waarom Nederlanders niet kunnen rijden

08/03/2017

“Wie stopt er nu voor een stopbord, allé!”, kreeg ik laatst te horen van mijn co-piloot. De zelfevidente volwassenheid waarmee vele bestuurders de weg op gaan blijft me verrassen. Doch, als pasgeboren wegpiraat – met een theoretisch rijbewijs wel te verstaan – zul je mij niet op fouten betrappen. Of toch zeker niet al te veel. Oké, ik doe mijn best. En och, vooralsnog zwijgt de automotor dan misschien iets te vaak op de foute momenten, ooit zal de verlossende klik wel komen. Uit gewoonte prefereer ik nog altijd de fiets, hoe gevaarlijk dat ook moge wezen. Eens wielerterrorist, altijd wielerterrorist.

Die rol kreeg ik althans naar mijn hoofd gesmeten door een uiterst enthousiaste Nederlander met een zachte ‘g’. Een visite aan het landelijk thuisfront bracht mij immers op een steenworp van de Brabantse grens, iets dat mijn Nederbelgische bastaardziel goed doet. En eenmaal in dit bosrijke gebied aangekomen, ga ik nog steeds met de grote molen door het groen, ook als het op het verkeer aankomt. De modale burger mag immers toch verwachten dat iedereen weet dat er in dit koude kikkerland van gewestelijke problemen, frieten en een zacht taaltje geen vertraging geldt op de stoplichten voor voetgangers, fietsers en autobestuurders?

 

Niets is minder waar, wanneer je bijna wordt aangereden door een stereotiepe generatiegenoot met vrouwelijke vormen, incluis – kon het nog erger – geel/zwarte nummerplaat. Mijn pedagogische middelvinger maakte het plaatje compleet. Het moment als potentiële menselijke bumpersticker reed voorbij, en ik leek een illusie armer: kunnen Nederlanders dan werkelijk niet rijden? Het verlossende antwoord kwam vanuit een onverwachte hoek. Mijn Roosendaalse kapster begreep immers maar al te goed waar ik het over had.

 

In haar woorden staan alle Nederlandse verkeerslichten net even anders ingesteld in vergelijking met hun Belgische wapenbroeders. In dezelfde richting krijgt vooreerst de fietser enkele momenten van groen licht, waarna zijn pas afgesloten wordt door rood te kleuren, en vervolgens de automobilisten voorbij kunnen brommen. Deze regeling geldt om afdraaiend verkeer ervan te weerhouden tegen een fietser aan te knallen. Een fantastisch initiatief, moest het niet zo zijn dat een dergelijk paternalistische houding Nederlandse bestuurders weinig voorbereidt op de Belgische laissez-faire. Wie niet rechtuit gaat, zal als laatste wachten op een kruispunt, zo staat vast.

 

Deze nieuwe kennis van zaken vervulde me indertijd met verwondering. En verwondering doet denken. “Schoon hé, die Europese diversiteit, zo broos en brak, optimistisch en vaak ondoordacht; het is thuis”, zei ik tegen mijn verbaasde co-piloot, en ik bracht de auto al hortend en stotend terug op gang.