een jonge meester

dwarsverdieping - Charlotte van den Broeck
22/01/2015

“Aangekleed en wel deze keer” zullen we elkaar spreken, mailt schrijfster Charlotte van den Broeck voor het interview. Vorige keer zag ik haar tijdens Poëziebordeel. Die nacht droeg ze, uitdagend gekleed, zittend in een badkuip en omringd door kaarsen, voor uit eigen werk. Charlotte is 23 jaar, studeert woordkunst en organiseert literaire avonden (‘Gedempte tongen’) in café Cabron. Sinds enkele voorpublicaties uit haar debuut Kameleon verschenen – de poëziebundel komt in februari 2015 uit – regent het optredens. Uw verslaggever woonde twee van die optredens bij en onderschrijft de recensies over sterke teksten en betoverende performances. Charlotte is hard op weg om uit te groeien tot een literair meester. “Ik probeer een goed mens te zijn,” zegt ze op indringende fluistertoon halverwege het interview.


We hebben afgesproken in De Singel. Bij aankomst, 10 minuten te vroeg, staat Charlotte al te wachten. Ze groet me vol enthousiasme: “Ik dacht dat je het gesprek zou willen opnemen, dus ik heb alvast een studio voor ons geregeld.” De Singel is een theater, maar er worden ook kunstopleidingen gedoceerd. Richting de studio passeren we een gang waar een klas kinderen tikkertje speelt. “Het is hier vandaag kinderdag,” verklaart Charlotte.

–  “Dan zijn we mooi op onze plek.”

“Ik weet niet hoe oud jij bent, maar ik voel me toch heel volwassen hoor,” lacht ze.

 

 

Charlotte werd in 1991 geboren als dochter van een verpleegster en een ambtenaar in Turnhout. Ze kende een gelukkige jeugd, maar groeide op in een huis zonder boeken. Nu studeert ze voor het tweede jaar op rij woordkunst, een vijfjarige opleiding aan De Singel. “Ik ben afgestudeerd in Engelse en Duitse letterkunde, dat is de academische kant van literatuur, maar ik wilde me op het maken ervan richten. Ik hoorde van de opleiding woordkunst en heb niet getwijfeld. Dit heeft me al veel zelfkennis gebracht. Op mijn achttiende was ik heel naïef en ik ben blij dat ik eerst veel gelezen heb en mezelf op intellectueel niveau verrijkt heb. Die naïviteit lag ook aan mijn opvoeding, denk ik. Ik keek ongenuanceerd naar de wereld. Nu ben ik aan het creëren.”

 

Hoe was je opvoeding?

“Oh, het wordt Freudiaans!” lacht Charlotte. “Mijn thuissituatie was goed, maar mijn ouders zijn mensen die niet veel met cultuur bezig zijn. Daar stond ik wel alleen in. Als er iets echt belangrijk is, nodig ik mijn ouders uit, maar ze kunnen niet altijd. Ze zijn er niet heel nauw bij betrokken maar wel erg trots, omdat het redelijk lukt. Ik weet dat ze achter me staan en fier zijn, maar ze begrijpen niet heel goed waar ik precies mee bezig ben en ze mengen zich er ook niet echt in. Maar ik word wel gesteund door ze.”

 

Hoe heb jij je studententijd beleefd?

“Als student had ik een goed evenwicht tussen wild zijn en er keihard voor gaan. Ik ging wel uit, maar als ik moest werken dan ging ik er vol voor en kon ik erg geconcentreerd aan de slag. Dat heb ik nu nog.”

 

Wanneer begon je met schrijven?

“Eigenlijk schrijf ik nog niet zo lang. Ik schreef in 2011 mijn eerste kortverhaal voor een wedstrijd. Toen haalde ik een nationale finaleplaats en dacht ik voor het eerst verder te kunnen met schrijven. Poëzie leek me een goede vorm om in te kotsen.”

 

Kotsen?

“De eerste gedichten die ik schreef en die ook in mijn bundel zijn opgenomen, zijn heel associatief, een echte woordenstroom. In het begin had ik, toen ik ze op het podium voordroeg, steeds een gevoel alsof ik had overgegeven. Heel vreemd. Het moest er in één keer uit. Bij het schrijfproces was dat in het begin ook zo, een niet-aflatende stroom. Nu is het andersom, nu verbeter ik mezelf eindeloos voordat ik iets neerschrijf. Poëzie is echt mijn vorm. Ik zou graag ooit ook een roman schrijven, maar ik denk dat ik dat nog niet kan. Ik vind poëzie nu het meest zinvol en het beste voor mij, als schrijver, of als dichter. Als probeerder…”

 

Je moet jezelf niet wegbagatelliseren.

