schrijven is spreken en zwijgen tegelijkertijd

Erwin Mortier
16/03/2014
🖋: 

Erwin Mortier publiceert deze maand zijn vijfde roman, De spiegelingen. dwars sprak hem over zijn nieuwe boek, over zijn jeugd en zijn homoseksualiteit, over literatuur en kunst.

“Ik zou ook gelukkig zijn met het anoniem verspreiden van werk. Ik heb het niet nodig om ‘Erwin Mortier’ te zijn of op de kaft te hebben. Het ergste dat mij zou kunnen overkomen, is dat ik er op een dag van overtuigd ben dat ik werkelijk Erwin Mortier ben.” Het blijft even stil. “Vind je het erg als ik een sigaret opsteek?” Hij rolt zijn sigaretten zelf. Driemaal per dag, evenredig over de dagdelen verdeeld. Hij kijkt me over de aansteker aan terwijl hij de eerste trekken neemt. “Ik had eigenlijk een kom soep voor je willen koken, maar dat is er door het vele werk helaas niet van gekomen. Ik schenk je echter graag koffie in.”

We zijn in Drongen, in de zitkamer bij Erwin thuis. Het vertrek wordt door glazen schuifdeuren gescheiden van zijn werkkamer. Daar, achter die glazen deuren, gaat het geel-wit gestreepte behang grotendeels verscholen achter hoge houten boekenkasten, en zo te zien is het er altijd herfst: overal liggen vellen, papieren en schriften. Het was de afgelopen maanden de kraamkamer van zijn vijfde roman, De spiegelingen.

 

spiegelingen

Erwin Mortier Godenslaap was op een dieper niveau een boek over taal: hoofdpersoon Helene vraagt zich erin af wat ze met woorden kan. De spiegelingen is gegroeid rond haar broer, Edgard. Hij is een personage van wie ik veel meer hield dan Helene, dat ik een beetje een ‘teringwijf’ vond. Edgard komt gehavend uit de loopgraven, zoekt voor zijn kwetsuren beschutting bij zijn minnaars en probeert aan de geschiedenis te ontkomen. Godenslaap ging over de mogelijkheden van taal en geheugen, De spiegelingen meer over taal en verlangen. Het is een boek waarin ik heel bewust van mannen uitga en de mannenliefde betrek. Edgard is sensueel en heeft geen problemen met zijn seksualiteit, maar het drukt zwaar op hem dat hij een relatie heeft gehad met de man van Helene, die misschien biseksueel is. Edgard wil die persoon vatten en begint notities te maken – dat groeit uit tot De spiegelingen. Het boek bevat allerlei spiegeleffecten voor wie Godenslaap kent. Tegelijkertijd deze titel omdat er spiegelingen in zitten naar ons; onze verlangens en levensverhalen die afgebroken worden. Het is dus heel fragmentarisch; een flonkerend geheel van brokstukken. En bij mij jeukte het erg om eens een mannelijke sensualiteit te laten weerklinken, wat in deze tijd niet slecht is, als je ziet hoe wereldwijd de herenliefde onder druk staat. Dat raakt me.

 

herenliefde

Mortier Als je verlangens of affecties enigszins buiten de sociaal geaccepteerde scenario’s vallen, verscherpt dat je blik en observatievermogen. En het geeft je een zeker buitenstaandergevoel. Het maakte mij ervan bewust dat de mens meer is dan de definities waar hij zich in wil wringen. De mens is een nieuwsgierig wezen, maar het menselijke verlangen wil men toch heel duidelijk temmen. Het kan een geruststelling voor iemand zijn zich het etiket ‘hetero’ toe te eigenen en mogelijke andere gevoelens weg te moffelen. Ik denk dat de werkelijkheid veel meer schakeringen heeft. Homoseksualiteit vergt ook creativiteit: er liggen geen scenario’s klaar. Je moet in feite à la Sartre de liefde opnieuw uitvinden, een creatief gegeven. En als je van de heren bent, is er niet de mogelijke context van nageslacht, die voor veel mensen ook een soort vangnet is. Daar moet je zelf aan bouwen. Je moet in feite je eigen familie samenstellen. Ik denk niet dat homoseksualiteit volledig geaccepteerd is in België. Als ik jonge mannen spreek, krijg ik soms de indruk dat het gevoeliger ligt dan vroeger. Zij zitten ermee in de knoei op een wijze die ik nooit gekend heb. Ik ben in de jaren zeventig opgegroeid, waarin er openheid was. Mijn geaardheid heeft mij nooit problemen gegeven. Het ironische is dat nu alles wettelijk is geregeld, we kunnen allemaal trouwen en zelfs adopteren, terwijl er op het vlak van mentaliteit een terugslag is. Het huwelijk is geënt op het man-vrouwmodel, daar gaat een normerende druk vanuit. Ik ben ervan overtuigd dat de dynamiek tussen man-man anders is dan die tussen man-vrouw. Verder ben ik sterk aanhanger van de uitspraak "il n’y a pas des rapports sexuelle" van psychoanalist Lacan: seks is altijd een soort moeizaam geploeter. Ook is het absoluut heel mooi, misschien zelfs het mooist van al, in het onzekere ook. Verlangen is ook een zintuiglijke manier om kennis op te doen. Hoewel het goed is dat alles nu open en bespreekbaar is, lijkt het door seksuologen en seksueel advies alsof het allemaal vlotjes gaat, terwijl de intimiteit, het fragiele en het vrolijke geklungel natuurlijk ook heerlijk is.

