  

 

een humaner vluchtelingenbeleid? 

Opent de Oekraïense vluchtelingencrisis de deuren voor een humaner vluchtelingenbeleid? Vermeulen ziet weinig verandering: “Ik bezocht deze week een vluchtelingenkamp in Duinkerke. De situatie daar is even uitzichtloos als vijf jaar geleden. Ook het terugkeerbeleid blijft onveranderd. België stuurt vluchtelingen terug naar Afghanistan omdat het talibanregime zogezegd veilig is. Cijfers over hoge kindersterfte spreken dat nochtans tegen.”  

Cosemans ziet de situatie somber in: “De opvang voor vluchtelingen in ons land laat te wensen over. Het bed-bad-broodbeleid dat werd ingesteld door Maggie De Block gaat in tegen de Conventie, die bepaalt dat erkende vluchtelingen dezelfde behandeling moeten krijgen als staatsburgers. De Oekraïense vluchtelingencrisis gaat daar weinig aan veranderen. Het is makkelijker om opvangcentra af te breken dan ze weer op te bouwen.” 

Volgens Debruyne is ongelijke mobiliteit het dieperliggende probleem: “Hoewel wij westerlingen kunnen gaan en staan waar we maar willen, bakenen we de grenzen van het Europese continent duidelijk af. De beperkte legale en veilige wegen voor verblijf, gecombineerd met organisaties zoals Frontex (het Europese grensleger, n.v.d.r.) dwingen vluchtelingen in de irregulariteit.” Vermeulen vult aan: “Enkele jaren geleden sprak ik met de inwoners van de Italiaanse grensstad Ventimiglia over de gevolgen van  gesloten grenzen. Grensbewaking zorgde voor verdeeldheid in de regio: schaapherders verloren hun graasweiden en Franse vissers verbleven niet langer in Italiaanse hotels. Dat was voor mij een eyeopener. Waarom haalt dát de grote mediakanalen niet? Wie zich wil informeren over het onderwerp is aangewezen op nichetijdschriften en onvindbare documentaires.”  

 

Het hoger onderwijs besteedt nauwelijks aandacht aan migratie.

 

Vermeulen verwoordt de grootste frustratie van migratie-experts: in de kennisoorlog over migratie zijn de goedgeïnformeerden aan de verliezende hand. “Het hoger onderwijs besteedt nauwelijks aandacht aan migratie”, vult Debruyne aan. “Waarom is vluchtelingen en migratierecht geen verplicht vak in de opleiding Rechten? Of in de opleiding sociaal werk?” 

Cosemans sluit toch af op een positieve noot: “Historisch onderzoek draagt bij tot een beter begrip van het onderwerp migratie. Voor mijn doctoraat onderzocht ik de opvang van Oegandese, Chileense en Vietnamese vluchtelingen. Het Belgisch beleid ten aanzien van die groepen was voorbeeldig. Door het warme onthaal konden vluchtelingen hun trauma’s verwerken en een toekomst in ons land uitbouwen. In het verleden wierp een humaan vluchtelingenbeleid dus zijn vruchten af. De opvang van de Oekraïense vluchtelingen verloopt niet vlekkeloos, maar het eerste onthaal was alvast positief. Hopelijk heeft deze solidariteit een even gunstig effect, dat ons doet nadenken over een openhartiger vluchtelingenbeleid.” 



close-up

25/04/2022
Close-up Film (© Amber Peeters | dwars)
🖋: 

Van 19 april tot en met 2 mei kan je een selectie aan films uit Afrika, Azië en Latijns-Amerika bewonderen op het MOOOV-filmfestival dat in meerdere Vlaamse steden doorgaat. Om tegen het klassieke Hollywoodparadigma in te gaan kunnen festivalgangers de wereld virtueel rondreizen door nieuwe filmculturen te ontdekken. Filmmakers als Elia Suleiman, afkomstig uit Nazareth, spelen een belangrijke rol in het diversifiëren van het filmlandschap door non-conventionele films te promoten.

In It Must Be Heaven (2019) brengt de visuele dichter Elia Suleiman een ode aan de stille cinema door een alternatief narratief te schetsen over Palestina. Op die manier verzet hij zich tegen de westerse blik op Palestina die in de media gereduceerd wordt tot enkel een conflictgebied. In tegendeel, It Must Be Heaven toont de wondere wereld van het alledaagse met de focus op persoonlijke belevenissen. De notie van conflict wordt op andere manieren ingevuld: een burenruzie, een dispuut tussen vader en zoon, een debacle tussen restaurantganger en eigenaar, een staarwedstrijd tussen twee vreemdelingen in de tram. Als kijker beleef je de wereld vanuit het standpunt van het hoofdpersonage dat als zwijgzame voyeur toekijkt en via gelaatsuitdrukkingen een kritisch standpunt inneemt. De herrijzenis van de slapstickcomedy! De herwaardering van Buster Keatons stoïcijnse uitdrukkingen! De esthetiek van de mimiek! 

Net als Buster Keaton, Jacques Tati en Wes Anderson hecht Suleiman veel waarde aan symmetrie. Via de nadruk op horizontale lijnen en tweedimensionaliteit creëert de regisseur een stemming van sereniteit en kalmte. Het gebrek aan diepgaande conversaties is doelbewust toegepast om de stilte te laten spreken. Het hoofdpersonage, gespeeld door Elia Suleiman, voert ons mee van Palestina naar Parijs en vervolgens naar New York. Als observerende regisseur toont Suleiman ons een reeks van bijzondere taferelen: politieagenten op segways en rollerblades, een verlaten Parijs met militaire vliegtuigen, tanks en slechts twee toeristen. Het denkkader wordt omgekeerd waarbij de westerse metropolen op een bevreemdende manier in beeld gebracht worden. Zo houdt Suleiman de kijker een spiegel voor.  

De kritische noot komt sterk tot uitdrukking wanneer het hoofdpersonage zijn nieuwe filmproject voorstelt aan een Franse en een Amerikaanse producent. Zowel in Parijs als New York krijgt hij weinig waardering voor zijn script, een komedie over vrede in het Midden-Oosten. Het is helaas niet Palestijns genoeg vermits het verhaal overal kan plaatsvinden. Natuurlijk verwacht men dat Palestijnse regisseurs enkel films maken over de politieke en militaire confrontaties. Via lichaamstaal, mimiek en absurde schouwspelen creëert Suleiman een meeslepende komedie met een filosofische insteek. Het is een intrigerende film die een serieuze sneer geeft naar de eurocentrische opvatting van ‘wereldcinema’.