“Nee, dat doe ik ook niet, maar ik moet voor mezelf nog uitvinden hoe ik daar precies in sta.”

 

Wat is het beste advies dat je ooit kreeg?

“Dat komt van mijn moeder. 'Je mag alles doen, maar lieg nooit,' zei ze ooit. Ik kan wel hard zijn, maar ik zal nooit iets zeggen dat niet waar is.”

Het gesprek is een kwartier bezig.

 

Hoe verloopt het interview tot nu toe?

“Uhmm… Ik heb het gevoel dat ik teveel aan het zeggen ben.” Charlotte lacht. “Ik ga me iets geslotener opstellen nu.”

 

In februari komt je bundel Kameleon uit. Welke boodschap wil je met je debuut uitdragen?

“Mijn bundel gaat over vrouwelijkheid en het veranderlijke van identiteit, vandaar 'kameleon'. Ik wil geen eenduidige boodschap prediken. Het aantrekkelijke van poëzie is voor mij juist dat je het opnieuw en opnieuw kan lezen en er telkens iets anders uithaalt. Voor mezelf is mijn debuut in ieder geval een laboratorium, waar ik naïviteit niet alleen naar de inhoud, maar ook ten opzichte van de poëzie zelf onderzoek. Hoeveel kan ik er over weten op dit moment, hoeveel kan je er ooit over weten? Ik weet ook niet of alle gedichten in de bundel wel 'poëzie poëzie' zijn en of dat hoeft. Mijn vertrekpunt was een citaat van Schiller, over de schijnbare naïviteit van vrouwen. En mijn grote voorbeeld is Ingeborg Bachmann, een Oostenrijkse schrijfster. Zij heeft maar één roman afgemaakt, Malina, en is heel vroeg een tragische dood gestorven. Ze rookte een sigaret in bed, viel in slaap en is vervolgens met huis en al opgebrand… Ze schrijft op een heel interessante manier over feminisme en dat boeit me erg.”

 

Ben jij een feministe?

“Niet in de zin van bh’s verbranden, maar ik denk wel veel na over wat mannelijk- en vrouwelijkheid zijn, hoe dat wordt weergegeven en wat daar fout aan is. Mijn bundel is gethematiseerd rond de vrouw, het meisje, lichaam en identiteit.”

 

Hoe zou je je eigen identiteit omschrijven?

“Ik ben rigide. Dat is niet zo positief, maar ik ben het wel. Ik ben ook gepassioneerd in de dingen die ik doe.” Lachend vervolgt ze: “En ik denk dat ik een goed mens ben, maar ik ben ook heel kritisch. Voor mezelf en voor anderen.” “Nee,” haast Charlotte zich te zeggen, “ik probeer een goed mens te zijn, dat is wat ik bedoel. Ik vind het moeilijk om over mezelf te praten. Je bent geen constant iets, je verandert.” Ze kaatst de bal terug: “Hoe zou jij jezelf omschrijven?”

 

 

Charlotte brengt veel optredens, onder meer met Poëziebordeel. Dat is een nachtelijk evenement waarbij bezoekers en deelnemers uitdagend zijn uitgedost en iedere dichter een eigen kamer heeft. Bezoekers kunnen er alleen per twee binnengaan voor een intieme voordracht. Op de gangen zijn ondertussen acts te bewonderen: livemuziek, beschaafde paaldanssessies en een spectaculaire vuurshow. Hoe beleeft Charlotte die nachten? “We hebben 'het' nu vier keer gedaan, ik begin me er goed bij te voelen. In het begin was het even zoeken. Ik vond het een ongemakkelijk idee om met één iemand in een kamer te zitten en mijn poëzie voor te dragen. Dat werd direct erg persoonlijk. Intussen zijn er vier edities geweest en heb ik mijn draai gevonden. Er is telkens een bijzondere sfeer. Ik had bijvoorbeeld een keer een koppel bij me waarvan de man hard om mijn gedichten moest huilen, maar de vrouw deed het helemaal niks. Dan maak je iets super intiems mee met die man, terwijl zijn vrouw er volledig buiten staat en toch in diezelfde kamer is. Die momenten zijn bijzonder. Er leek een soort afstand weg te vallen.”