 

vruchtwatertaboe

Mortier Ik heb het geluk gehad op te groeien in een goed huwelijk. Er waren geen spanningen, ook niet tussen broers en zussen. Mijn groot- en overgrootouders woonden in mijn vroege kinderjaren vlakbij. Als kind werd ik daardoor opgebracht in een narratief geheugen, in een verhalenuniversum dat je eigen kleine minigeheugen ver overstijgt. Een boel mooie verhalen, maar de familie had ook taboes. Ik ben ondergedompeld in een vruchtwater van verhalen dat paradijselijk is, maar ook zijn bittere, donkere kanten kent. Bijna alle belangrijke historische thema’s in ons land worden trouwens gekenmerkt door een groot onvermogen om erover te praten. Daar moeten we mee in het reine komen. De hele Duitse geschiedenis en collaboratie zit eigenlijk nog steeds muurvast. Daar getuigt het succes van partijen als de N-VA ook van, die zijn rechtstreekse erfgenamen van dat donkere Vlaamse verleden. Dat ettert maar door. België is het vaderland van de non dits, de taboes. Daar stuit je voortdurend op. Mijn hang naar het schrijven is deels geworteld in het beladen familieverleden aan moeders kant, mijn debuutroman Marcel gaat erover. Mijn grootoom was twintig en ging in dienst bij de SS. Zes maanden later is hij aan flarden geschoten door Russische granaten. Hij werd daar begraven, later heeft Stalin de Duitse oorlogsgraven laten platwalsen. Dat was het dan, er is zelfs geen graf meer. Als kind ving ik flarden op van dat verleden waar mijn grootouders zich voor schaamden, terwijl er ook een soort geknakte trots was. Ik zoog het allemaal op. Er was een hele kluwen van emoties. Ze hebben de rouw nooit publiekelijk kunnen uiten. Rouw is ook een soort verhaal: het vergt het uitrekken van je narratieve weefsel en het op een andere manier aaneenweven in je levensroerselen. Dat alles zit verweven met het verdriet van België en het deel van het Vlaamse verleden dat aanknoping zocht met het nazisme. Wat mij interesseerde was het hoorbaar en voelbaar maken van het littekenweefsel rond die afwezigen, die kluwen van niet uit te klaren gevoelens. Het is ook een manier om toch iets te maken van die geschiedenis. Je zou kunnen zeggen dat ik door het schrijven de oplossing heb gevonden om ermee om te gaan. Want schrijven is spreken en zwijgen tegelijkertijd. Je verhevigt als schrijver de werkelijkheid om bepaalde aspecten ervan bloot te leggen, voelbaar of hoorbaar te maken. Dat geldt sowieso voor kunst. Lezen en schrijven maken mij vollediger. Op zijn ouderwets gezegd: kunst vergroot onze ziel, het voegt aan het boek van onszelf stiekem allerlei bladzijdes toe.

Ik heb een soort terughoudendheid omdat ik veel prikkels opvang, maar elke schrijver kent het eeuwige dilemma tussen schrijven en leven. "Schrijven mag niet dieper in de zee des levens waden dan tot de navel," zei Flaubert. Ik begrijp de spanning wel, maar ik houd ontzettend veel van het leven, dus na een tijd schrijven wil ik ook gewoon de branding van het leven rond mij voelen spoelen, de morsigheid en de liederlijkheid, en alles wat je maar wilt. Het moet elkaar in evenwicht houden.

