orange is the new black

achter de schermen bij de Antwerpse Stadsreiniging
01/05/2016
🖋: 

Sommige vaders zijn politieagent, brandweerman of soldaat. Sommige vaders zijn vuilnisman. Ook zij dragen een uniform, ook zij zijn helden, met heldendaden zo vanzelfsprekend dat ze haast onzichtbaar zijn geworden, ondanks de feloranje uitrusting. Een propere stad, daar halen zij hun neus niet voor op.

Zeven uur ’s morgens. Op Sector Noord in de Straalstraat in Merksem een grote bedrijvigheid, de mannen van de vuilkar zijn klaar voor een nieuwe werkdag. “Het is hier ’s morgens altijd wel een zottenkot”, zegt werkleider Tommy terwijl hij het terrein laat zien. De 32 huisvuilwagens, elk voorzien van een chauffeur en twee laders, rijden als eerste de poorten uit. Vervolgens zijn de containerwagens en de kraanwagens aan de beurt. De veegmachines vertrekken pas om 8.00 uur, vaak met een ‘bakkenwagen’ in hun kielzog. De bakkenwagen bevat al het materieel voor de manuele veegploegen, die met vier à vijf man en gewapend met harken, borstels en bladblazers de straten schoonpoetsen.

 

De Antwerpse Stadsreiniging bestaat uit drie sectoren: Midden, Noord en Zuid. Sector Noord telt zo’n 250 personeelsleden. “De meesten blijven toch tot einde carrière werken”, vertelt Tommy. “Het is een zware job, maar er zijn verschillende fracties binnen huisvuil. Bij het PMD zijn het heel lichte zakken, maar is de wandelafstand groot. Je hebt restafval, da’s voor de jonge krachtige knapen die zwaar kunnen tillen. De ronde van de papiermanden is iets kalmer; die mannen zijn meestal van gevorderde leeftijd en kunnen af en toe gaan zitten. Voor papier en karton moet je vaak door de benen en GFT is meestal met containers en dus iets lichter.” Ook de vijfentwintig vrouwen van de Stadsreiniging staan hun mannetje. Zij werken vooral bij de veegdienst, al is er bij het huisvuil nog een vrouwelijke chauffeur en een vrouwelijke laadster bij het GFT. Tommy: “Zij is one of the guys ondertussen”.

 

 

professor Zonnebloem

De werkdag begint ook voor Jan Buytaert. “Jan? Die ken ik niet”, klinkt het wanneer ik hem probeer te vinden in het oranje wespennest. “Wacht, bedoel je professor Zonnebloem?” Immer verstrooid, nieuwsgierig, een weetal en misschien een tikje opvliegend, de man met het kleine ronde brilletje heeft het allemaal. Hij draagt z’n bijnaam met trots: op zijn locker en in de cabine van zijn vaste vuilniswagen hangen plastic zonnebloemen.

 

Jan werkt al zeventien jaar voor Stad Antwerpen. Ondertussen is hij 55 en chauffeur bij de papiermanden, de straatvuilbakjes. Hij en zijn lader Marc controleren dagelijks de vuilbakken op hun vaste toer doorheen Deurne Noord. “Er zijn er bij die je alle dagen moet pakken”, vertelt Jan, “maar de meeste van de tweehonderd vuilbakken worden om de andere dag geledigd." “Da’s ne goeie”, klinkt het telkens een vuilbak leeg blijkt. Daarnaast laden ze rondslingerend vuil op en sluikstort dat bij de papiermanden staat. Deze ronde is ook een ‘buffertoer’: gisteren nog moest Jan inspringen voor een huisvuilwagen die in panne stond. “We doen heel wat voor een propere stad”, haalt hij grinnikend de slogan van de Stadsreiniging aan.

 

Niet alleen de zonnebloem maakt de wagen herkenbaar: achteraan deze vuilkar hangt een witte vuilnisbak. Die hoeft eigenlijk niet mee, maar hij maakt het werk efficiënter en zorgt ervoor dat Marc niet zo hoog moet tillen en minder heen en weer moet lopen. Normaal maakt de lader de bakken leeg en kan de chauffeur gewoon blijven zitten, maar Jan stapt meestal mee uit: “Omdat ik toch energie teveel heb en om Marc wat te helpen.”

Marc werkt al negen jaar als lader. Na een reeks epilepsieaanvallen waarbij hij een hartstilstand kreeg, lag hij enkele weken in coma en kreeg hij een pacemaker. De vier maanden ziekteverlof die volgden werden hem teveel: “Ik zeg tegen mijnen doktoor: ik word zot thuis, laat me maar terug gaan werken.” En nog: “Er zijn er bij die met een valling thuisblijven."

 

onderweg met een twintigtonner

Fluorescerende pakken en zwaailichten, het belang van veiligheid wordt hier onderstreept in het feloranje. Marc en Jan controleren samen of er geen fietsers aankomen: “Tenslotte ben ik met een twintigtonner onderweg”, zegt Jan. Soms moet hij tussen de auto’s door manoeuvreren in erg nauwe straten, of tot op de millimeter afgemeten bochten nemen. Toch is hij nog nooit ergens tegen gebotst. “Ik kan met mijn camion lezen en schrijven”, klinkt het. Jan rijdt deze toer nu ongeveer drie jaar en kent hem op zijn duimpje. Onopvallende ruimtes krijgen vrolijk klinkende bijnamen: ‘Hinkelpadplein’ geeft een naamloos grijs pleintje in de Louis van Craenstraat op slag de uitstraling van een speelparadijs.