 

Is dat het doel van je schrijven, om mensen echt te raken?

“Ja, mijn ideaalbeeld van kunst – wat misschien wel naïef is – is dat het iets kan doen met de maatschappij, dat het iets kan veranderen. Daar ben ik nu nog niet toe in staat. Ik wil eerst dingen delen die ik mooi vind en hoop dat anderen die schoonheid ook gaan zien, dat ze erdoor geraakt worden.”

 

Wat zou jij willen veranderen?

“Vanalles,” glimlacht Charlotte. “Politiek bijvoorbeeld. Ik vind het milieu ook heel belangrijk, maar ik weet dat ik dat nooit met poëzie zal kunnen veranderen. Ook puur de manier waarop mensen naar elkaar kijken. Als je een verandering op dat vlak teweeg kunt brengen... Maar daar ben ik nog lang niet. Ik geloof wel echt dat kunst dat kan brengen. Als ik er zelf op een dag in zou slagen, zou dat schitterend zijn. Misschien meer nog dan het delen van mijn gedachten en ideeën, zoals ik nu doe. Ik weet niet zeker of mensen daar iets aan hebben, maar als ik daarmee iets teweeg zou kunnen brengen, zou ik er veel voldoening uit halen.”

 

Hoe combineer je al je literaire activiteiten met je voltijdse studie?

“Dat begint moeilijk te worden. Het is een gekke dichotomie: voor mezelf moet ik een product creëren dat goed is, maar voor school moet ik producten maken waarin ik wroet, probeer en faal. Soms mixt dat met elkaar; dan denk ik op school iets heel goeds gemaakt te hebben en daarbuiten te falen, en dan blijkt het andersom. Ik ben enorm bang om te falen. Oh! Ik heb al nachtmerries over de kritieken die straks op Kameleon zullen volgen. Als ik op een podium sta, kan ik controleren hoe mijn boodschap tot de mensen komt. Dan ben ik de baas. Ligt dat papier in iemands living, dan ben ik daar niet meer. Dan is er enkel het papier. Ik hoop dat dat genoeg zal zijn.”

 

Je hebt een heel specifieke vertelstijl, waarbij je op een indringende fluistertoon spreekt en met je handen praat. Denk je daarover na? Heb je bewust een eigen stijl ontwikkeld?

“Er zijn wel een paar mensen die het altijd over ‘de handen van Charlotte’ hebben, maar ik heb daar geen controle over. Ik doe het niet bewust: mijn mond gaat sneller dan mijn hersenen. Het is alsof mijn lichaam mijn mond niet vertrouwt en nog eens wil herhalen wat mijn mond al zegt.”

 

Een van je gedichten opent met de woorden "we gooiden een anker, we zeiden hier stopt alle rede / als we ooit weer wilden denken, konden we naar dat anker / terugkeren". Wat wil je daarmee zeggen?

“Het is een oproep om je geest te controleren. Ik kan heel cerebraal leven, dan zit ik volledig in mijn eigen kop. Het leek me een mooi beeld om als een schip aan te meren, een anker te gooien en van je gedachten weg te gaan. Je kunt nooit té veel nadenken, maar er is ook nog een werkelijkheid.”

 

Tijdens een toespraak voor Behoud de Begeerte sprak je over de belofte "er blijven heus wel dingen over". In het gedicht Kleine Vulkaan schrijf je "als we nu vergeten dat wij hier voorbijgaan, zijn wij een eeuwigheid / zijn wij de lakens over het hoofd, heer en meester van de tijd". Ben je bang voor de tijdelijkheid?

“Ja, ik zou het liefst hebben dat alles wat ik meemaak en waar ik een aangenaam gevoel aan koppel, voor altijd zal blijven duren. Ik ben bang voor het stoppen. Ik laat me snel meeslepen en als het eindigt, vind ik dat triest.”

 

Wat is het beste advies dat je beginnende schrijvers zou kunnen geven?

“Ik ben zelf natuurlijk een beginnend schrijver, maar je moet volgens mij niet te hard op een ander proberen te lijken. En als je kritiek krijgt, moet je ervan leren – dat is ook een advies aan mezelf. Je moet in ieder geval gedreven zijn, dat is het mooiste wat er is. Of het nu schrijven is, of zogezegd zoveel mogelijk hondjes aaien. Je moet niet de grootste schrijver willen worden, dat wil ik zelf ook niet. Maar je moet wel doordrijven waar je gedreven in bent.”