 

Literatuur

Mortier Er verschijnen veel boeken van mensen die ideeën hebben: journalistiek met kleren aan, sociologie met een hoed op. Het literaire is alles wat dat niet is. Ik heb nogal een negatieve definitie van wat literair is. Dat heeft te maken met het moderne van de modernere letteren, waar ik ruwweg twee sleutelmomenten in zie. Enerzijds de ontwikkeling van het poëtische personage, de ‘lyrische ik’ als iemand die van zichzelf geen eigenschappen heeft. Lyrisch bewustzijn wordt gedefinieerd als totale openheid en verwelkoming van anderen. Een tweede sleutelmoment situeert zich in het proza en daarbij past Flaubert als icoon. Hij zei dat er geen verheven of platvloerse onderwerpen zijn: de stijl zelf is een absolute manier om de dingen te beschouwen. Dat liet hij zien in Madame Bovary: het leven van een eenzame, smachtende doktersvrouw in de provincie is evenzogoed materie voor literatuur als het leven van een koning, hertog of held. Ieder boek moet in de manier waarop het geschreven is zijn eigen noodzaak en pregnantie vestigen.

De literatuur evolueert en rukt zich los uit haar traditionele maatschappelijke en sociale verbanden en hiërarchieën om volledige zelfbeschikking op te eisen. Tegelijk weigert ze om zich door externe factoren te laten definiëren. Het moderne schrijven laat zich zo door een grote onbepaaldheid funderen. Daar komt volgens mij die steeds terugkerende roep naar letteren uit voort dat het de straat op moet om zich te mengen in politiek-maatschappelijke debatten. Als je dat doet, reduceert het de impact van kunst direct tot de hete hangijzers van het ogenblik zelf, terwijl kunst heel geleidelijk, sluipend en accumulatief werkt, naar het individu en niet naar groepen. Als de politiek de kunst van het onmogelijke is, is de kunst de politiek van het onmogelijke proberen. In feite formuleer je mogelijke bestaansvormen die misschien ooit tot iets leiden.

Ik zie een roman als een wereld die leeft en bestaat op zichzelf en die de lezer in zich opzuigt. Literatuur speelt zich volgens mij af in het niet op te lossen spanningsveld tussen het oordeel en de aanhalingstekens die de grote geschiedschrijving maakt en de duizenden nuances die er liggen op het individuele vlak. Ik vind het interessante literatuur om de singulariteit van levens weer te geven. Proza symboliseert de grond van beschaving; het imaginaire gesprek met het verleden. Poëzie is een soort bad van de eeuwige jeugd waarin de taal zich kan onderdompelen en betekenissen kan afstoten of weer aantrekken. Ik speel met de gedachte ooit al mijn poëzie te bundelen, en het als titel deels ironiserend ‘Woordenboek der Toekomstige Betekenissen’ te geven. Poëzie is het vernieuwende aan de taal, het formuleert metaforen die een soort toekomstigheid aanduiden. Dat zijn volgens mij de twee polariteiten waarbinnen het schrijven zich situeert.

Literatuurwetenschappen en journalisten benaderen het boek te cognitief: het scheppen van een roman is een kunstwerk. Ik zeg als boutade soms dat ik de hoer van mijn verbeelding ben. Ik krijg heel veel prikkels; een vloed van indrukken. De meest volledige manier waarop ik daar iets mee kan, is via kunst en schrijven.

 

ziekte voor rare mensen

Mortier Mijn grootouders hadden een rijkelijk gevulde bibliotheek. Mijn grootmoeder nam me vaak mee naar musea. Mijn vader bracht ons al jong naar de bibliotheek en gaf ons een muziekstudie. Dat sloeg enorm aan. Maar vanuit het klassieke onderwijs gold ik als een probleemgeval en kreeg ik geen respons op datgene waar ik mee bezig was. Er heerste een kleinburgerlijke visie op kunst: de docenten vonden het leuk om een schilderij boven de kast te hangen, maar het idee dat je daar zelf een levensvervulling in zou kunnen vinden, dat vonden ze écht buitenaards. Op de middelbare school werd kunst gezien als een ziekte voor rare mensen.

Ik zou studenten op het hart willen drukken zich niet te veel door hun onzekerheid te laten leiden. Als je jong bent, begin je van alles en komt er veel op je af. Je doorgrondt jezelf misschien nog niet helemaal. De neiging om dan dicht te slaan en je aan allerlei zekerheden vast te klampen is groot. Probeer te genieten van wat de dag brengt. Sommigen denken: ik moet nog zoveel doen, die stapelen van alles op en lopen vast. Je moet een beetje slordig kunnen leven. Probeer een elementaire blijdschap in stand te houden. En als je wilt schrijven: heel veel lezen, dat scherpt je blik en het voedt. Verlies je niet in wat andere theoretici en stuurlui aan wal beweren over hoe er geschreven moet worden. Er zijn geen regels. Het belangrijkste is focus hebben: focus op wat je kwijt wilt.