Wanneer ze collega’s passeren dimmen ze even hun lichten en steken ze hun hand op; het gevoel van samenhorigheid is erg groot bij de vuilkar. Er zijn wel eens strubbelingen tussen het personeel, maar Jan en Marc kunnen het best met elkaar vinden. Marc: “Ik heb er geen problemen mee, wij werken goed samen.” Jan beaamt: “We overleggen constant en anders geef ik hem goe wa lappe, zie maar hoe weinig tanden hij nog heeft” (ze lachen).

 

weer of geen weer, ’t stad moet proper

10.00 uur, tijd om binnen te rijden voor den break. De grote refter kleurt helemaal oranje, in de bijbehorende keuken spoelen twintig potige mannen braaf hun koffietas af en zetten ze zelf in de afwasmachine. Na de pauze vervolgen Marc en Jan hun weg werkdag en neemt ploegleider René me op sleeptouw. Na dertien jaar als lader bestaat zijn huidige taak uit het controleren van de mannen en vooral uit heel veel papierwerk. Met het – uiteraard oranje – zwaailicht in de aanslag gaan we op zoek naar de huisvuilophalers. Door de regen is het papier en karton zwaar geworden, maar de laders gooien de dozen met een sierlijke boog in de laadbak. Bij de fractie GFT treffen we Vicky, een van de weinige vrouwen op deze dienst. Haar fijne paarlen oorbelletjes contrasteren met het stoere werkpak en de bijbehorende handschoenen. “Ik moet ’s avonds niet meer gaan trainen”, lacht ze, terwijl ze een paar groencontainers in de vuilkar leegkiepert. In de zomer is het best leuk werken, de wintermaanden zijn iets minder. “Regenweer is altijd ’t ergste”, beaamt René. Vicky: “Als ’t regent, als ’t onweert, als de vogels dood uit de lucht vallen, den toer moet gedaan.”

 

 

in contact met de burger

René krijgt een melding binnen over een achtergelaten hoop zand. Hij gaat ter plaatse, controleert de hele wijk maar kan geen zand vinden. “De mensen bellen soms te snel, al is het wel goed dat de burgers betrokken worden”, vindt hij. De Stadsreiniging werkt ook actief samen met de burgers: een groep vrijwilligers kuist op zondag het bos aan het Noordkasteel op en de vuilkar haalt het afval daar op. Vuilzakken, planken, een hele boomhut, er slingert heel wat rotzooi rond, maar door de samenwerking blijft het bos proper.

 

Over het algemeen krijgen de vuilnismannen veel respect. Terecht, dankzij hen blijven de straten proper en de extra diensten zoals bijvoorbeeld Grof Huisvuil leveren ook goede punten op. Het is bij de grotere items dat het wel eens durft mislopen vertelt René: “Het gebeurt wel eens dat iemand zijn fiets parkeert tegen een berg grofvuil, de ophalers weten dat niet en nemen alles mee zoals afgesproken.” Ook een nieuwe koelkast die op de stoep werd neergezet door de leverancier, belandde al eens in de container.

 

Het drukke verkeer waar de vuilnismannen zich dagelijks in wagen levert soms gevaarlijke situaties op, er zijn al enkele vuilnismannen aangereden door passerende auto’s. Een keer gebeurde er een dodelijk ongeval: op het terrein van een dienstencentrum liep een oud vrouwtje met haar rollator vlak voor de wagen, buiten het zicht van de chauffeur. Toen hij doorreed was ze op slag dood. “Dat zie je niet, je houdt je laders in ’t oog en ondertussen is die vrouw daar voor gelopen” (stilte). “Dat is het enige dodelijke ongeluk met een huisvuilwagen in al die jaren”, voegt René eraan toe, maar het heeft een diepe indruk nagelaten op de dienst. De veiligheid van het personeel en de mensen op straat is een grote verantwoordelijkheid, waar blijvend aan gewerkt wordt.

 

de mannen van de pacht

Tijdens de middagpauze gaat Jan z’n broodje opeten in de cabine van zijn zonnebloemwagen, weg van de drukke refter. Enkele jongere krachten trappen een balletje. Bij de administratie vertelt Miel Qualm over de ‘Mannen van de Pacht’, een groep zingende vuilnismannen die 22 jaar bestaan heeft. De naam verwijst naar de vroegere benaming van de Stadsreiniging. Miel: “We zijn in 1990 begonnen met een hele bus. We hadden een collega, Paul Huyghen, die was nogal muzikaal – die vind je nu nog terug op YouTube. Hij had een liedje gemaakt voor een collega die op pensioen ging en wij zijn dat toen gaan inzingen, nog bij Rocco Granata.” Ze brachten twee plaatjes en negen cd’s uit en traden wekelijks op, voornamelijk op braderijen. “We hadden maar één lieke in ’t begin,” vertelt Miel, “En dan zaten we daar in die camionette met al die zwaailichten op te zingen.”

 

♪ 't vuil is weral van de baan / ons waarek is gedaan / oh wat is da fijn / karlaaier te zijn / iedereen is kontent. ♫